Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.5
7.5 Algemeen verbindend verklaren van cao’s: stoppen of doorgaan?
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS393476:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Advies inzake algemeen-verbindendverklaring (avv), de toepassing daarvan en de verruiming van de mogelijkheden tot avv (advies van 16 oktober 1992, SER 92/14), Den Haag: SER 1992.
Idem, p. 38.
Idem, p. 38 en 39.
Idem, p. 39 en 40.
Idem, p. 40 en 41.
Idem, p. 42 en 43.
Zeker Nederland, VVD Verkiezingsprogramma 2017-2021.
H. Strating & W. Brinkman, ‘AVV staat maatwerk in CAO’s in de weg’, Zeggenschap 2017/3, p. 46-49.
G. Zalm, ‘Mythen, paradoxen en taboes in de economische politiek, ESB 6 juni 1990; G. Zalm, ‘Betekenis en toekomst van de algemeen-verbindendverklaring’, ESB 15 januari 1992 en C. Oudshoorn, ‘Marktwerking in het sociaal-economisch bestel’, ESB 6 oktober 1993.
G. Zalm, ‘Mythen, paradoxen en taboes in de economische politiek, ESB 6 juni 1990.
Idem, p. 517.
W. van Voorden, ‘Algemeen-verbindendverklaring onterecht mikpunt’, ESB 9 januari 1991, p. 53.
G. Zalm, ‘Mythen, paradoxen en taboes in de economische politiek, ESB 6 juni 1990; G. Zalm, ‘Betekenis en toekomst van de algemeen-verbindendverklaring’, ESB 15 januari 1992 p. 62. Zie ook: W.J.P.M. Fase, Vijfendertig jaar loonbeleid in Nederland, Alpen aan den Rijn: Samsom 1980, p. 127.
Zie ook: J. Witteman, ‘Een whodunit over uw te lage salaris, Volkskrant 4 november 2017.
Regeerakkoord 2017-2021, Vertrouwen in de toekomst, 10 oktober 2017.
M. Blom & R. Leering, ‘Misverstand dat lonen achterblijven bij conjunctuur’, Zeggenschap 2017/3, p. 4 t/m 6.
M.F.P. Rojer, ‘Algemeen verbindend verklaren cao’s. Stoppen of doorgaan?’, Zeggenschap/Tijdschrift voor Arbeidsverhoudingen 2002/1.
F.H. Tros, Decentralisering van arbeidsverhoudingen. Een onderzoek naar de arbeidsvoorwaardenvorming in de Nederlandse private sector in de periode 1982-2000 (diss. Utrecht), Alphen aan den Rijn: Samsom 2000 en N. Jansen & I. Zaal, ‘De ondernemingsraad en arbeidsvoorwaardenvorming: decentraliseren kun je leren’, TAO 2017, afl. 2.
M.F.P. Rojer, ‘Algemeen verbindend verklaren cao’s. Stoppen of doorgaan?’, Zeggenschap/Tijdschrift voor Arbeidsverhoudingen 2002/1.
P.T. De Beer & G. de Bruin, Individu en collectief in Arbeidsverhoudingen. Individu kan niet zonder collectief (Discussienota), AWVN oktober 2017.
G. Zalm, ‘Betekenis en toekomst van de algemeen-verbindendverklaring’, ESB 15 januari 1992, p. 61.
Zie ook: Kamerstukken II 1993/94, 23532, 2, p. 7.
Zie ook: Kamerstukken II 1993/94, 23532, 2, p. 6.
Achtergronden rapportage effecten van algemeen verbindendverklaring (Regioplan beleidsonderzoek), Amsterdam: september 2015.
In paragraaf 1.2 heb ik de voordelen van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming besproken en aangestipt dat vanwege verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zoals toegenomen sociale wetgeving, internationalisering en een mede als gevolg van individualisering toegenomen behoefte aan maatwerkregelingen en decentralisatie ook kritiek op het nut van de cao-stelsel bestaat. Die kritiek betreft zonder meer het cao-instrument, maar betreft met name de mogelijkheid tot verbindendverklaring. In deze paragraaf bespreek ik kritiek op de verbindendverklaring en kom ik tot de conclusie dat deze kritiek niet of niet volledig terecht is, althans dat de voordelen van de verbindendverklaring opwegen tegen de bezwaren die daartegen bestaan. In het kader van dit onderzoek is deze conclusie (en daarmee deze paragraaf) van belang, omdat ik in dit onderzoek ook bespreek welke aanpassingen van het cao-systeem moeten worden doorgevoerd met het oog op de (afnemende) representativiteit van vakbonden. In dat kader pleit ik dus niet voor het stoppen van de verbindendverklaring, maar voor aanpassing van het bestaande juridische kader. Zoals hiervoor opgemerkt, bespreek ik deze aanpassingen in hoofdstuk 9.
Kritiek op de verbindendverklaring is al zo oud als de wet zelf. Ik breng in herinnering dat al tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Avv het bezwaar naar voren werd gebracht dat de verbindendverklaring de economie zou verstarren. Als lonen niet naar beneden kunnen worden bijgesteld, kan dat leiden tot het einde van sommige ondernemingen en een toename van de werkloosheid. Naast dit economische bezwaar werd een principieel juridisch bezwaar aangevoerd. De verbindendverklaring maakt inbreuk op de (individuele en collectieve) contractsvrijheid en die inbreuk werd door enkele Kamerleden niet gerechtvaardigd geacht. Aan het einde van de jaren ’80 van de vorige eeuw vroeg de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid advies aan de SER over de wenselijkheid van het avv-instrument in het licht van de toenmalige sociaaleconomische ontwikkelingen en stand van zaken. Kort gezegd werd aan de SER de vraag voorgelegd of de voordelen van het instrument nog opwogen tegen de nadelen. Dat de cao in dit kader niet ter discussie werd gesteld, heeft te maken met het gegeven dat wanneer werkgevers vrijwillig kiezen aan een cao gebonden te willen zijn, zij kennelijk vinden dat de voordelen van de cao zwaarder wegen dan de nadelen. De SER adviseerde in 1992 unaniem dat de verbindendverklaring als instrument diende te blijven bestaan en dat er geen reden was het instrument als zodanig ter discussie te stellen.1 De SER kwam tot deze conclusie op basis van de volgende beschouwing.
De SER merkt op dat vanuit economisch perspectief verschillend kan worden gedacht over de verbindendverklaring. Enerzijds kan erop worden gewezen dat een concurrentiebeperking op loonkosten bevordert dat in ondernemingen een sociaal klimaat tot stand komt dat is gericht op samenwerking en dat goede arbeidsverhoudingen de productiviteit van organisaties ten goede kunnen komen en een bijdrage leveren aan de hechtheid van die organisaties. Daarnaast leidt concurrentiebeperking ertoe dat de concurrentie tussen bedrijven zich toespitst op de kwaliteit en productiviteit van het bedrijfsleven in plaats van op de loonkosten. De verbindendverklaring draagt in een sector bovendien bij aan de rust en orde en heeft daardoor een gunstige uitwerking op de economie, aldus de SER.2 Daartegenover kan worden gesteld dat de arbeidskosten door de verbindendverklaring kunstmatig hoog worden gehouden en dat dit hoge niveau slechts aanvaardbaar is als daar ook een hoge arbeidsproductiviteit tegenover staat, zonder werkgelegenheidsverlies. In het verlengde hiervan kan de verbindendverklaring nadelig uitwerken voor kleine ondernemers en nieuwkomers op de markt die nog niet de in de sector gangbare productienorm halen, waarmee de verbindendverklaring ook een belemmerende factor kan zijn voor innovatie in sectoren. Met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan een te hoge bodem in het loongebouw leiden tot toenemende werkloosheid. De verbindendverklaring van cao-bepalingen kan voorts leiden tot toenemende loonkosten voor de werkgever, door een verbreding van arbeidsvoorwaardelijke aanspraken van werknemers of omdat hij bijvoorbeeld verplicht wordt bij te dragen aan een sectorfonds. Bij de verbindendverklaring van sectorfondsen heeft een ongebonden werkgever geen keuze of hij wel of niet mee wil doen. Een beperking op loonconcurrentie kan er voorts toe leiden dat een verhoging van de lonen ten koste gaat van de consument. Dit risico is met name aanwezig in sectoren waarin de loonkostenverhogingen makkelijk kunnen doorwerken in verhoging van de prijzen.3 Vanuit economische perspectief heeft de verbindendverklaring dus zowel voor- als nadelen.
Alleen een economische beschouwing van de verbindendverklaring doet geen recht aan het avv-instrument, omdat de verbindendverklaring niet zozeer op economisch gebied, maar vooral op sociaal terrein van grote betekenis is. De belangrijkste doelstelling van de wet lag ook op dit terrein, namelijk de bescherming van de cao ten behoeve van een verbetering van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. De SER heeft in zijn advies over de verbindendverklaring de ontwikkelingen op sociaal gebied betrokken. De SER wees erop dat sinds 1937 een grote hoeveelheid aan wetgeving was gerealiseerd op bijvoorbeeld het gebied van arbeidsomstandigheden, ontslag en medezeggenschap, maar ook op het terrein van inkomensbescherming (minimumloon en sociale zekerheid), waardoor gezegd zou kunnen worden dat het avv-instrument (en voor een deel ook de cao) zijn betekenis heeft verloren voor het scheppen van redelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Vanwege de enorme omvang van wet- en regelgeving wordt ook wel gesteld dat van de zelfregulering door sociale partners, een andere doelstelling van de Wet Avv, eigenlijk maar weinig terecht is gekomen. Een andere visie is volgens de SER evenwel ook mogelijk. Door de toename van sociale wetgeving is de betekenis van de cao en de avv wel iets gewijzigd, maar de toename van sociale wetgeving heeft ertoe geleid dat de cao (en de avv) veeleer een aanvulling daarop is geworden en dat het cao-overleg zich daardoor heeft kunnen verbreden. Daarbij komt dat de cao en avv de sociale wetgeving constant hebben beïnvloed. De wetgeving heeft zich steeds aangepast aan de ontwikkelingen zoals die zich in het cao-overleg voordeden. Veel belangrijke onderwerpen zijn eerst in cao’s geregeld en daarna pas in wetgeving neergelegd. De ontwikkeling van wetgeving heeft op haar beurt gevolgen gehad voor de inhoud van cao’s (recent: de cao-ontslagcommissie en de gelijkwaardige voorziening). De wederzijdse beïnvloeding van cao en wetgeving is mede te danken aan de avv en mede hierdoor heeft de avv, ondanks de totstandkoming van allerhande sociale wetgeving, zelfstandige waarde behouden. Met betrekking tot de zelfregulering van sociale partners kan erop worden gewezen dat cao-partijen er ondanks toegenomen wetgeving op sociaal terrein in zijn geslaagd ten aanzien van belangrijke onderwerpen zelfregulerend op te treden (denk aan scholing, opleiding en pensioen). Aannemelijk is dat zonder avv de wetgeving nog meer zou hebben moeten regelen. Samengevat was de SER van mening dat de verbindendverklaring op sociaal terrein nog steeds van veel waarde was.4
De SER heeft er daarnaast op gewezen dat een belangrijke doelstelling van de Wet Avv was het cao-overleg in bedrijfstakken te bevorderen. Collectief overleg werd van belang geacht om steeds een evenwichtige afweging tussen werkgevers- en werknemersbelangen te kunnen maken en daarnaast zou het collectief overleg ten goede komen aan harmonieuze arbeidsverhoudingen. De SER achtte deze overwegingen ook in 1992 nog van belang voor de arbeidsvoorwaardenvorming en de arbeidsverhoudingen en wees erop dat de bevordering van het collectief overleg ook internationaal erkend was in de verschillende ILO-verdragen. Tegelijkertijd heeft de SER opgemerkt dat het moeilijk is in te schatten wat de precieze betekenis is van de verbindendverklaring voor het cao-overleg. Het is evenwel niet ondenkbaar dat de afschaffing van het avv-instrument zal leiden tot afkalving van de betekenis van het cao-overleg op bedrijfstakniveau en tot verschraling van de inhoud van cao’s tot materiële aangelegenheden. Cao-partijen zouden zich meer kunnen gaan richten op de belangen van leden op korte termijn en zich ook in die zin nader kunnen gaan profileren (zie ook paragraaf 2.3). Dit zou de arbeidsrust niet ten goede komen.5
Enkele leden van de SER merkten evenwel op dat bij de oordeelsvorming over de waarde van de verbindendverklaring steeds een afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende daarbij betrokken aspecten (die hiervoor zijn behandeld) en die afweging valt niet altijd op dezelfde wijze uit en is afhankelijk van de stand van zaken van het systeem van arbeidsvoorwaardenvorming en arbeidsverhoudingen, alsmede de economische ontwikkelingen. Dat er in 1992 geen termen aanwezig waren het avv-instrument als zodanig ter discussie te stellen, sloot volgens deze leden niet uit dat dit op een later moment mogelijk wel zo zou kunnen zijn.6 Thans wordt vooral vanuit de politiek (VVD7 en D66) de verbindendverklaring ter discussie gesteld. Door critici wordt steevast benadrukt dat door de verbindendverklaring het loonpeil kunstmatig hoog wordt gehouden en dat dit slecht is voor de werkgelegenheid en innovatie in de bedrijfstakken. De betekenis van het avv-instrument voor de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden nuanceren zij met een verwijzing naar de toename van allerhande sociale wetgeving gericht op bijvoorbeeld ontslag- en inkomensbescherming. Voorts zou door de verbindendverklaring te weinig ruimte zijn voor maatwerkregelingen en hebben veel cao-afspraken te weinig toegevoegde waarde voor bedrijven in de sector.8
De verbindendverklaring is slecht voor de werkgelegenheid
Volgens een aantal economen is de verbindendverklaring slecht voor de werkgelegenheid.9 Zalm heeft zich meermaals op het standpunt gesteld dat de loonvorming zich in het Nederlandse arbeidsbestel in belangrijke mate aan de wetten van vraag en aanbod onttrekt doordat de lonen voor een groot deel van de arbeidsmarkt in monopolistische verhoudingen tussen werkgevers en werknemers tot stand komen.10 Deze manier van loonvorming wordt van overheidswege versterkt door de verbindendverklaring. Als vakbonden in het cao-overleg de belangen van werknemers, eventueel onder druk van de achterban, zwaarder laten wegen dan de belangen van werklozen, wordt volgens Zalm een hoger loonniveau gerealiseerd dan wanneer de loonvorming zou worden overgelaten aan de markt en op die manier leidt de loonvorming via het cao-overleg tot een onnodig hoog werkloosheidsniveau. Niet de werkloosheid bepaalt daarmee de loonontwikkeling, maar de ontslagkans. De loonontwikkeling wordt gematigd als de ontslagkans stijgt en als de ontslagkans afneemt versnelt dat de loonontwikkeling, aldus Zalm.11 Hiertegenover kan worden gesteld dat de mogelijkheid dat de minister een cao niet verbindend verklaard tot onzekerheid leidt bij sociale partners in het cao-overleg en het resultaat daarvan kan zijn dat minder cao’s worden gesloten en loonkostenstijgingen niet beter, maar juist minder beheersbaar zullen zijn en dat zonder avv wellicht juist een hoger loonpeil wordt bereikt.12 Zalm heeft dit gepareerd door erop te wijzen dat het avv-instrument tot doel heeft te voorkomen dat ongeorganiseerden tegen lagere arbeidsvoorwaarden werk aanvaarden, hetgeen ontegenzeggelijk loonkostenverhogend werkt. Door de loonkosten in de bedrijfstak als concurrentiefactor uit te schakelen door de verbindendverklaring bestaat het gevaar dat werknemers trachten het loonpeil op te schroeven waartegen werkgevers onvoldoende weerstand behoeven te bieden in de wetenschap dat zij de daaruit voortvloeiende verhoging van de productiekosten kunnen doorrekenen.13 Zou overigens worden ontkend dat de verbindendverklaring tot een hoger loonpeil leidt, dan zou dit volgens Zalm impliceren dat werknemers zonder vakbond en zonder cao betere arbeidsvoorwaarden zouden kunnen realiseren dan met een cao en met een vakbond. Uit onderstaande figuur, met betrekking tot de ontwikkeling van cao-lonen in relatie tot arbeidsproductiviteit, blijkt het ongelijk van Zalm. De cao-lonen blijken de afgelopen 30 jaar nauwelijks te zijn gestegen.14
Figuur 14: Reële contractlonen, verdiende lonen en arbeidsproductiviteit (1970=100)
Bron: CBS StatLine
In het regeerakkoord 2017-2021 is opgemerkt dat er gemiddeld genomen ruimte is bij bedrijven om de lonen te laten stijgen.15 Dat de lonen achterblijven bij de conjunctuur wordt overigens betwist door ING-economen Blom en Leering.16
Overigens miskent Zalm naar mijn mening dat een beperking van de verbindendverklaring ertoe zal leiden dat de cao op bedrijfstakniveau aan betekenis zal verliezen en dat vakbonden hun focus zullen verleggen naar onderhandelingen op ondernemingsniveau. Een verschuiving van het cao-overleg van de bedrijfstak naar de onderneming zal daarmee tot gevolg kunnen hebben dat de lonen juist zullen stijgen (voor zover een cao tot stand komt) en dat loonverschillen tussen en binnen sectoren zullen toenemen. Overleg op bedrijfstakniveau dwingt vakbonden immers rekening te houden met de belangen van de sector, waardoor de beschikbare loonruimte bij sommige ondernemingen in de sector niet volledig zal worden omgezet in een loonstijging. Op ondernemingsniveau speelt dit niet en daardoor kan alle beschikbare ruimte worden omgezet in een stijging van de lonen. De stelling van Zalm dat de verbindendverklaring slecht is voor de werkgelegenheid omdat de loonvorming is onttrokken aan de wetten van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, miskent overigens dat in het cao-overleg aanpassing van de lonen aan marktomstandigheden door sociale partners wel degelijk plaatsvindt.17 Rojer heeft er in dit kader op gewezen dat sociale partners op centraal niveau de maatschappelijke kosten van een onverantwoorde loonontwikkeling internaliseren en zorgen voor interne coördinatie voor doorwerking in cao’s.18 Tot slot wijs ik erop dat de huidige werkloosheidscijfers de stelling van Zalm niet ondersteunen. De recente economische groei is fors en heeft geleid tot lage werkloosheidscijfers terwijl de loonontwikkeling achterblijft. Vakbonden hebben in het cao-overleg blijkbaar voldoende oog voor het belang van voldoende werkgelegenheid.
Verbindendverklaring staat haaks op behoefte aan maatwerk, differentiatie en decentralisatie
Om meer ruimte voor op maat gemaakte arrangementen met meer keuzevrijheid mogelijk te maken, zouden cao’s niet meer verbindend moeten worden verklaard. De verbindendverklaring zou verstarrend werken en decentralisatie, flexibiliteit en differentiatie te veel frustreren. Werkgevers zouden niet in staat zijn zelf een arbeidsvoorwaardenbeleid te voeren dat is afgestemd op bedrijfsspecifieke kenmerken. Daartegenover staat dat de decentraliseringstendens in de arbeidsvoorwaardenvorming ertoe heeft geleid dat cao’s meer kaderscheppend zijn geworden voor nadere uitwerking van allerhande regelingen op decentraal niveau (zie ook hoofdstuk 8).19 Cao’s bevatten ook steeds vaker keuzemenu’s voor werknemers om zelf het arbeidsvoorwaardenpakket in te vullen. Kortom, de cao heeft zich aangepast aan individualiserings- en decentraliseringstendensen en het instrument weerhoudt cao-partijen er niet van ruimte te geven aan wensen voor meer maatwerk, differentiatie en decentralisatie.20 In dit verband heeft Rojer opgemerkt dat de gewenste flexibiliteit in de arbeidsvoorwaardenvorming door cao-partijen met beleid is vormgegeven in de verschillende cao’s, waarbij steeds gezocht wordt naar een combinatie van de voordelen van collectieve regelingen met mogelijkheden tot differentiatie en maatwerk.21 Met het verbindend verklaren van cao’s wordt die ontwikkeling juist ondersteund. Ik merk hierbij op dat in dit kader een heroverweging van het Toetsingskader AVV ten aanzien van de verbindendverklaring van decentralisatiebepalingen mogelijk op zijn plaats is. Ik kom hierop nog terug in hoofdstuk 8. Overigens biedt het avv-beleid ook via dispensatie de mogelijkheid voor bedrijven arbeidsvoorwaarden meer af te stemmen op bedrijfsspecifieke omstandigheden. De Beer heeft er nog terecht op gewezen dat de maatschappelijke individualiseringstendens niet meebrengt dat regelingen of voorzieningen moeten worden geïndividualiseerd. Aan de individualiseringstrend kan ook worden tegemoetgekomen door maatwerk of keuzevrijheid in collectieve regelingen en volgens De Beer kan men door collectivisering soms juist het best tegemoetkomen aan de individualiseringstrend. Juist als de variatie tussen burgers erg groot wordt, kan één uniforme regeling waar alle burgers onder vallen soms de beste oplossing zijn, aldus De Beer.22
Verbindendverklaring is overbodig met het oog op de toename van sociale wetgeving23
Op dit punt volsta ik met een verwijzing naar hetgeen de SER hierover heeft opgemerkt in zijn advies uit 1992. Door de toename van sociale wetgeving is de betekenis van de cao en de avv wel iets gewijzigd, maar de toename van sociale wetgeving heeft ertoe geleid dat de cao (en de avv) veeleer een aanvulling daarop is geworden en dat het cao-overleg zich daardoor heeft kunnen verbreden. De wederzijdse beïnvloeding van cao en wetgeving is mede te danken aan de verbindendverklaring en mede hierdoor heeft het instrument, ondanks de totstandkoming van allerhande sociale wetgeving, zelfstandige waarde behouden. Met betrekking tot de zelfregulering van sociale partners kan erop worden gewezen dat cao-partijen er ondanks toegenomen wetgeving op sociaal terrein in zijn geslaagd ten aanzien van belangrijke onderwerpen zelfregulerend op te treden (denk aan scholing, opleiding en pensioen). Aannemelijk is dat zonder avv de wetgever nog meer zou hebben moeten regelen.
Verbindendverklaring draagt onder meer bij aan arbeidsrust en zelfregulering
De cao stelt werkgevers en werknemers in staat zelf zorg te dragen voor sociale regulering. Dit leidt tot meer regulering op maat voor de bedrijfstak, voorzien van draagvlak, waardoor de wetgever geen algemene wetgeving hoeft uit te vaardigen en daardoor ook wordt ontlast. Uitgangspunt zou – ook met het oog op het recht op collectief onderhandelen – naar mijn mening moeten blijven dat sociale partners in beginsel zelf arbeidsvoorwaarden moeten regelen en dat de overheid niet moet voorschrijven wat sociale partners kunnen doen.24 In bepaalde gevallen zal de overheid voor wetgeving kiezen. Dit zal zo zijn wanneer een onderwerp in het cao-overleg onvoldoende aandacht krijgt of wanneer het voor de overheid onacceptabel is dat een bepaalde voorziening niet voor iedereen geldt.25 Overigens hebben de cao en de verbindendverklaring gezorgd voor rust en orde in de arbeidsverhoudingen die nog steeds van grote waarde zijn voor het bedrijfsleven. Werknemers hoeven niet zelf voor verbeteringen van hun arbeidsvoorwaarden te pleiten en daarover hoeft ook niet steeds strijd te bestaan. Voorts draagt de verbindendverklaring in belangrijke mate bij aan de financiering van allerhande faciliteiten die van belang zijn voor een sector. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van scholings- en opleidingsfondsen. De bijdrage van ongeorganiseerde werkgevers maakt de instandhouding van dergelijke fondsen (mede) mogelijk, althans eenvoudiger. Tot slot verdient opmerking dat wanneer in cao’s uitvoering is gegeven aan overheidsdoelstellingen (bijvoorbeeld: zorg voor werkgelegenheid, scholing, duurzame inzetbaarheid, milieu en diversiteit), de verbindendverklaring op een positieve wijze kan bijdragen aan het realiseren van deze overheidsdoelstellingen. Ik sluit af met de opmerking dat in de discussie rond het avv-instrument veelal bezwaren worden geuit die eerder lijken voort te komen uit zorgen over de uitkomst van het cao-overleg of het karakter van de cao, dan uit de omstandigheid dat dergelijke bepalingen aan derden kunnen worden opgelegd.26 Dit laatste roept de vraag op in hoeverre het avv-instrument al dan niet gebruikt zou moeten worden door de minister om sturend op te treden in het proces van collectief onderhandelen en in hoeverre de verbindendverklaring dus al dan niet ingezet moet worden als beleidsinstrument. Dit onderwerp behandel ik in de volgende paragraaf.
In 2015 is door Regioplan onderzoek gedaan naar de effecten van de verbindendverklaring.27 Regioplan concludeerde dat de voordelen van de verbindendverklaring nog opwegen tegen de nadelen. Regioplan signaleerde wel een aantal (maatschappelijke en sociaaleconomische) ontwikkelingen die een negatief effect kunnen hebben op de functionaliteit van het instrument. Deze ontwikkelingen zijn: de groei van het aantal werknemers op dezelfde werkplek met uiteenlopende rechtsposities en arbeidsrelaties (uitzendkrachten, gedetacheerde (buitenlandse) werknemers en zzp’ers), de ontwikkeling van outsourcing en andere vormen van uitbesteding en grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling. Deze ontwikkelingen (die ik in hoofdstuk 1 ook heb genoemd) kunnen met name gevolgen hebben voor de reikwijdte van het avv-instrument, maar in hoeverre deze ontwikkelingen zouden moeten leiden tot wijziging in wet- en regelgeving valt buiten het bestek van dit onderzoek. Uit interviews met stakeholders volgt volgens Regioplan dat (schijn)constructies en het ontduiken van de toepasselijkheid van de avv-cao, als de grootste bedreiging van het instrument wordt gezien en dat meer werk gemaakt moet worden van de handhaving. Representativiteit en draagvlak wordt wel als knelpunt gezien, maar niet als het belangrijkste knelpunt. Opmerking daarbij verdient dat de afnemende representativiteit onder werkgeversorganisaties als grotere bedreiging wordt gezien dan de afnemende representativiteit van vakbonden. Vanuit juridisch perspectief is dat juist omdat het meerderheidsvereiste wordt berekend op basis van de bij de aan de cao gebonden werkgevers in dienst zijnde werknemers wordt berekend. Met betrekking tot de representativiteit van werknemers wordt opgemerkt dat stakeholders van mening zijn dat bij een gebrekkige representativiteit van vakbonden naar andere vormen van werknemersbetrokkenheid in het cao-overleg moet worden gezocht, teneinde het draagvlak op peil te houden (op het vergroten van werknemersbetrokkenheid en de aanpassing van het meerderheidsvereiste met het oog op de representativiteit van vakbonden kom ik terug in hoofdstuk 9). Dat werkgevers zich overigens minder goed kunnen vinden in cao’s is volgens de stakeholders niet zozeer op te lossen door aanpassing van het systeem. Volgens hen is het veeleer een verantwoordelijkheid van cao-partijen om cao’s te ontwerpen waarin werkgevers zich kunnen vinden. Overige door stakeholders gesignaleerde knelpunten van het avv-instrument die vermelding verdienen zijn: de onduidelijkheid rond het dispensatiebeleid en het gebrek aan inhoudelijke toetsing.