NJ 1913, p. 584
HR, 21-02-1913
HR 21-02-1913, ECLI:NL:HR:1913:36
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 februari 1913
- Magistraten
Voorzitter: Jhr. Mr. S. Laman Trip. Raadsheeren: Mrs. E. W. Guljé, S. Gra-tama, J. H. van Goor en C. Krabbe.
- Zaaknummer
[21021913./NJ_1913,_p._584]
- Conclusie
Mr. J. J. L. van Hangest baron d'Yvoy
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Staatsrecht / Decentralisatie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1913:36, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑02‑1913
- Wetingang
Samenvatting
Uit het onderling verband der artt. 153 én 156 Gw. volgt, dat de vraag, of de voorwaarden, door art. 620 Rv. gesteld voor het bestaan der bevoegdheid om als scheidsmannen op te treden, aanwezig zijn, wanneer daaromtrent geschil bestaat, door den rechter en niet door de scheidslieden moet worden uitgemaakt. Bij betwisting van de opdracht rust de bewijslast op de partij, die beweert dat een dergelijke overeenkomst bestaat. Art. 649 Rv. gaat van het bestaan, althans van het bestaan hebben eener opdracht uit. Door de mogelijkheid van de vernietiging eener uitspraak van scheidsmannen aan te nemen in een geval, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.