Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00387/07 P in welke zaak ik heden ook concludeer.
HR, 15-12-2009, nr. 00390/07
ECLI:NL:HR:2009:BJ8380
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15-12-2009
- Zaaknummer
00390/07
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BJ8380
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ8380, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑12‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8380
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8380, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8380
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑12‑2009
Inhoudsindicatie
Appeldagvaarding. Verstek. Bij zijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv heeft de HR vastgesteld dat de verdachte sinds 23-05-2005 stond ingeschreven in de GBA op het adres X. Daaruit volgt dat de dagvaarding in h.b. niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv zodat die dagvaarding nietig is. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is daarom onjuist.
15 december 2009
Strafkamer
Nr. 00390/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 augustus 2005, nummer 22/007588-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over de betekening van de appeldagvaarding.
2.2. De stukken van het geding houden het volgende in:
- de dagvaarding in hoger beroep is, na op 20 mei 2005 tevergeefs te zijn aangeboden aan het laatst bekende adres van de verdachte - het adres dat in de appelakte was opgegeven - aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en na op 30 mei 2005 te zijn teruggezonden aan de afzender, op 6 juni 2005 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is";
- de appeldagvaarding is als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats];
- blijkens een "GBA-overzicht" van 6 juni 2005 was van de verdachte op die datum geen adres bekend;
- zowel het vonnis in eerste aanleg als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.
Bij zijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de verdachte sinds 23 mei 2005 stond ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente 's-Gravenhage op het adres [b-straat 1]. Daaruit volgt dat de dagvaarding in hoger beroep niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv zodat die dagvaarding nietig is. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is daarom onjuist.
2.4. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 15 december 2009.
Conclusie 22‑09‑2009
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]1.
1.
Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft verdachte op 26 augustus 2005 bij verstek voor
- 1.
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en
- 2.
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel
- 3.
onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld
tot een taakstraf van 90 uren. Voorts heeft het hof voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
2.
Mr. M. Schuckink Kool, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1.
Het middel klaagt dat het hof verdachte ten onrechte bij verstek heeft veroordeeld. De appeldagvaarding is op 6 juni 2005 betekend aan de griffier van de rechtbank te 's‑Gravenhage omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 20 mei 2005 was geprobeerd de appeldagvaarding uit te reiken aan het laatst bekende adres van verdachte, [a-straat 1] te [woonplaats] — het adres dat in de appelakte was opgegeven — maar daar is niemand aangetroffen. Er is een bericht van aankomst ter plekke achtergelaten en op 30 mei 2005 is de appeldagvaarding teruggestuurd aan de afzender. De griffie heeft uit een GBA-overzicht van 6 juni 2005 klaarblijkelijk afgeleid dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op een kopie van de appeldagvaarding is evenwel toch met de hand de aantekening geplaatst dat de dagvaarding als gewone brief is verzonden. Ik ga ervan uit dat die verzending inderdaad heeft plaatsgevonden.
Als bijlage is aan de schriftuur gehecht een uittreksel basisadministratie van de Gemeente Den Haag, gedateerd 23 mei 2007, dus van na het arrest van het hof,2. en inhoudende dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], sinds 23 mei 2005 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [0000AA] [woonplaats].
3.2.
In het kader van de aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is een GBA-overzicht verstrekt op 19 april 2007, waaruit inderdaad is op te maken dat verdachte vanaf 23 mei 2005 is ingeschreven op [b-straat 1] te [0000AA] [woonplaats].
3.3.
In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad onder 3.16 aangegeven dat wanneer de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven maar wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft , die feitelijke woon- of verblijfplaats als uitgangspunt dient te worden genomen, dat naar dat adres de dagvaarding als gewone brief over de post dient te worden verzonden, maar dat een nadere verificatie van het adres in de GBA achterwege kan blijven. Art. 588 lid 3 onder c Sv brengt de termijn van vijf dagen slechts in verband met een verdachte die op de dag van aanbieding van de dagvaarding in de GBA is ingeschreven, niet in verband met een verdachte die niet is ingeschreven maar van wie wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Dat brengt mij tot de conclusie dat voor de geldigheid van de betekening van de dagvaarding van de verdachte van wie enkel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is alleen de gegevens die bekend zijn op de dag van uitreiking relevant zijn. Als de dagvaarding is aangeboden aan dat adres, als een bericht van aankomst is achtergelaten en als de dagvaarding vervolgens als gewone brief naar dat adres is verstuurd is aan de wettelijke eisen voldaan.
Van verdachte kan voorts worden gevergd dat hij maatregelen neemt om te bereiken dat de appeldagvaarding hem bereikt als zijn in de appelakte opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats wijzigt in een GBA-inschrijving of in een andere feitelijke woon- of verblijfplaats.
Het middel faalt.
4.
Ambtshalve wijs ik er op dat sinds het instellen van het beroep tot de dag van vandaag al bijna 3 jaren zijn verstreken zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden. Gelet op de opgelegde straf zal de Hoge Raad hier kunnen volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.3.
5.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑09‑2009
Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 520 rov. 4.8.
HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis rov. 3.6.2 onder C.