Hof Arnhem-Leeuwarden, 13-04-2022, nr. 21-005067-20
ECLI:NL:GHARL:2022:2952
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
13-04-2022
- Zaaknummer
21-005067-20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2022:2952, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑04‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1496
Uitspraak 13‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Overtreding van art. 8, tweede lid, onder a, en art. 9, tweede lid, WVW 1994. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Tevens ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005067-20
Uitspraak d.d.: 13 april 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 december 2020 met parketnummer 96-000259-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.P.A. Kint, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 16 december 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks [datum 1] te [plaats] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 440 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.hij op of omstreeks [datum 1] te [plaats] , gemeente [gemeente] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [naam weg] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is namens verdachte naar voren gebracht dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit, nu verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, omdat hij - kortgezegd - daar geen documenten van heeft ontvangen waarin die ongeldigverklaring per zekere datum met zoveel woorden is vermeld.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe als volgt.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij besluit van [datum 2] het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) het rijbewijs van verdachte met ingang van [datum 3] ongeldig heeft verklaard. Deze beslissing is aangetekend verzonden naar het adres [adres] , zijnde het bij het CBR bekende adres van verdachte. Hiermee staat, blijkens de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad, evenwel niet vast dat verdachte toen ook op de hoogte was geraakt van de ongeldigheid van zijn rijbewijs.
In het strafdossier bevindt zich tevens een proces-verbaal waaruit blijkt dat verdachte op [datum 4] is aangehouden op verdenking van artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit dit proces-verbaal blijkt dat door de politie op voornoemde datum aan verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook heeft verdachte bij die gelegenheid verklaard te begrijpen dat hij met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden en blijkt voorts uit het proces-verbaal dat verdachte kennis heeft genomen van de aangekruiste zinnen op het proces-verbaal en dat hij deze verklaring vervolgens heeft ondertekend.
Het hof stelt, gelet op voorgaande, vast dat verdachte op [datum 4] door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De omstandigheid dat verdachte stelt dat hij tijdens een aanhouding in [datum 5] van een verbalisant te horen heeft gekregen dat zijn rijbewijs niet ongeldig was verklaard, maakt dit - wat daar ook van zij - naar het oordeel van het hof niet anders. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat het rijbewijs in een later stadium, en voor de tenlastegelegde pleegdatum, aan verdachte is verzonden dan wel teruggegeven, is het hof derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op [datum 1] wist dat zijn rijbewijs ongeldig was en dat hij desondanks op die datum toch als bestuurder in een auto heeft gereden.
Nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend onder invloed van alcohol te hebben gereden en door de verdediging geen verweer is gevoerd, acht het hof het onder 1 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op [datum 1] te [plaats] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 440 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.hij op [datum 1] te [plaats] , gemeente [gemeente] terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de [naam weg] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (440 microgram).
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft op [datum 1] een auto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft verdachte de regels die gelden in het verkeer en die de verkeersveiligheid dienen, niet nageleefd. Bovendien heeft hij, door met een auto te gaan rijden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen en de rijvaardigheid van personen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van [datum 6] , waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. De eerder door de rechter opgelegde geldboete en voorwaardelijke gevangenisstraf hebben verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden weer soortgelijke misdrijven te plegen en daarmee zichzelf en zijn medeweggebruikers aan onnodig gevaar bloot te stellen.
Gelet op de ernst van de feiten en de recidive van verdachte, acht het hof voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden. Daarnaast legt het hof met het oog op de verkeersveiligheid, verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde feit een ontzegging van de rijbevoegdheid op.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 13 april 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.