Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.12
1.12 De exceptio doli en de clausula arbitraria
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645050:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 6, 1, 23, 4 (Paulus): “In omnibus igitur istis, in quibus mea res per praevalentiam alienam rem trahit meamque efficit, si eam rem vindicem, per exceptionem doli mali cogar pretium eius quod accesserit dare.” Zie ook: Inst. 2, 1, 30: “(…) certe illud constat, si in possessione constituto aedificatore, soli dominus petat domum suam esse, nec solvat pretium materiae et mercedes fabrorum, posse eum per exceptionem doli mali repelli, utique si bonae fidei possessor fuit qui aedificasset (…)” “(…) Het staat overigens vast dat als de bouwheer het bezit heeft en de eigenaar van de grond als eiser stelt dat het huis hem toebehoort, maar de prijs van het materiaal en het loon van de werklieden niet wil betalen hij met de exceptie van onbehoorlijk gedrag kan worden afgewezen, althans indien degene die gebouwd heeft te goeder trouw is geweest (…).”
D. 5, 3, 39, 1 (Gaius): “Videamus tamen, ne et ad picturarum quoque et marmorum et ceterarum voluptariarum rerum impensas aeque proficiat nobis doli exceptio, si modo bonae fidei possessores simus: nam praedoni probe dicetur non debuisse in alienam rem supervacuas impensas facere: ut tamen potestas ei fieret tollendorum eorum, quae sine detrimento ipsius rei tolli possint.”
D. 6, 1, 37 (Ulpianus): “sed hoc ei concedendum est, ut sine dispendio domini areae tollat aedificium quod posuit.” “Dít moet men hem echter wel toestaan, dat hij zonder nadeel voor de eigenaar van het terrein het gebouw verwijdert, dat hij heeft geplaatst.” Zie ook: Goudsmit, De Gids/1872, p. 19.
Volgens Demelius kwam zo’n ius tollendi toe aan de bezitter/houder op basis van de exceptio doli. Het was een verweermiddel, waarmee afscheiding van een bestanddeel kon worden bewerkstelligd.
D. 25, 1, 9 (Ulpianus): “Pro voluptariis impensis, nisi parata sit mulier pati maritum tollentem, exactionem patitur. Nam si vult habere mulier, reddere ea quae impensa sunt debet marito: aut si non vult, pati debet tollentem, si modo recipiant separationem: ceterum si non recipiant, relinquendae sunt: ita enim permittendum est marito auferre ornatum quem posuit, si futurum est eius quod abstulit.”
De actio ad exhibendum kon iemand instellen tegen een bezitter/houder, om zo afscheiding van een bestanddeel af te dwingen. Wat nu als de bezitter eigenaar was van een bestanddeel van een zaak en deze in haar geheel werd opgeëist door de eigenaar van de hoofdzaak? Stel dat de bezitter zijn wielen verbond aan een wagen van een ander, kon hij zich verweren tegen de revindicatie van de eigenaar? De bezitter had in dat geval een verweermiddel (exceptio) tegen de actie van de eigenaar. Deze exceptie wegens wangedrag, de exceptio doli, hield in dat de revindicatie van de eigenaar niet zou slagen, als hij niet aan de bezitter de waarde van de toegevoegde bestanddelen wilde vergoeden.
“In al deze gevallen, waarin mijn zaak door haar groter belang de zaak van een ander aan zich trekt en deze tot de mijne maakt, word ik, als ik de zaak opeis, met de exceptie wegens wangedrag gedwongen de waarde van hetgeen is toegevoegd te verrekenen.”1
Niet alleen noodzakelijke toevoegingen, zoals de wielen van een wagen, moesten geldelijk worden vergoed, maar ook verfraaiingen en versierselen, tenzij de toegevoegde zaken zonder schade konden worden verwijderd.
“Laten wij evenwel bezien of niet de exceptie wegens wangedrag ons evenzeer van nut is wanneer het gaat om kosten voor schilderingen, marmeren beelden, en andere luxeartikelen, vooropgesteld dat wij bezitters te goeder trouw zijn. Tegen degene die zich iets wederrechtelijk heeft toegeëigend kan men immers met recht inbrengen dat hij geen overbodige kosten had moeten maken ten aanzien van andermans zaak, zij het dat hem wel de mogelijkheid wordt geboden om alles te verwijderen wat zonder schade voor de zaak zelf verwijderd kan worden.”2
Eigenrichting was niet toegestaan. Voor het verwijderen van de bestanddelen moest toestemming worden verleend.3 Het recht van een niet-eigenaar om toegevoegde zaken te verwijderen wordt tegenwoordig het ius tollendi genoemd. De Romeinen gebruikten deze term zelf niet.4 Het ius tollendi werd niet door de rechter als een apart arbitrium uitgesproken, maar het zat verdisconteerd in de clausula arbitraria. Deze arbitraire clausule omvatte niet alleen de teruggave van de zaak, maar stelde de gedaagde in de gelegenheid om de toegevoegde zaken te zijner behoeve los te maken. De eigenaar van de hoofdzaak moest deze afscheiding dulden. De bezitter van de zaak mocht de toegevoegde zaken alleen verwijderen, als hij ze in eigendom verkreeg of bij de verwijdering een belang had. Zo beschreef Ulpianus een geval waarin een man aan een zaak, die hij als bruidsschat had gekregen, verfraaiingen had toegevoegd. Omdat het huwelijk niet doorging, kreeg de vrouw de zaak terug.
“Voor kosten die voor verfraaiing gemaakt zijn, moet de echtgenote, als zij niet bereid is toe te staan dat haar man de desbetreffende zaken weghaalt, dulden dat deze in rechte worden teruggevorderd. Als de vrouw deze zaken namelijk wil behouden, moet zij de kosten die ervoor gemaakt zijn aan haar man vergoeden; en als zij dat niet wil, moet zij toestaan dat hij ze weghaalt, als zij tenminste nog losgemaakt kunnen worden; kunnen zij dat echter niet, dan dienen zij op hun plaats te blijven. Het dient de echtgenoot namelijk alleen te worden toegestaan een door hem aangebrachte versiering weg te halen, indien hetgeen hij weggehaald heeft ook zijn eigendom zal worden.”5
Tot slot mocht de bezitter alleen een bestanddeel van de hoofdzaak afscheiden, als de hoofdzaak door de afscheiding niet beschadigd werd. Dit betekende dat de hoofdzaak na de afscheiding niet in een mindere toestand mocht komen te verkeren, dan zij was vóór de verbinding. Het dulden van de verwijdering door de eigenaar van de hoofdzaak, het hebben van een belang bij de verwijdering en de eis dat de hoofdzaak (en het afgescheiden deel) door de afscheiding niet beschadigd werden, waren kenmerken die vandaag de dag terug te zien zijn in de iura tollendi van het moderne Duitse en Nederlandse recht.