Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.3.3:8.3.3 De positie van het parlement
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.3.3
8.3.3 De positie van het parlement
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455276:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2009/10, 69, p. 5970.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 723.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 723, p. 2.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 723, p. 2.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6967-6968.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6976.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6976.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6976.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6976.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6976.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6977.
Handelingen II 2009/10, 82, p. 6977.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een laatste punt dat tijdens het debat over de eerste Europese noodfondsen aan de orde is geweest en van belang is voor dit proefschrift, is de positie van het parlement bij de activering daarvan.
Nog voordat enige steunmaatregelen waren genomen stelde minister-president Balkenende al:
‘De lidstaten zullen altijd hun unanieme goedkeuring moeten geven voordat het mechanisme in werking kan treden. Indien het zover komt dat het mechanisme wordt geactiveerd, zal het parlement, gelet op zijn budgetrecht, hierbij worden betrokken. In geval van interventie moet de Tweede Kamer instemmen met het budgettaire beslag van Nederland.’1
Wat Balkenende met zijn opmerkingen precies bedoelde, bleek tijdens de verdere parlementaire behandeling.
In een brief aan de Tweede Kamer van 10 mei 2010 ging de minister van Financiën in op de instelling van de Europese noodfondsen, waartoe een dag eerder was besloten.2 De minister schetste de gevolgen voor de Nederlandse overheidsfinanciën. De 60 miljard euro voor het communautaire EFSM zou de Europese Commissie lenen op de kapitaalmarkt. De lidstaten geven via hun aandeel op de Europese begroting een garantie af op deze leningen, zo stelde de minister.3 Ook de EFSF werkt via garanties.4
Tijdens een debat over de Europese noodfondsen besteedde de Tweede Kamer onder meer aandacht aan de vraag hoe de activering van dat fonds zou verlopen. De Jager zei daarover, in afwijking van hetgeen Balkenende daarover eerder stelde:
‘Voor alle duidelijkheid: wij vragen het parlement nu toestemming voor de garanties voor het geheel. Wij kunnen niet iedere keer apart, per aanvraag of per land, vooraf in een debat om toestemming vragen. Ik kan mij wel voorstellen dat ik in zo’n situatie de Kamer onmiddellijk schriftelijk zal informeren, waardoor de Kamer – afgezien van situaties waarin de nood aan de man is – normaal gesproken in de gelegenheid is om mij nog vragen te stellen. Dat gebeurt dan niet via een voorhangprocedure, want dit mechanisme wint aan geloofwaardigheid als we het op die manier doen, dus als we nu in principe instemming met het hele mechanisme krijgen.’5
Even later stelde De Jager in reactie op vragen over het bovenstaande:
‘Verder werd gevraagd hoe de activering precies gaat en welke afspraken daarover gemaakt zijn. […] Ik denk dat het als volgt zal gaan, naar verwachting ook in andere landen en parlementen: voor het mechanisme geeft de Kamer nu haar instemming. Wanneer een land zich aandient, zal ik daarover onmiddellijk een brief aan de Kamer schrijven en dat geeft de Kamer de mogelijkheid om mij daarover naar de Kamer te roepen als zij dat zou willen. Hopelijk is daarvoor wat tijd, maar dat kan ik natuurlijk niet garanderen. […] Over het hele pakket dat er voor één land ligt, zal ik een brief schrijven over het activeren van het mechanisme voor dat land. De Kamer kan mij daarover dan ter verantwoording roepen.’6
Deze nadere uitleg van De Jager kon niet alle vragen over de activering van de noodfondsen wegnemen. Zo stelde SP-Tweede Kamerlid Irrgang:
‘Ik neem aan dat dit ook betekent dat de minister die brief zal sturen voordat de verplichting wordt aangegaan om het mechanisme in werking te stellen voor een bepaald land? Ik hoop dat hij die brief niet een uur van tevoren stuurt, maar dat er een reële mogelijkheid is om er nog met de minister over te spreken.’7
De voorzitter herformuleerde de vraag vervolgens: ‘U bedoelt te zeggen dat er geen onherroepelijke stappen gezet mogen zijn?’8 Irrgang beaamde dit en stelde: ‘Als je de verplichting nog niet aangegaan bent, zijn er nog geen onherroepelijke stappen gezet.’9 De minister van Financiën reageerde onder meer als volgt: ‘Ik kan dat toezeggen, behalve wanneer het al in brand staat.’10 PvdA-Tweede Kamerlid Tang mengde zich hierop in de discussie:
‘Er gaat een brief naar de Kamer, maar Nederland is toch wel gecommitteerd? Dat is wat we vandaag besluiten. Als dat niet zo is, komt er een enorm gat in het vangnet. Het is toch uitdrukkelijk de bedoeling dat er een dusdanig pakket ligt, waartegen we ja kunnen zeggen, dat Nederland gecommitteerd is om dat daadwerkelijk te doen?’11
Hierop antwoordde De Jager: ‘Absoluut. De verdedigingswal moet geloofwaardig genoeg zijn. Wij moeten daaraan nu niet allerlei mitsen en maren verbinden.’12
Het bovenstaande laat zien dat er enige onduidelijkheid bestond over de vraag of het parlement nu een instemmingsrecht heeft bij het verlenen van steun vanuit de Europese noodfondsen in een concrete situatie. De Jager stelde zich op het standpunt dat het parlement, als het zou instemmen met de instelling van de noodfondsen, geen goedkeuring meer hoeft te geven voor steun aan specifieke landen. Hoewel de SP-fractie enige verwarring veroorzaakte, met name vanwege het begrip ‘onherroepelijk’, leek de Tweede Kamer doordrongen van dit standpunt van de minister en ging zij hiermee akkoord. Door in te stemmen met de oprichting van de Europees noodfondsen heeft het parlement daarom op dat moment ook alle toekomstige operaties goedgekeurd, zoals de steunpakketten voor Ierland en Portugal, evenals de gevolgen daarvan voor de Nederlandse overheidsfinanciën. Wel wilde zij hierover goed geïnformeerd worden, hetgeen de minister (voor zover mogelijk) toezegde. De parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de EFSF en het EFSM komt hieronder terug bij de bespreking van de parlementaire behandeling van het ESM-verdrag.