Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/4.8
4.8 Beëindiging van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS498755:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stevens/De Vlaam, Ondernemingsrecht 2003, p. 321-326.
Zie art. 6905/1 onderdeel (i) van Euronext Rule Book 1.
Zie Euronext Announcement 2004-041 (Delisting).
Aangenomen wordt door Euronext Amsterdam dat na een geslaagd openbaar bod een delisting reeds kan plaatsvinden voordat de uitkoopprocedure van art. 2:92a BW is voltooid. Inmiddels bevat art. 2:359c BW een bijzondere uitkoopregeling die alleen kan worden toegepast door degene die een openbaar bod op een uitgevende instelling heeft uitgebracht.
De tekst van Euronext Announcement 2004-041 (Delisting) is op dit punt niet duidelijk. Ik ga ervan uit dat het aanbod tot aankoop moet worden gedaan voor de hoogste van beide waardes.
Art. 5:32g Wft handelt ook over de opschorting van de handel in een financieel instrument door een marktexploitant. Gedurende de opschorting van de handel zal de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft mijns inziens voor de uitgevende instelling onverminderd van kracht blijven.
Zie Kamerstukken II, 2006-2007, 31 086, nr. 3, p. 174.
Evenzo Grundmann-van de Krol, Koersen door de Wet op het financieel toezicht (2010), p. 302.
Zie Kamerstukken II, 2006-2007, 31 086, nr. 3, p. 174.
Gedoeld wordt hier op het begrip 'effecten' als omschreven in art. 1.1 van Euronext Rule Book 1.
Zie art. 6905/1 onderdeel (ii) van Euronext Rule Book 1 voor de zogeheten 'geëigende gronden' op grond waarvan de notering op initiatief van Euronext Amsterdam kan worden beëindigd.
De Richtlijn markten voor financiële instrumenten schrijft een dergelijke rechterlijke tussenkomst ook niet voor.
Het beruchte 'besloten kring'-criterium is gelukkig bijna geheel verbannen uit de thans vigerende financiële toezichtswetgeving. Zie nog art. 3:5 lid 1 Wft (verbod van aantrekken van opvorderbare gelden buiten besloten kring) en art. 1:1 Wft (de definitie van het begrip `bank').
Zie Kamerstukken II, 1988-1989, 21 038, nr. 3, p. 8 en 21.
Indien en zodra de door een uitgevende instelling uitgegeven fmanciële instrumenten niet langer meer zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland, zal de openbaarmaking splicht van koersgevoelige informatie ex art. 5:25i Wft eindigen. Hoewel de uitgevende instelling op grond van het op haar toepasselijke recht nog wel onderworpen zal kunnen zijn aan bepaalde periodieke informatieverplichtingen (zoals de publicatie van jaarlijkse fmanciële verslaggeving), geldt voor haar niet langer de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie.
Mede gelet op het belang van beleggers bij handhaving van de gemakkelijke verhandelbaarheid van de door de uitgevende instelling uitgegeven fmanciële instrumenten, alsook de vereiste ordelijke werking van de desbetreffende handelsplatformen is de beëindiging van de verhandelbaarheid van fmanciële instrumenten op deze platformen slechts onder strikte voorwaarden toegestaan.1 Een onderscheid kan daarbij worden gemaakt tussen een beëindiging van de verhandeling op initiatief van: (i) de aandeelhouder(s) of de uitgevende instelling, (ii) Euronext Amsterdam en (iii) de AFM.
(i) Beëindiging op initiatief van de aandeelhouder(s) of de uitgevende instelling
Eén of meer aandeelhouders of de uitgevende instelling zelf kunnen Euronext Amsterdam verzoeken om de notering te beëindigen.2 Het beleid dat Euronext Amsterdam daarvoor heeft geformuleerd, houdt in dat een dergelijk verzoek gehonoreerd zal worden indien ten minste 95% van de door een uitgevende instelling uitgegeven (certificaten van) aandelen door één of meer (gezamenlijk optredende) aandeelhouders wordt gehouden.3 Wordt het verzoek tot delisting gedaan door één of meer aandeelhouders, dan dient ook de uitgevende instelling zelf met de delisting in te stemmen. Bovendien zal — tenzij sprake is geweest van een geslaagd openbaar bod4 — een exit arrangement aan de outside-aandeelhouders moeten worden aangeboden, waarbij aan de outside-aandeelhouders gedurende een periode van 20 handelsdagen een aanbod tot aankoop van de door hen gehouden (certificaten van) aandelen wordt gedaan tegen de beurskoers en/of de intrinsieke waarde5 voorafgaand aan de aankondiging van het exit arrangement.
Ook is het mogelijk te verzoeken de notering te beëindigen indien de door de uitgevende instelling uitgegeven (certificaten van) aandelen gedurende ten minste 12 maanden op een andere markt verhandeld worden en deze markt voldoende waarborgen biedt voor wat betreft liquiditeit en beleggersbescherming.
(ii) Beëindiging op initiatief van Euronext Amsterdam
Een marktexploitant mag een fmancieel instrument van de handel op een gereglementeerde markt uitsluiten (art. 5:32g Wft).6 Blijkens de wetsgeschiedenis kan de marktexploitant bij overeenkomst met de uitgevende instelling afspreken in welke gevallen hij een financieel instrument van de handel kan uitsluiten.7 Naar mag worden aangenomen, wordt hier gedoeld op de vastlegging in een marktreglement van de gevallen waarin uitsluiting van een fmancieel instrument van de handel kan plaatsvinden en de contractuele binding van de uitgevende instelling aan dit reglement door middel van de noteringsovereenkomst. Niet zal zijn bedoeld dat een dergelijke uitsluiting in een individueel geval in een tussen de marktexploitant en de uitgevende instelling bij overeenkomst kan worden overeengekomen.8
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de marktexploitant geen "wettelijke instemming" nodig voor een uitsluiting van een financieel instrument van de handel.9 Wettelijk wordt alleen geregeld wanneer de marktexploitant dit niet kan. Zo wordt bepaald dat een marktexploitant een financieel instrument niet van de handel kan uitsluiten, "indien een dergelijke maatregel de belangen van beleggers of de ordelijke werking van de gereglementeerde markt aanzienlijk zou kunnen schaden" (art. 5:32g lid 1 Wft). Zodra de marktexploitant besluit een financieel instrument van de handel uit te sluiten, moet het besluit niet alleen openbaar worden gemaakt, maar moet ook de AFM daarvan in kennis worden gesteld. De AFM stelt vervolgens de toezichthoudende instanties van de overige lidstaten daarvan in kennis (art. 5:32g lid 2 Wft).
Op initiatief van Euronext Amsterdam kan de notering volgens de marktreglementering op grond van de volgende omstandigheden worden beëindigd: (i) kennelijke nalatigheid van de uitgevende instelling om te voldoen aan de voorgeschreven verplichtingen ingevolge de marktreglementen of de noteringsovereenkomst, (ii) ontbinding van de uitgevende instelling, surseance van betaling, faillissement of een soortgelijke insolventieprocedure ten aanzien van de uitgevende instelling, (iii) het feit dat volgens Euronext Amsterdam minder dan 5% van de effecten10 beschikbaar blijven voor verhandeling, (iv) het plaatsvinden van feiten of ontwikkelingen waardoor naar het oordeel van Euronext Amsterdam een eerlijke, ordelijke en efficiënte markt niet gehandhaafd kan worden, (v) het niet langer beschikbaar zijn van adequate clearing- en afwikkelsystemen of (vi) beëindiging van de notering van effecten waarin de genoteerde effecten converteerbaar of omwisselbaar zijn.11
(iii) Beëindiging op initiatief van de AFM
Ten slotte kan ook op initiatief van de AFM de verhandeling van fmanciële instrumenten op een gereglementeerde markt worden beëindigd. De AFM kan de rechtbank te Rotterdam verzoeken een financieel instrument uit te sluiten van de handel op een gereglementeerde markt, indien dit met het oog op de bescherming van het belang van de beleggers in het financieel instrument of de ordelijke handel in het fmancieel instrument noodzakelijk is (art. 5:32h lid 2 Wft). De AFM kan een dergelijk verzoek bij de rechtbank te Rotterdam pas doen nadat zij eerst door middel van het geven van een aanwijzing de marktexploitant heeft verplicht om de handel in een bepaald financieel instrument op te schorten, te onderbreken of door te halen. Ook een dergelijke aanwijzing kan door de AFM aan de marktexploitant worden gegeven indien dit met het oog op de bescherming van het belang van de beleggers in het fmancieel instrument of de ordelijke handel in het fmancieel instrument noodzakelijk is (art. 5:32h lid 1 Wft).
Ondertussen valt niet goed in te zien waarom in het geval van uitsluiting van een financieel instrument van de handel door de AFM rechterlijke tussenkomst is voorgeschreven, terwijl in geval van een dergelijke uitsluiting door de marktexploitant rechterlijke tussenkomst niet is vereist.12 De enige verklaring die voor dit verschil kan worden gegeven is dat in geval van uitsluiting van een financieel instrument van de handel door een marktexploitant tevoren in een marktreglement is vastgelegd in welke gevallen uitsluiting kan plaatsvinden en dat de uitgevende instelling daarmee heeft ingestemd.
Hier zij nog vermeld dat onder het tot 1 januari 2007 geldende regime van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 het beëindigen van de beursnotering niet het einde van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie impliceerde. Zolang ten laste van een uitgevende instelling effecten13 buiten een besloten kring14 waren uitgegeven, bleef op deze uitgevende instelling op grond van art. 5 lid 1 Wte 1995 (oud) j° art. 9 Bte 1995 (oud) een openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie rusten. Deze openbaarmakingsplicht luidde als volgt:
"Een uitgevende instelling maakt zo spoedig mogelijk elk belangrijk nieuw feit betreffende de uitoefening van het bedrijf dat niet reeds openbaar is en waarvan een aanzienlijke invloed op de koers van de door die instelling uitgegeven effecten kan uitgaan, openbaar. Een afschrift van de openbaarmaking wordt terstond aan de toezichthoudende autoriteit overgelegd."
Deze voor niet-beursgenoteerde uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht was niet gebaseerd op enige Europese richtlijn. Deze openbaarmakingsplicht was reeds opgenomen in de Wet toezicht effectenverkeer 1992 (oud) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de achtergrond van deze openbaarmakingsplicht was dat de wetgever van oordeel was dat het belang van een behoorlijke beleggersbescherming en de wenselijkheid concurrentiedistorsies tussen beurshandel en buitenbeurshandel te vermijden, vergden dat de informatie over instellingen die effecten buiten de beurs om hebben uitgegeven aan gelijkwaardige informatieverplichtingen werden onderworpen als die welke voor genoteerde instellingen golden.15 Deze openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie voor niet-beursgenoteerde uitgevende instellingen is met de overheveling van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) naar de Wet op het financieel toezicht — zonder dat daaraan toen één woord is gewijd — van het toneel verdwenen.