Rb. Amsterdam, 05-04-2022, nr. 13.130555.20
ECLI:NL:RBAMS:2022:1879
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
05-04-2022
- Zaaknummer
13.130555.20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2022:1879, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Uitspraak 05‑04‑2022
Inhoudsindicatie
jeugdstrafrecht; vrijspraak verkrachting wegens onvoldoende bewijs
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.130555.20
Datum uitspraak: 5 april 2022
vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2004,
wonende op het adres [adres verdachte] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.M.A. Kersten, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Tevens zijn de benadeelde partij [slachtoffer] (bijgestaan door haar moeder en broer) en haar raadsvrouw mr. W.A. Monster verschenen en gehoord.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het medeplegen van verkrachting van [slachtoffer] op 13 april 2020 te Amsterdam. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als het medeplegen van ontuchtige handelingen bij een persoon onder de zestien jaren.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op basis van het dossier kan worden bewezen dat [slachtoffer] op 13 april 2020 in Amsterdam door [medeverdachte] en een andere persoon is verkracht, zoals ook neergelegd in het vonnis van heden in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 13.130573.20. [medeverdachte] en de andere persoon hebben [slachtoffer] onder bedreiging van een wapen meegenomen vanaf de [naam bedrijf] in Amsterdam Noord naar het nabij gelegen [plaats delict] , waar zij beide jongens heeft moeten pijpen. Het gaat er in deze zaak om of kan worden bewezen dat die andere persoon verdachte [verdachte] was.
Verdachte [verdachte] ontkent vanaf zijn eerste aanhouding in mei 2020 stellig dat hij die tweede persoon is geweest. Hij weet niet meer wat hij deed op 13 april 2020, maar hij is zeker niet de mededader geweest. Hij kent de aangeefster [slachtoffer] niet. Hij kent getuige [persoon 1] van school en medeverdachte [medeverdachte] kent hij van gezicht uit zijn flat. Naar eigen zeggen is hij weleens in desbetreffende [naam bedrijf] geweest.
Volgens het tweede lid van art. 342 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).
[slachtoffer] heeft verklaard dat de andere persoon ‘ [naam 3] ’ was, een vriend van [medeverdachte] . Zij weet zijn achternaam niet, maar wel dat hij net als [medeverdachte] op de [adres] woont, op de eerste verdieping, ze denkt op nummer [huisnummer] . Hij is 16 jaar oud. Zijn bijnaam is ‘ [bijnaam] ’.
[persoon 1] , de vriendin en collega van [slachtoffer] , heeft gezien dat [medeverdachte] die avond samen met [verdachte] kwam aanlopen. [medeverdachte] en [verdachte] zijn samen met [slachtoffer] weggelopen bij de [naam bedrijf] . [persoon 1] kent [verdachte] van school. Hij is 16 jaar en woont ook in [wijk] . [verdachte] is een goede vriend van [medeverdachte] , aldus [persoon 1] . Zij herkent verdachte later van een politiefoto als de door haar bedoelde [verdachte] . Hij komt ook regelmatig in de [naam bedrijf] .
Op basis van deze omschrijving komt de politie uit bij verdachte [verdachte] . Zijn voornaam is [verdachte] , hij woont op [adres verdachte] en is 16 jaar oud.
De verklaring van aangeefster, dat verdachte de tweede persoon is geweest en dus de mededader van de verkrachting, wordt ondersteund door de verklaring van [persoon 1] . Daarmee is de rechtbank van oordeel dat er, zij het minimaal, op zichzelf voldoende wettig bewijs aanwezig is, zoals hiervoor beschreven.
De volgende vraag is of de rechtbank op grond van het wettige bewijs ook overtuigd is dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] niet ontegenzeggelijk volgt dat het verdachte is geweest die samen was met [medeverdachte] . [persoon 2] verklaart over ‘die vriend’ (de rechtbank begrijpt: van [medeverdachte] ), dat hij die niet kende en ook niet eerder had gezien. De naam [verdachte] krijgt hij te horen van de rechter-commissaris tijdens het verhoor. Zelf noemt hij deze naam niet. Ook [persoon 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] met een vriend was. Hij heeft na zijn politieverhoor aan [persoon 4] , eigenaar van de [naam bedrijf] , gevraagd hoe die vriend heette en zo komt hij bij de naam [verdachte] . [persoon 4] heeft echter van anderen gehoord dat het [verdachte] was die die dag met [medeverdachte] was. [persoon 3] verklaart tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie bij het tonen van de foto van verdachte dat dit [verdachte] is en dat hij de betreffende dag samen was met [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat behoedzaam met een dergelijke enkelvoudige fotoconfrontatie moet worden omgegaan en kan in dit geval op basis van het proces-verbaal niet controleren hoe deze fotoconfrontatie precies is verlopen. De rechtbank gebruikt deze herkenning daarom niet voor het bewijs.
[medeverdachte] was die dag met een vriend, zoveel kan worden vastgesteld. Maar het dossier bevat – anders dan de verklaringen van [slachtoffer] , [persoon 1] en [persoon 4] , weinig aanknopingspunten dat verdachte en [medeverdachte] vrienden waren. [medeverdachte] en verdachte ontkennen een dergelijke vriendschap stellig. Verdachte heeft 127 registraties op zijn naam bij de politie, maar slechts bij één daarvan kan een verbinding worden gelegd met [medeverdachte] . Zij zijn eens samen staande gehouden in de flat waar zij beiden wonen. Het is dan ook niet zo dat met die/een vriend vanzelfsprekend verdachte bedoeld wordt. Deze omstandigheden in het licht van de stellige ontkenning van verdachte maken dat de rechtbank eraan twijfelt of verdachte de persoon is die samen met [medeverdachte] was die dag en daarmee ook de medepleger van de verkrachting. Het ontbreekt in het dossier daarnaast aan objectieve bewijsmiddelen die de aanwezigheid van verdachte bij de [naam bedrijf] die dag bevestigen. Er zijn geen camerabeelden en er zijn ook geen uitpeilgegevens van de telefoon van verdachte, zoals die er wel zijn van [slachtoffer] , [persoon 1] en [medeverdachte] .
De verklaringen van [slachtoffer] en [persoon 1] acht de rechtbank onvoldoende om een veroordeling van verdachte op te baseren. Op basis van dit dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder redelijke twijfel de conclusie worden getrokken dat het niet anders kan dan dat het verdachte moet zijn geweest die samen met [medeverdachte] was. Die twijfel dient dan in het voordeel van verdachte uit te vallen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.
5. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 6.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
6. Beslissing
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Dinjens, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A.S. Dogan en M.H.W. Franssen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2022.