Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.
HR, 09-04-2024, nr. 22/00960 P
ECLI:NL:HR:2024:559
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-04-2024
- Zaaknummer
22/00960 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:559, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑04‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:403
ECLI:NL:PHR:2024:403, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:559
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplichtigheid hennepteelt in uitoefening beroep of bedrijf. Motivering schatting w.v.v. op € 250. Heeft hof vaststelling w.v.v. alleen op verklaring van getuige gebaseerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00928 P, 22/00930 P, 22/00932, 22/00938 en 22/00959.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00960 P
Datum 9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022, nummer 21-000042-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft G.J.P.M. Grijmans, advocaat in Bolsward, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 22/00959 is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.
Conclusie 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming (art. 36e Sr). Klachten over de vaststelling van het w.v.v.. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 22/00938, 22/00932, 22/00930, 22/00928 en 22/00959.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00960 P
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 4 maart 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 250,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/00932, 22/00930, 22/00928, 22/00938, 22/00959, 22/00892, 22/00894 en 22/00893. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen, met uitzondering van de zaken 22/00892, 22/00893 en 22/00894. In die zaken is het cassatieberoep ingetrokken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden, heeft beslist en/of overwogen dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel van € 250,00 heeft genoten en dat dit moet worden betaald aan de Staat. In de toelichting wordt aangevoerd dat er geen enkel bewijs is voor de in de strafzaak bewezenverklaarde medeplichtigheid. Daarbij wordt als bijlage 1 de in de strafzaak ingediende cassatieschriftuur overgelegd.
Voor zover wordt geklaagd over de bewijsvoering in de strafzaak bevat de onderhavige schriftuur geen middel in de zin der wet, nu deze klacht niet de schending van een rechtsregel of verzuim van een vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak gewezen heeft behelst.1.
6. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het voordeel € 250,00 betreft. De steller van het middel merkt op dat het hof aansluiting zoekt bij hetgeen [betrokkene 1] zegt ‘daarmee verdiend te hebben’. Aangevoerd wordt dat ‘(z)oals al uitvoerig (is) gesteld (…) de verklaringen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar en niet geloofwaardig zijn’. En dat het hof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ‘uitsluitend en alleen op de verklaring van [betrokkene 1]’ baseert terwijl de verdachte het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen.
7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):
‘Hennepkwekerij [a-straat 1] te [plaats]
Het hof heeft in de hoofdzaak bewezenverklaard dat betrokkene eenmaal behulpzaam is geweest bij het oogsten van hennep in een kwekerij die gevestigd was in een loods aan de [a-straat 1] te [plaats] (zaaksdossier 4).
Evenals de advocaat-generaal acht het hof aannemelijk dat betrokkene dit niet voor niets heeft gedaan en dat hij hier geld voor heeft ontvangen. Nu het dossier geen verklaringen of andere bewijsmiddelen bevat waaruit blijkt hoeveel betrokkene precies heeft verdiend, zal het hof dit bedrag schatten. Het hof acht het redelijk om in dit kader aansluiting te zoeken bij de verdiensten van medeverdachte [betrokkene 1] die net als betrokkene ondersteunende werkzaamheden heeft verricht. Het hof acht diens verklaring hieromtrent geloofwaardig en betrouwbaar en neemt die als uitgangspunt voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden in de kwekerij in [plaats] per keer € 250,- kreeg. Nu de medeplichtigheid van betrokkene ziet op éénmalig helpen bij de kwekerij, schat het hof het voordeel dat betrokkene hiermee heeft behaald op € 250,-.’
8. De vermelding dat uitvoerig is gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar en niet geloofwaardig zijn, levert naar het mij voorkomt evenmin een middel in de zin der wet op, nu deze stelling geen ‘stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen’ behelst.2.
9. Resteert de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen op de verklaring van [betrokkene 1] is gebaseerd.
10. Ingevolge art. 511f Sv kan de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in art. 36e Sr slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsminima zijn evenwel niet van (overeenkomstige) toepassing op deze beslissing.3.De wettelijke regeling verzet zich er derhalve niet tegen dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op één bewijsmiddel berust.
11. Uw Raad heeft in een arrest van 30 oktober 2018 voorts het volgende overwogen:4.
‘2.4.1 Op de ontnemingsprocedure is art. 6, eerste lid, EVRM van toepassing (vgl. EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 39). In die procedure moet derhalve zijn gewaarborgd dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene wordt tegemoetgekomen.
2.4.2 In de strafprocedure geldt dat de verdediging op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM het recht heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Indien voor de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in de strafzaak in strijd komen met art. 6 EVRM. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440.)
2.4.3 De ontnemingsprocedure heeft een ander karakter dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan ingevolge art. 338 Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan art. 511f Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In verband daarmee gelden in de ontnemingsprocedure andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure. (Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100.)
Gelet op het karakter van de ontnemingsprocedure zijn de uit de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie - EHRM 10 juli 2012, nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland) (...) - voortvloeiende regels niet onverkort van toepassing in die ontnemingsprocedure. (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:898.) Die regels hebben echter wel betekenis indien en voor zover een in het verband van de ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan.’
12. Deze rechtsregels staan er evenmin als de wettelijke regeling aan in de weg dat het hof de schatting van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit het in de strafzaak bewezenverklaarde feit op – alleen − de verklaring van [betrokkene 1] baseert. Die verklaring is in de onderhavige zaak niet gebruikt om een in het verband van de ontnemingsprocedure te nemen beslissing te onderbouwen die inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan.
13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
14. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad mogelijk geen uitspraak zal doen binnen twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld. Tot cassatie behoeft dat – meen ik – niet te leiden. Ik wijs daarbij in de eerste plaats op de geringe hoogte van de betalingsverplichting; bij geldboetes past Uw Raad geen vermindering toe als de boete minder dan € 1000,- bedraagt.5.Ik wijs er voorts op dat ingeval Uw Raad in de samenhangende strafzaak op dezelfde dag arrest wijst, in die strafzaak kan worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden.6.Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑02‑2024
Van Dorst en Borgers, a.w., p. 270.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023, NJ 2022/44 m.nt. Jörg. Vgl. ook HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1749, NJ 2022/45 m.nt. Jörg.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.
Vgl. HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1615. Zie voorts HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:851, waar Uw Raad in de strafzaak (ECLI:NL:HR:2020:850) volstond met de constatering dat de redelijke termijn was overschreden.