De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.2:8.7.2 Veroorzaking en toerekening van wanbeleid
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.2
8.7.2 Veroorzaking en toerekening van wanbeleid
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369735:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (OGEM), r.o. 7.4. Zie ook par. 2.5.2.
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer (Text Lite), r.o. 4.7.1: “Een eventueel vastgestelde verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid kan een rol spelen bij de te treffen voorziening”.
Zie par. 5.4.3.3, 9.2.2.6 en 9.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanbeleid dient enerzijds aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, maar wordt anderzijds feitelijk veroorzaakt door handelen van haar orgaanleden.1 Deze constatering leidt tot twee inzichten die moeten worden toegepast bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen.
Ten eerste geeft het feit, dat het oordeel dat sprake is van wanbeleid betrekking heeft op de rechtspersoon, gelijk de oplossingsrichting aan: de rechtspersoon moet tot ander gedrag worden gebracht. Het is dus niet noodzakelijkerwijs vereist dat de zittende orgaanleden zich beter gaan gedragen. Ingrijpen door de ondernemingskamer moet er dus op gericht zijn dat de rechtspersoon zich beter gaat gedragen. Dat kan worden bewerkstelligd door (a) een gedragsverbetering bij de zittende orgaanleden af te dwingen. Daardoor gaat de rechtspersoon zich immers automatisch ook beter gedragen. Evenzogoed is echter (b) een gedragsverbetering die wordt afgedwongen door middel van het (al dan niet tijdelijk) buiten spel zetten van een of meer van de zittende orgaanleden. De orgaanleden die zich wel weten te gedragen kunnen dan op hun post blijven. Zo nodig kunnen er vervangers van de verwijderde orgaanleden worden benoemd, bijvoorbeeld door middel van het tijdelijk aanstellen van een bestuurder. Ook prima is (c) een gedragsverandering van de rechtspersoon die wordt bewerkstelligd doordat de zeggenschapsverhoudingen worden gewijzigd, zodat het besluitvormingsproces een andere dynamiek krijgt en tot betere resultaten leidt. Verwezen wordt naar par. 4.2.6, in het bijzonder 4.2.6.3.
Ten tweede is het feit, dat wanbeleid feitelijk wordt veroorzaakt door handelen van een of meer van haar orgaanleden, van belang bij het bepalen welke eindvoorzieningen zijn geïndiceerd2 (en daarmee voor de vraag hoe daarop kan worden geanticipeerd met onmiddellijke voorzieningen en hoe de gevolgen van de (onmiddellijke) voorzieningen dienen te worden geregeld). De situatie waarin als gevolg van incompatibilité d’humeur van de aandeelhouders een impasse is ontstaan, vraagt om een andere oplossing dan de situatie dat een aandeelhouder de vennootschap op onrechtmatige wijze schade toebrengt en de ander niets te verwijten valt. Voor de toepassing van het proportionaliteitsbeginsel3 is het immers (mede) van belang, in hoeverre iemand schuld draagt aan de noodzaak dat de ondernemingskamer ingrijpt.