Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.2.3
III.2.3 De ontwikkeling van herstelrecht en herstelbemiddeling
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS298313:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo liggen er bijvoorbeeld duidelijke aanknopingspunten besloten in het werk van Pom-pe; zie Kool 2004.
Zie Van Stokkom 2002. Hij spreekt zelfs van een ‘anti-Hulsman syndroom’.
Zie Blad 2012.
Een vroege voorloper was het project Dading; zie Ingelse 1991.
Het Tijdschrift voor Herstelrecht verscheen voor het eerst in april 2001.
Restorative Justice Nederland, https://www.restorativejustice.nl. Zie ook Blad e.a. 2016.
Zie onder meer Cleiren 2001.
Zie Lauwaert 2009.
Zie Bottoms 2003, p. 103.
Zie Crawford 2000, p. 308: ‘The pluralization of responsibilities that restorative justice heralds acknowledges the limits of the sovereign state in respect of crime control and security’. Crawford heeft hier overigens, evenals Bottoms, het Engelse discours op het oog. Zie Wergens 2014 voor een victimologisch georiënteerde uitwerking van het belang van remediëring.
Zie Cleiren 2001, p. 10 en 12 en Ashworth 2002, p. 580-582. De laatste wijst er in navolging van Garland (2001, p. 109-110) op dat de opdracht voor de staat om bescherming te bieden tegen rechtsschendingen noodzaakt tot ‘some delegation in whole or in part to others, either by moving it down to the level of local community or by elements of privatization’.
Zie Hildebrandt 2002, p. 340, voetnoot 922 waarin wordt verwezen naar de stelling van Glastra van Loon die stelt dat ADR gelet op de subsidiariteit een voorkeuroptie zou moeten zijn omdat het optuigen van een volle zitting wanneer dat in onbalans is met de beschikbaarheid van publieke middelen onrechtvaardig is vanuit gemeenschapsperspectief.
Cleiren hanteert een omgekeerd perspectief en stelt dat de justitiële afdoening ‘zo in een afhankelijkheidsrol’ komt te staan van de bemiddeling (Cleiren 2001, p. 30). Die omkering doet onzes inziens geen recht aan de werkelijkheid waarbinnen herstelbemiddeling plaatsvindt onder regie van de strafrechtspleging.
Zie Raad voor de rechtspraak 2016.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 33 552, nr. 23 respectievelijk Kamerstukken II 2016/17, 34 550, VI, nr. 36.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015.
Zie Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van Europa inzake de status van het slachtoffer in het strafproces (Pb EG 2001, L82/1). Zie Kool 2012a, aant. 4 en Geelhoed 2009.
Zie Besluit slachtoffers van strafbare feiten van 24 augustus 2016, Stb. 2016, 310 (nog niet in werking getreden) en het Wetsvoorstel tot implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), Kamerstukken I 2015/16, 34 236, A.
Zie Van Hoek en Slump 2011 en Van Hoek e.a. 2011.
Zie Walgrave 2008, Blad 2011, Blad 2012 en Groenhuijsen en Slump 2013.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 33 552, nr. 23 en de Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), preambule onder 46 en artikel 12. Zie voorts Dierx, Slump en Leijten 2012.
Herstelrecht is in onze contreien geen nieuwe gedachte.1 Niettemin heeft het lange tijd geen voet aan de grond kunnen krijgen binnen het strafrechtelijk discours. Voor een deel is dat wellicht te wijten aan de uitgesproken benaderingen van Hulsman en Bianchi,2 maar ook voor andere meer gematigde opvattingen en praktijken was lange tijd geen ruimte. Het is hier niet de plaats om te speculeren waarom het herstelrecht zo’n moeizame receptie ten deel valt in het Nederlandse strafrecht. We volstaan te wijzen op het sterk publiekrechtelijke karakter (of zo men wil: de ‘regenteske aard’) van onze strafrechtscultuur, en de schijnbare weerstand tegen private ondertonen daarbinnen, onder meer blijkend uit de vrijwel volledige afwezigheid van lekeninbreng in de strafrechtspleging. In samenhang met een bedrijfsmatige benadering laat dit weinig ruimte om de afdoening toe te snijden op de meer geïndividualiseerde leest van het herstelrecht.3 Eerdere projecten en initiatieven ter introductie van herstelrechtelijke modaliteiten sneuvelden dan ook op gebrek aan draagvlak,4 maar op het niveau van de politie is er door de jaren heen blijvend gewerkt met vormen van herstelbemiddeling waarnaast zich een denktank ontwikkelde met een daaraan verbonden tijdschrift.5 Dit leidde in 2010 tot de oprichting van Restorative Justice Nederland, welke organisatie onlangs een Proeve van een Wetboek voor Herstelrecht heeft aangeboden aan de Tweede Kamer.6
Tegen de stroom in heeft het herstelrecht zich in daad en woord de afgelopen decennia langzaam maar zeker een plek weten te veroveren in het strafrechtelijk discours. Sympathie voor het onderliggende gedachtengoed ging – en gaat – steevast gepaard met twijfels over de rechtsstatelijke houdbaarheid van herstelrechtelijke praktijken.7 Die waarschuwingen zijn begrijpelijk en terecht, want inbedding van het herstelrecht in het strafrechtelijk discours vraagt om een gedegen doordenking.8 Niettemin wint de gedachte terrein dat het herstelrecht het nodige te bieden heeft, in het bijzonder in het kader van buitengerechtelijke afdoening. Deze groeiende sympathie lijkt op het eerste gezicht niet verenigbaar met de punitieve wind die de afgelopen jaren binnen het strafrechtelijk discours waait. Waarom dan toch die groeiende aandacht voor het herstelrecht? Bottoms brengt dit in verband met veranderingen in de maatschappelijke opvattingen over ‘misdaad en straf’. Het herstelrecht biedt ‘an element of normative clarification (it. org.) in a morally changing society, struggling to develop a new ‘positive morality’’.9 Die nieuwe moraliteit bergt een roep om participatie en erkenning van ‘het private’ in zich, en zet het geobjectiveerde, maar afstandelijke karakter van de traditionele strafrechtelijke afdoening onder druk.10 Vanuit onverdacht strafrechtelijke hoek wordt dan ook gewaarschuwd de opkomst van het herstelrecht serieus te nemen en niet te versmallen tot een debat over de noodzaak tot ‘dienstbetoon’ aan het slachtoffer.11 Toepassing van herstelrecht in het buitengerechtelijk spoor impliceert een binding met het gerechtelijk spoor: de aanleiding voor de keuze voor het herstelrecht ligt immers in de afweging die in het kader van het opportuniteitsbeginsel dient te worden gemaakt tussen het algemeen belang (lees: het belang van de samenleving en dat van het slachtoffer) en het belang van de verdachte.12 Herstelbemiddeling fungeert in die zin niet als ‘alternatief’ voor een strafrechtelijke afdoening, maar als modaliteit daarvan.13
Deze roep om responsief recht beperkt zich niet tot het strafrecht, zoals ook blijkt uit de andere voorliggende preadviezen. Integendeel, de opvatting dat ‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’ moet worden bedreven doordesemt momenteel het denken binnen de rechtspleging en strekt zich uit over alle rechtsgebieden.14 Daar waar men minder last heeft van de drukkende banden van de rechtsstatelijke aard van het recht, zoals binnen het civiele recht, bloeit en groeit de mediation, en ook binnen het minder moreel geladen bestuursrecht heeft men er de voordelen van ontdekt. Dat de receptie ervan binnen het strafrecht moeizamer verloopt is vanuit haar opdracht begrijpelijk, maar ook het strafrecht ontkomt niet aan de noodzaak zich te heroriënteren op de betekenis van het herstelrecht. Betekenisvol daarbij is dat het draagvlak vanuit de politiek en de strafrechtspleging toeneemt. Zo stuitte de beleidsbeslissing om de pilots met ‘mediation naast strafrecht’, die vanaf oktober 2013 waren gestart, te beëindigen op forse weerstand binnen de politiek en de praktijk als gevolg waarvan de minister zich al snel gedwongen zag zijn beslissing te herzien.15 Hier ligt wellicht een historisch omslagpunt, want anders dan voorheen is sprake van institutioneel gedragen steun voor herstelrechtelijke toepassingen. Van belang is daarbij ook dat de huidige toepassingen niet beperkt blijven tot het buitengerechtelijk spoor; ook de strafrechter blijkt in toenemende mate bereid herstelrechtelijke interventies te faciliteren.16
De wet geeft de politie, het Openbaar Ministerie en de rechter ook handvatten daartoe. Art. 51h Sv schrijft namelijk voor dat zij het slachtoffer moeten informeren over de mogelijkheid van herstelrecht en de toepassing daarvan moeten bevorderen. Voor de rechter geldt dat deze wordt opgedragen de uitkomsten van herstelrechtelijke toepassingen mee te wegen in zijn beslissing inzake het opleggen van een straf of maatregel. De bepaling is destijds ingevoerd ter implementatie van art. 10 van het Kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in het strafproces.17 Nadere uitwerking zou volgen via een algemene maatregel van bestuur, maar nadere regelgeving bleef lang uit. Pas in het kader van de implementatie van de Richtlijn van 2012 die het bedoelde Kaderbesluit heeft vervangen, is het Besluit slachtoffers van strafbare feiten opgesteld, welke tegelijkertijd met de implementatiewetgeving in werking zal treden.18
Dit alles wijst erop dat de implementatie van het herstelrecht in Nederland met name moet worden bezien in het licht van de opdracht daartoe vanuit Europa. Het is tot op heden beslist geen voorkeurskeuze van het Nederlands strafrechtelijk beleid. De wetgever daarentegen, althans de Tweede Kamer blijkens onder meer de voornoemde motie tot herroeping van het besluit van de minister de pilots ‘mediation naast strafrecht’ te beëindigen, lijkt daar inmiddels anders over te denken. Daarmee is niet gezegd dat het herstelrecht inmiddels een vast onderdeel is gaan vormen van het strafrechtelijk instrumentarium. Integendeel, de implementatie ervan behoeft nog grondige doordenking.19 Van belang ook is de kleuring van het debat daarbij in ogenschouw te nemen, want de nadruk ligt anders dan enkele decennia geleden tegenwoordig niet zozeer meer op de subsidiariteit van de strafrechtelijke reactie en de daaraan verbonden zingeving van de straf voor de verdachte,20 maar veeleer op de betekenis van herstelrechtelijke afdoening voor het slachtoffer.21