Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.4.4:17.4.4 Verschuiving van vertrouwen op gedragingen, beweringen of verplichtingen naar een ander object van vertrouwen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.4.4
17.4.4 Verschuiving van vertrouwen op gedragingen, beweringen of verplichtingen naar een ander object van vertrouwen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452181:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De samenwerking binnen de EU kenmerkt zich doordat zij is gegrond op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat beginsel van wederzijdse erkenning leidt bij de introductie van samenwerkingsinstrumenten vooral tot het verminderen van de aan samenwerking te stellen voorwaarden en in te roepen weigeringsgronden. In die zin is sprake van een verschuiving van vertrouwen op verplichtingen en voorwaarden die hun oorsprong vinden in het samenwerkingsinstrument naar vertrouwen op de algemene gedragingen van de rechterlijke instanties wier beslissingen worden erkend. Daarmee is echter niet alles gezegd. Achter die gedragingen schuilt namelijk een stelsel van institutionele verplichtingen, al dan niet van mensenrechtelijke aard, waar die rechterlijke autoriteiten aan gebonden zijn. Zeker wanneer die verplichtingen ‘tanden’ hebben zal dat verschoven vertrouwen ook gerechtvaardigd zijn. Dit geldt met name wanneer sprake is van een toezichtmechanisme, Daarbij moet echter worden opgemerkt dat de betrokken partij die doorgaans het grootste belang heeft bij toetsing door (in EU-verband) met name het Hof van Justitie, de verdachte of veroordeelde, maar zeer beperkt de mogelijkheden heeft dat toezicht in te roepen. Bovendien is een belangrijk onderdeel van de strafrechtelijke procedure, te weten het optreden van opsporingsinstanties, categorisch uitgesloten van toetsing door het Hof. Wel hangt het af van de uitleg die het Hof van Justitie aan artikel 276 VWEU zal geven hoe ver die uitsluiting strekt. Wel speelt het EHRM een zekere rol via de uitleg van artikel 6 EVRM.