Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.2.3
6.2.3 Verhaalsrecht zonder vordering en verhaalsaansprakelijkheid zonder schuld
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588745:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Althans, niet uit dezelfde grond waarop hij de schuldenaar zelf kan aanspreken. Zie HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2115, NJ 1997/494 m.nt. W.M. Kleijn (Moksel/KVV). Zie echter hieronder par. 6.2.5 over ongerechtvaardigde verrijking.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/33-34 voor de historische achtergrond van het verhaalsrecht op het vermogen van de schuldenaar.
Zie hierover verder par. 6.3 en 6.4 en in het bijzonder 6.3.2.2.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/736, Asser/Sieburgh 6-I 2016/35-40, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/480, Snijders & Rank-Berenschot 2017/706.
Deze term ontleen ik aan Biemans 2009a. Met de term wordt bedoeld dat het retentierecht betrekking heeft op de zaak van een derde, die niet de schuldenaar van de retentor is.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/6. Het woord verbintenis wordt in de wet en in de rechtsleer overigens ook wel gebruikt om de passieve zijde van de verbintenis (de schuld) aan te duiden. Dit doet de wet onder meer in art. 6:52, 6:262 en 6:263 BW over opschorting en ook in art. 6:74 BW over niet-nakoming. Op goede gronden stellen Krans 2014/5-6 en Asser/Sieburgh 6-I 2016/12 de betekenis van het begrip verbintenis als vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen personen echter voorop. Vanwege het ‘onjuiste’ gebruik van de term verbintenis in art. 6:52 BW, ontkom ik er echter niet aan om de term verbintenis elders in mijn proefschrift ook in de zin van schuld te gebruiken.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/33.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/32. Zie ook al Asser/Rutten I 1981, p. 20-21. Zie voor een andere driedeling van schuldvorderingen Storme 2000, p. 329-342. Storme onderscheidt de goederenrechtelijke gerechtigheid tot de vordering, het recht op de specifieke prestatie en het verhaalsrecht dat de vordering biedt wanneer de prestatie niet wordt volbracht.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/14.
In deze zin ook Verstijlen 1998, p. 15.
Voor andere vorderingen dan die in geld, kan reële executie een mogelijkheid zijn. Zie Jongbloed 1987, p. 4-5 en Huydecoper 2011/1. Reehuis 2015, p. 175 noemt daarentegen beslagexecutie tot verhaal voor een vordering in geld wel ‘reële executie’.
Dit is niet altijd zo geweest. In vroeger tijden moest de schuldenaar wel nakomen, maar was daaraan niet automatisch een verhaalsrecht verbonden. Het verhaalsrecht moest worden ‘gevestigd’, door hetzij een persoon, hetzij een zaak voor het verhaal in te zetten, zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/34. Zij beschrijft dat wij ons denken over dit leerstuk ontlenen aan de Duitse rechtswetenschap. Zie ook Studer 2000, p. 3-4. Verstijlen 1998, p. 14 schrijft dat dit instaan een ‘diep verankerd beginsel van ons vermogensrecht’ is.
Hofmann/Van Opstall 1976, p. 53, Asser/Rutten I 1981, p. 20, Asser/Sieburgh 6-I 2016/33. De term ‘aansprakelijkheid’ kan hiervoor niet worden gebruikt, omdat die ook wordt gebruikt om ‘schuld’ uit te drukken, aldus Asser/ Sieburgh 6-I 2016/33.
Zie onder meer Boehmer 1970, p. 362-363, Asser/Sieburgh 6-I 2016/33, Wessels 1988, p. 75, Hofmann/Van Opstall 1976, p. 52. Ook in het huwelijksvermogensrecht is deze terminologie bijvoorbeeld gebruikelijk. Art. 1:94 lid 5 BW bepaalt dat de huwelijksgemeenschap alle schulden omvat. Dit ‘omvatten’ moet zo worden begrepen dat de echtgenoot die partij is bij de verbintenis de schuldenaar is, maar dat de gemeenschapsgoederen voor die schuld kunnen worden uitgewonnen. Met andere woorden: de gemeenschap ‘haftet’. Dat betekent dus niet dat de andere echtgenoot ook aansprakelijk is voor de schuld. Zie daarover De Bruijn/Huijgen en Reinhartz 2012, p. 153- 154.
Zie bijv. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/736 die erop wijst dat de figuur van de ‘Reallast’ – waarbij niet een persoon schuldenaar is, maar een zaak, achterhaald is door het systeem van het BW. Zie ook Biemans 2009a, p. 79 en Asser/Sieburgh 6-I 2016/38.
Zie bijv. Boehmer 1970, p. 365: “Die Schuld ist somit Gebundenheit der Schuldnerperson zu normgemä û em Verhalten; die Haftung ist regelmä û ig Unterworfenheit des Schuldnervermögens unter das Zwangsbefriedigungsrecht des Gläubigers.”
Zoals Hofmann/Van Opstall in 1976, p. 53, al concludeerde met betrekking tot het woord ‘verhaalsaansprakelijkheid’, realiseer ik me dat ook deze term ‘lang en lelijk’ is.
Zie hierover nader Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/288-289. Zie voor andere voorbeelden van natuurlijke verbintenissen Sikkema, GS Verbintenissenrecht, art. 6:3 BW, aant. 5 (online, bijgewerkt t/m 10 oktober 2017).
Asser/Sieburgh 6-I 2016/40 nuanceert aan de hand van voorbeelden dat er ook gevallen zijn waarin de rechtsvordering niet bestaat, maar het verhaalsrecht wel.
Hofmann/Van Opstall 1976, p. 53, Asser/Sieburgh 6-I 2016/37.
In deze zin ook Willems 2011/507.
Zie par. 6.2.6 over subsidiariteit en par. 6.4.3 over verificatie.
Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/271 en 305, Nuytinck 2018/ 115.
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, 177.
Ik laat de inhoudelijke afwegingen voor de beperking van het verhaalsrecht in art. 1:96 lid 3 BW buiten beschouwing. Zie over de wijzigingen onder meer Van Mourik 2003, p. 642-643, Vegter 2003, p. 645-649 en, in reactie op het (kritische) artikel van Vegter, Verstappen 2004, p. 176-178 en in naschrift Vegter 2004, p. 184-185 en verder Hoens & Schols 2017, p. 75-76 en Nuytinck 2018/116.
Zie over het nieuwe art. 1:96 lid 3 BW Van Mourik & Schols 2017/2.10.1.
241. De retentor die zijn vordering kan verhalen op de zaak van een derde, heeft in beginsel geen vordering op deze derde en de derde heeft in beginsel geen schuld aan de retentor. Tussen hen bestaat geen verbintenis. De retentor kan de derde niet aanspreken tot nakoming.1 De derde is niet hoofdelijk verbonden. Als voldaan is aan de vereisten van art. 3:291 lid 1 of lid 2 BW, kan de retentor zich wel verhalen op de zaak van de derde. De retentor heeft een verhaalsrecht jegens de derde. Krachtens zijn verhaalsrecht kan hij beslag leggen op de zaak en haar executeren. Hij kan vervolgens zijn vordering verhalen op de executieopbrengst. De derde is geen schuldenaar en dus niet (schuld)aansprakelijk, maar hij is wel ‘verhaalsaansprakelijk’.
242. De regel dat een schuldeiser verhaal heeft op het vermogen van zijn schuldenaar volgt uit art. 3:276 BW en wordt niet ervaren als iets bijzonders.2 Het feit dat een derde zich vrijwillig verbindt om aansprakelijk te zijn voor de schuld van een ander, zoals een borg, evenmin. Maar de derde-eigenaar van de geretineerde zaak is niet schuldenaar en heeft niet ingestemd met de mogelijkheid tot verhaal op zijn goed. Hoe kan de uitzondering op art. 3:276 BW worden verklaard en ingepast in het systeem, dat uitgaat van verbintenissen waar (alleen) een schuldeiser en een schuldenaar bij betrokken zijn? Ik sta in deze paragraaf stil bij de begrippen verhaalsrecht en verhaalsaansprakelijkheid. Dat doe ik in de eerste plaats omdat de begrippen naar mijn mening inzichten bieden voor de bestaande procesrechtelijke onduidelijkheid, die wordt veroorzaakt door het feit dat de derde niet de schuldenaar is.3 De procedurele voorschriften uit Rechtsvordering zien doorgaans op de uitwinning in de verhouding schuldeiser- schuldenaar (en in verreweg de meeste gevallen zal dat normale geval aan de orde zijn). Een andere reden om hier aandacht te besteden aan het verhaalsrecht zonder vordering, is dat dit type verhaalsrecht (en -aansprakelijkheid) in de handboeken doorgaans zijdelings aan bod komt,4 terwijl de relevantie van het onderscheid tussen vordering en verhaalsrecht groter is dan alleen het derdenretentierecht.5
243. Op hoofdlijnen – en vooralsnog met weglating van complicaties door de betrokkenheid van een derde – komt het verhaalsrecht voor een vordering en de daarmee corresponderende verhaalsaansprakelijkheid voor een schuld op het volgende neer. Verhaal op goederen vloeit voort uit het bestaan van een schuld. Een schuld is hetgeen waartoe de verbintenis een partij verplicht. Het beginpunt van de verklaring voor verhaalsaansprakelijkheid is dan ook de verbintenis en haar elementen. Sieburgh geeft de volgende omschrijving van de verbintenis: “een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is.”6 De verbintenis kan worden beschouwd vanuit de passieve en vanuit de actieve zijde. Aan de actieve zijde staat de schuldeiser, die gerechtigd is tot een prestatie. De actieve zijde van de verbintenis duidt men ook wel aan als de vordering.7 De passieve zijde omvat datgene waartoe de schuldenaar verplicht is en duidt men ook wel aan als schuld.
Aan de actieve zijde onderscheidt men traditioneel drie elementen van de vordering (in ruime zin): het materiële recht (meestal simpelweg aangeduid als ‘vordering’), de bevoegdheid om dat recht geldend te maken (het ius agendi) en het processuele middel (de rechtsvordering).8 Deze driedeling maakt duidelijk dat de schuldeiser niet alleen een bepaalde materiële aanspraak heeft, maar ook de middelen om de prestatie van de wederpartij af te dwingen. Zo nodig kan hij daarvoor de hulp van de overheid inroepen, want de verbintenis is een door het recht erkende betrekking.9 Binnen deze driedeling kan het verhaalsrecht worden ondergebracht bij de bevoegdheid om de prestatie af te dwingen, het ius agendi.10 Uitwinning van het vermogen van de schuldenaar is een manier voor de schuldeiser om zijn recht geldend te maken met hulp van de overheid. Alleen geldvorderingen kunnen worden verhaald via het systeem van art. 3:276 BW. Voldoening van een geldvordering kan worden verwezenlijkt door beslagexecutie.11
Aan de passieve zijde is het hele vermogen van de schuldenaar verbonden voor een schuld.12 Schuld heeft betrekking op de specifieke prestatie waartoe de schuldenaar zich verbonden heeft; het duidt de passieve zijde van de verbintenis aan. Het feit dat het vermogen van een (rechts) persoon bloot staat aan verhaal van een vordering wordt wel aangeduid met de term verhaalsaansprakelijkheid.13 In de (Nederlandse) literatuur wordt in plaats van verhaalsaansprakelijkheid ook wel de Duitse term Haftung gebruikt.14 De term ‘verhaalsaansprakelijk’ wordt meestal gebruikt om de persoon van de schuldenaar aan te duiden,15 soms om zijn vermogen aan te duiden.16
Hoewel ik geen moeite heb met de hierboven beschreven algemeen aanvaarde omschrijving van de termen verhaalsrecht en verhaalsaansprakelijkheid, maakt het het vinden van een aparte term voor de verhaalsaansprakelijkheid van de derde-eigenaar, niet-zijnde de schuldenaar wel lastig. Typisch voor de problematiek in dit hoofdstuk is juist dat het verhaalsrecht van de retentor gericht is op een derde die niet zijn schuldenaar is. Hieronder gebruik ik voor dit geval de term ‘blote verhaalsaansprakelijkheid’. Ik besef dat het woord verhaalsaansprakelijkheid al een manco heeft omdat het begrip ‘aansprakelijk’ of ‘aansprakelijkheid’ al diverse juridische ladingen heeft, maar ik denk dat het niet helpt om hiervoor een helemaal nieuw woord te verzinnen.17 Wel is het voor het onderscheid dat ik in deze paragraaf maak mijns inziens nuttig om dit begrip te introduceren, dat aangeeft dat de derde-eigenaar niet ook schuldenaar is. De verhaalsaansprakelijkheid van (het vermogen van) de schuldenaar op basis van art. 3:276 BW is vanzelfsprekend in principe ook aanwezig, maar ik focus in dit hoofdstuk juist op de verhaalsaansprakelijkheid zonder schuldenaarschap en het verhaalsrecht zonder vordering (op de derde, althans).
244. Nu is nog de vraag hoe vanuit de verbintenis met haar tweezijdige karakter (vordering tegenover schuld) de blote verhaalsaansprakelijkheid van de derde kan worden verklaard. Een verbintenis behelst voor partijen rechten en plichten. Het verhaal van een vordering op iemands vermogen is een gevolg van de rechten en plichten die het voorwerp van de verbintenis zijn. Maar de derde-eigenaar is nu juist geen schuldenaar van de verbintenis, terwijl hij wel (bloot-)verhaalsaansprakelijk is.
Zoals vordering en schuld tegenover elkaar staan bij de verbintenis, verhouden zich ook verhaalsrecht en verhaalsaansprakelijkheid: de schuldeiser is bevoegd om zijn vordering te verhalen; dat kan hij ingevolge art. 3:276 BW doen op het vermogen van de schuldenaar. Toch gaan vordering en verhaalsrecht enerzijds en schuld en verhaalsaansprakelijkheid anderzijds niet altijd samen. Aan de schuldeiserskant zijn niet altijd alle elementen van de hierboven besproken klassieke driedeling aanwezig. Het klassieke voorbeeld is de natuurlijke verbintenis. Dat is een verbintenis die niet in rechte afdwingbaar is, aldus art. 6:3 lid 1 BW. De schuldeiser behoudt zijn vordering, maar de prestatie kan niet (meer) worden afgedwongen. Uit art. 3:306 BW volgt dat niet het vorderingsrecht zelf, maar (alleen) de rechtsvordering verjaart.18 En art. 7A:1825 BW bepaalt dat de wet geen ‘regtsvordering’ toestaat van een schuld uit een overeenkomst van spel of weddenschap.19 De vordering die een actie ontbeert, ontbreekt het – in de regel –20ook aan een verhaalsrecht. Aan de schuldenaarskant geldt dat bij een natuurlijke verbintenis er wel een schuld is, maar de schuldenaar niet (meer) verhaalsaansprakelijk is.21
Het voorbeeld van de natuurlijke verbintenis laat zien dat vordering en verhaalsrecht (en rechtsvordering) enerzijds en schuld en verhaalsaansprakelijkheid anderzijds niet noodzakelijkerwijs gekoppeld zijn. ‘Blote verhaalsaansprakelijkheid’ is een andere manier van ontkoppeling van vordering en verhaalsrecht (aan de kant van de schuldeiser) en van schuld en verhaalsaansprakelijkheid (aan de kant van de schuldenaar). Anders dan bij een natuurlijke verbintenis, valt de verhaalsaansprakelijkheid bij het retentierecht op de zaak van een derde niet weg, maar er komt een verhaalsrecht jegens een derde bij. Voor blote verhaalsaansprakelijkheid van de derde is wel vereist dat er een schuld is, maar niet dat de derde daarvan zelf de schuldenaar is. Dit verplaatsen van het verhaalsrecht en de verhaalsaansprakelijkheid naar de derde is mogelijk, omdat er een los verband bestaat tussen de vordering en het verhaalsrecht, respectievelijk de schuld en de verhaalsaansprakelijkheid. Vordering en schuld zijn aan elkaar gekoppeld; het zijn de twee zijden van een verbintenis. Verhaalsrecht en verhaalsaansprakelijkheid zijn daarentegen niet noodzakelijkerwijs aan vordering respectievelijk schuld verbonden.22 Het feit dat een schuldeiser een verhaalsrecht heeft, brengt niet per definitie mee, dat hij dit alleen jegens zijn schuldenaar heeft. Het verhaalsrecht van de schuldeiser impliceert alleen de bevoegdheid om in rechte zijn vordering te mogen verhalen, zo nodig met behulp van de overheid (het ius agendi). Daarmee is niet gezegd dat dit verhaal per definitie op het vermogen van de schuldenaar moet plaatsvinden.
245. Om verder te onderbouwen dat het wettelijk systeem voorziet in deze verplaatsing van het verhaalsrecht naar een derde haal ik het huwelijksvermogensrecht aan. Dat geeft eveneens een variant van een wettelijk verhaalsrecht op goederen van derden. Ik gebruik het omdat het uitgaat van dezelfde techniek als het derdenverhaalsrecht van de retentor: bij beide lopen schuld en verhaalsaansprakelijkheid op wettelijke grondslag uiteen. Het verhaalsrecht uit het huwelijksvermogensrecht komt later in dit hoofdstuk nog terug als inspiratie voor het derdenverhaalsrecht van de retentor.23 Wel moet worden opgemerkt dat de inhoudelijke onderbouwing van de beide derdenverhaalsrechten verschilt.
Voor schulden die in de gemeenschap vallen, kunnen op grond van art. 1:96 lid 1 BW zowel goederen van de gemeenschap, als van een echtgenoot worden uitgewonnen. Als een schuld van de gemeenschap wordt verhaald op het privévermogen van een echtgenoot, lopen de schuld (die ligt bij de gemeenschap) en de verhaalsaansprakelijkheid (ligt bij de echtgenoot) uiteen. Ditzelfde geldt, wanneer een privéschuldeiser verhaal zoekt op de goederen van de gemeenschap. Een schuld valt niet in de gemeenschap op grond van een van de drie categorieën van art. 1:94 lid 7 BW, of doordat de bijzondere verknochtheid zich daartegen verzet (art. 1:94 lid 5 BW).24 Op dit punt is er sinds 1 januari 2018 een en ander veranderd.
Per 1 januari 2018 is de Wet Beperking wettelijke gemeenschap van goederen in werking getreden.25 De belangrijkste wijziging die de wet brengt, is dat – bij gebreke van huwelijkse voorwaarden – alleen de goederen die tijdens het huwelijk verworven worden, standaard in de gemeenschap vallen. Het voorhuwelijkse vermogen (en schulden), giften en erfenissen blijven op grond van de wet erbuiten. Er heeft een wijziging plaatsgevonden van het verhaalsrecht van privéschuldeisers op het huwelijksvermogen. Krachtens het nieuwe art. 1:96 lid 3 BW is verhaal door de privéschuldeiser op huwelijksgoederen beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed.26 De andere helft van de executieopbrengst valt na uitwinning in het vermogen van de andere echtgenoot. Verder is in lid 3 van art. 1:96 BW bepaald dat de andere echtgenoot bevoegd is het goed waarop de privéschuldeiser verhaal zoekt over te nemen voor de helft van de waarde van dat goed. De andere echtgenoot heeft dus een soort lossingsrecht.27 Al met al wordt door de wijziging van art. 1:96 lid 3 BW de mogelijkheid tot verhaal door privéschuldeisers op gemeenschapsgoederen beperkt. Maar het systeem van het uiteenlopen van schuld en verhaalsaansprakelijkheid in het huwelijksvermogensrecht blijft intact. De huwelijksvermogensrechtelijke verhaalsaansprakelijkheid is algemeen van aard; ze heeft (in beginsel) betrekking op het gehele vermogen. Dat is anders bij het retentierecht, waarbij de blote verhaalsaansprakelijkheid alleen betrekking heeft op de teruggehouden zaak als onderdeel van het vermogen van de derde.