Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.2.2
2.2.2 Uitgangspunt: eenvormige wettelijke regeling / Uitzonderingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585912:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Overgang van een vordering onder bijzondere titel vindt plaats door overdracht (art. 3:84 lid 1 jo 3:94 BW); de vervulling van een ontbindende voorwaarde bij overdracht ('retro-overgang'; vgl. art. 3:84 lid 4 BW); het inroepen van het recht van reclame (art. 7:39 jo 7:47 BW; zie Biemans 2009d, par. 6.4.); toedeling na verdeling onder bijzondere titel (art. 3:186 BW); verkrijgende verjaring (art. 3:99 en 3:105 BW; zie Biemans 2007b); en subrogatie (o.a. art. 2:90, 6:12, 6:150 sub a t/m d, 7:850 lid 3 jo art. 6:12, 7:866 en 7:962 BW). De overgang van een vordering kan ook plaatsvinden door contractsovememing (art. 6:159 BW); contractsovergang van rechtswege (art. 7:226, 7.5.6.2/3 jo 7:226, 7:662 e.v., 7:948, 8:375, 8:530 lid 2, 8:894, 8:990 lid 2 BW), ook wel aangeduid als 'indeplaatsstelling' (art. 3:217 lid 3, 5:94 lid 2 en 5:94 jo 5:104 lid 2 BW); overgang op grond van art. 7:420 en 8:63 lid 2 BW; overdracht van rechten uit een sommenverzekering door levering ex art. 7:970 lid 2 BW; overdracht van rechten uit een reisovereenkomst door levering ex art. 7:506 BW; overgang van kwalitatieve rechten (art. 6:251 BW); en overgang van afhankelijk rechten (art. 3:82 BW) en nevenrechten (art. 6:142 BW). Vgl. o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 525; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 256; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 1; en Faber 2005, nr. 248 en 249.Van de overdracht van de vordering is óók sprake bij derdenbescherming op grond van art. 3:88 BW in het geval van levering door een beschikkingsonbevoegde; bij de inning van een vordering tot overdracht van een vordering door een inningsbevoegde derde; bij reële executie (art. 3:297 jo 3:300 BW); bij het verblijven van de verpande vordering aan de pandhouder (art. 3:251 lid 1 BW); en bij levering krachtens art. 6:78 lid 2, 6:103, 6:271, 7:867 BW of krachtens een andere geldige titel ontleend aan de wet.
Vgl. art. 6.2.1.1 lid 2 O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 527; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 532.
Voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald.
Welke rechten overgaan, is soms aan nadere voorwaarden gebonden. Bijvoorbeeld, op grond van art. 6:251 lid 1 BW gaan alle voor overgang vatbare rechten over, die in een zodanig verband staan met het aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij die rechten slechts belang heeft, zolang hij het goed behoudt. Op grond van art. 7:420 BW gaan alle rechten uit de door de lasthebber gesloten overeenkomst op de lastgever over, behoudens voor zover zij in de onderlinge verhouding tussen lasthebber en lastgever aan deze laatste toekomen. En op grond van art. 7:506 BW kan de reiziger zijn rechtsverhouding tot de reisorganisatie alleen overdragen aan een derde die aan alle voorwaarden van de reisovereenkomst voldoet.
Bij overdracht dient een dergelijke vordering afzonderlijk te worden overgedragen om de overgang daarvan te bewerkstelligen.
Zie ook art. 3:188 BW.
13. Voor de rechtsgevolgen van de overgang van vorderingen bestaat een eenvormige wettelijke regeling. Hoewel vorderingen op verschillende manieren kunnen overgaan en daarvoor verschillende vereisten bestaan, is het uitgangspunt dat de rechtsgevolgen van de overgang van vorderingen steeds dezelfde zijn. De rechtsgevolgen zijn geregeld in afdeling 6.2.1 BW en daarnaast in een aantal bepalingen buiten deze afdeling, zoals art. 6:34 BW en art. 225 lid 1 Rv.
Op het uitgangspunt van een eenvormige regeling bestaan uitzonderingen. Bij de overgang van goederen wordt een onderscheid gemaakt tussen de overgang onder algemene titel en de overgang onder bijzondere titel. Overgang onder algemene titel (art. 3:80 lid 2 BW) vindt plaats door erfopvolging (art. 4:182 BW), boedelmenging (art. 1:93 e.v. BW) en door fusie en splitsing van rechtspersonen (art. 2:308 e.v. BW). In de andere gevallen, zoals bij overdracht, is sprake van overgang van de vordering onder bijzondere titel.1 Bij een overgang onder bijzondere titel gaan slechts een of meer bepaalde goederen over op de rechtsverkrijger. Bij een overgang onder algemene titel gaat de gehele rechtspositie op de rechtsverkrijger over, waaronder alle rechten en verplichtingen van de rechtsvoorganger. Vanwege de aard van de rechtsovergang gaat bij een overgang onder algemene titel niet alleen de vordering, maar gaan ook de onderliggende rechtsverhouding, de schulden en de nevenrechten op de rechtsverkrijger over. Dit maakt art. 6:142 BW (overgang van nevenrechten) overbodig2 en is de reden dat art. 6:130 lid 1 BW (verrekening) en art. 6:149 lid 1 BW (uitoefening bevoegdheid tot vernietiging en ontbinding) alleen op de overgang van vorderingen onder bijzondere titel van toepassing zijn.
Afwijkende rechtsgevolgen komen ook voor bij de overgang van vorderingen door contractsovergang, zoals door contractsoverneming (art. 6:159 BW),3 en de overgang van vorderingen krachtens een bepaling op grond waarvan "alle rechten uit de overeenkomst" op de rechtsverkrijger overgaan, zoals bij de overgang van rechten op grond van art. 6:251 BW (kwalitatief recht), art. 7:420 BW (lastgeving), art. 7:506 BW (reisovereenkomst) en art. 7:970 lid 2 BW (sommenverzekering).4 In deze gevallen volgt uit de omschrijving in de wettelijke bepaling ("alle rechten") dat naast de hoofdvordering ook andere rechten, zoals schadevergoedingsvorderingen en rentevorderingen, op de rechtsverkrijger kunnen overgaan, ook als die niet als nevenrechten worden aangemerkt.5 Bij contractsovergang gaan daarnaast ook de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding met de daaruit voortvloeiende verplichtingen op de nieuwe schuldeiser over. Ook in dat opzicht is sprake van afwijkende rechtsgevolgen.
14. Naast de hiervoor genoemde uitzonderingen kent de wet ook uitzonderingen die alleen betrekking hebben op de overgang van de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten als zodanig. Dit zijn de 'eigenlijke' uitzonderingen. Art. 6:153 BW bij subrogatie en art. 7:14 jo 7:47 BW bij koop geven een afwijkende regeling ten aanzien van de regeling inzake de contractuele rente in art. 6:142 lid 2 BW. Art. 6:151 lid 2 BW geeft voor subrogatie een afwijkende regeling ten aanzien van de regeling inzake de overgang van nevenrechten in art. 6:142 lid 1 BW.Art. 3:187 BW bij gemeenschap en art. 7:9 jo 7:47 BW bij koop geven een afwijkende regeling ten aanzien van de regeling inzake de verplichting tot afgifte van de bewijsstukken in art. 6:143 BW. Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW bevat voor de stille cessie een uitzondering met betrekking tot de rechtspositie van de schuldenaar en geeft een afwijkende regel ten opzichte van onder meer art. 6:34 BW, art. 6:130 lid 1 BW, art. 6:145 BW en art. 225 lid1 Rv. Een aanvullende regel wordt gegeven bij overdracht door art. 3:94 lid 4 BW (de schuldenaar kan bewijs verlangen van de overdracht).6 De voorbeelden zijn niet uitputtend.
Beide soorten uitzonderingen Iaten zien dat de regeling van de rechtsgevolgen van overgang van vorderingen minder eenvormig is dan zij op het eerste gezicht lijkt. De verschillen nuanceren het uitgangspunt van een eenvormige regeling. Gaat het bijvoorbeeld om een overdracht ten titel van koop, dan bevatten vier bepalingen (art. 3:94 lid 4 BW, art. 6:144 lid 1 BW, art. 7:9 jo 7:47 BW en art. 7:14 jo 7:47 BW) een afwijkende regeling ten opzichte van de algemene regeling. De afwijkende bepaling van art. 3:94 lid 3 BW bij de stille cessie is dus geen vreemde eend in de bijt. Uitzonderingen komen wel meer voor. Aan de uitzonderingen wordt in de volgende hoofdstukken geen aandacht besteed, tenzij zij op de overdracht van vorderingen of de stille cessie betrekking hebben.