FJR 2021/58
Gelijkheid in het jeugdstrafrecht
Een verkenning van de betekenis en implicaties van het gelijkheidsbeginsel voor de Nederlandse jeugdstrafrechtspraak
Mr. dr. Y.N. van den Brink, datum 08-09-2021
- Datum
08-09-2021
- Auteur
Mr. dr. Y.N. van den Brink1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS290657:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Personen- en familierecht / Algemeen
Jeugdstrafrecht (V)
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Mr. dr. Y.N. (Yannick) van den Brink is universitair hoofddocent Straf(proces)recht aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Rubicon Research Fellow aan de University of Cambridge, Institute of Criminology (Verenigd Koninkrijk) en redacteur van FJR. Deze bijdrage presenteert bevindingen van zijn onderzoeksproject ‘Different but equal? Strengthening equality for children in the juvenile justice system’, gefinancierd door het NWO Stimuleringsimpuls, Rubicon (nr. 019.183SG.006). Voortbouwend op zijn internationaal georiënteerde artikel ‘Equality in The Youth Court. Meaning, Perceptions and Implications of The Principle of Equality in Youth Justice’ (verschenen in: Youth Justice 2021, p. 1-27, DOI:10.1177/14732254211013420), verkent deze bijdrage de betekenis en implicaties van zijn onderzoeksbevindingen voor het Nederlandse jeugdstrafrecht.
J.R. Blad & P.A.M. Mevis, ‘Ter inleiding’, in: J.R. Blad & P.A.M. Mevis, Het gelijkheidsbeginsel. Pretentie en werkelijkheid(Nederlandse Strafrechtsdagen), Deventer: Gouda Quint 1997, p. 7.
A. Boon, M. van Dorp & S. de Boer, ‘Oververtegenwoordiging van jongeren met een migratieachtergrond in de strafrechtketen’, Tijdschrift voor Criminologie 2018, 60(3), p. 268-288.
Zie onder meer: H.L. Kaal, ‘Het belang van het herkennen van een LVB in de strafrechtsketen’, Tijdschrift voor Psychiatrie 2019, 61 (11), p. 809-813; M. Teeuwen & M. Malsch, Licht Verstandelijk Beperkte jongeren in de strafprocedure: knelpunten en risico’s, Amsterdam: NSCR 2017.
A.M. van der Laan, M.G.C.J. Beerthuizen & N.C. Boot, Monitor Jeugdcriminaliteit 2020. Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in de eerste twee decennia van deze eeuw, Den Haag: WODC 2021.
Y.N. van den Brink, H.T. Wermink, K.G.A. Bolscher, C.M.M. van Leeuwen, M.R. Bruning & T. Liefaard, Voorlopige hechtenis van jeugdigen in uitvoering. Een exploratief kwantitatief onderzoek naar rechterlijke beslissingen en populatiekenmerken, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2017.
D. Weenink, ‘Explaining Ethnic Inequality in the Juvenile Justice System. An Analysis of the Outcomes of Dutch Prosecutorial Decision-Making’, British Journal of Criminology 2009, p. 220-242; H.T. Wermink, B.D. Johnson, P. Nieuwbeerta & J.W. de Keijser, ‘Expanding the scope of sentencing research: Determinants of juvenile and adult punishment in the Netherlands’, European Journal of Criminology 2015, p. 739-768.
Thema’s zoals etnisch profileren door de politie vallen buiten de reikwijdte van deze bijdrage.
Y.N. van den Brink, ‘Equality in The Youth Court. Meaning, Perceptions and Implications of The Principle of Equality in Youth Justice’, Youth Justice 2021, p. 1-27, DOI:10.1177/14732254211013420. Zie ook: Y.N. van den Brink, ‘Different But Equal? Exploring Potential Catalysts of Disparity in Remand Decision-Making in The Youth Court’, Social & Legal Studies 2021, p. 1-24, DOI: 10.1177/09646639211033709. En voorts: Y.N. van den Brink, ‘Remand decision-making in the youth court. A comparative analysis of youth remand and bail in England and the Netherlands’, International Journal of Law, Crime and Justice 2021, p. 1-14, DOI: 10.1016/j.ijlcj.2021.100487.
Zie o.m.: S. Besson, ‘The principle of non-discrimination in the convention on the rights of the child’, The International Journal of Children’s Rights 2005, 13, p. 433-461.
VN-Kinderrechtencomité, General Comment No. 5: General Measures of Implementation of the Convention on the Rights of the Child (CRC/GC/2003/5), par. 12.
O.M. Arnardóttir, Equality and Non-Discrimination Under the European Convention of Human Rights, Leiden: Martinus Nijhoff Publishers 2003, p. 6-8; S. Besson, ‘The principle of non-discrimination in the convention on the rights of the child’, The International Journal of Children’s Rights 2005, 13, p. 434-435.
VN-Kinderrechtencomité, General Comment No. 5: General Measures of Implementation of the Convention on the Rights of the Child (CRC/GC/2003/5), par. 12.
Zie ook: B. Abramson, Article 2: The Right of Non-Discrimination. A Commentary on the United Nations Convention on the Rights of the Child, Leiden: Martinus Nijhoff Publishers 2008; S. Besson, ‘The principle of non-discrimination in the convention on the rights of the child’, The International Journal of Children’s Rights 2005, 13, p. 433-461. En voorts: N.E. Dowd, ‘Equality, equity, and dignity’, Law & Inequality 2019, 37(1), p. 5-20.
Zie: VN-Kinderrechtencomité, General Comment No. 24 on Children’s Rights in the Child Justice System (CRC/C/GC/24), 2019.
Ibid., par. 3.
Zie o.m.: N.E. Dowd, Reimagining Equality. A New Deal for Children of Color, New York: New York University Press 2018; C. Webster, ‘Race, ethnicity, social class and juvenile justice in Europe’, in: B. Goldson (red.), Juvenile Justice in Europe: Past, Present, Future, Londen: Routledge 2018, 148-161.
N.E. Dowd, Reimagining Equality. A New Deal for Children of Color, New York: New York University Press 2018; L. McAra & S. McVie, ‘How do early inequalities impact on criminal trajectories over the life course?’, European Society of Criminology conference (Sarajevo, Bosnië, 30 augustus 2018).
Vgl. J.K. Johnstone & V. Leacock, ‘Achieving and managing equality in the criminal justice process: Do the new equality measures go far enough?’, The Howard Journal 2010, 49(1), p. 54-72.
De empirische bevindingen die in deze paragraaf worden gepresenteerd, zijn eerder verwerkt in: Y.N. van den Brink, ‘Equality in The Youth Court. Meaning, Perceptions and Implications of The Principle of Equality in Youth Justice’, Youth Justice 2021, p. 1-27, DOI:10.1177/14732254211013420.
Zie bijvoorbeeld: Ministry of Justice, A Smarter Approach to Sentencing. Overarching Equality Statement, Londen: Ministry of Justice 2020, te raadplegen via: www.gov.uk/government/publications/a-smarter-approach-to-sentencing.
Judicial College, Equal Treatment Bench Book, Londen: Judicial College 2021, te raadplegen via: www.judiciary.uk/announcements/equal-treatment-bench-book-new-edition/.
Sentencing Council, Sentencing Children and Young People. Overarching Principles and Offence Specific Guidelines for Sexual Offences and Robbery. Definitive Guideline, Londen: Sentencing Council 2017, par. 1.11 e.v., te raadplegen via: www.sentencingcouncil.org.uk/overarching-guides/magistrates-court/item/sentencing-children-and-young-people/.
Zie: Ministry of Justice, Race Disparity Audit. Summary Findings from the Ethnicity Facts and Figures. Londen: Ministry of Justice 2018, te raadplegen via: https://www.gov.uk/government/publications/race-disparity-audit.
D. Lammy, The Lammy Review. An independent review into the treatment of, and outcomes for, Black, Asian and Minority Ethnic individuals in the Criminal Justice System, Londen, 8 September 2017, te raadplegen via: www.gov.uk/government/publications/lammy-review-final-report/.
C. Webster, ‘Race, ethnicity, social class and juvenile justice in Europe’, in: B. Goldson (red.), Juvenile Justice in Europe: Past, Present, Future, Londen: Routledge 2018, 148-161; Y.N. van den Brink, ‘(On)gelijkheid in het jeugdstrafrecht’, FJR 2018/61 (afl. 11), p. 291. Vgl. ook: A. Boon, M. van Dorp & S. de Boer, ‘Oververtegenwoordiging van jongeren met een migratieachtergrond in de strafrechtketen’, Tijdschrift voor Criminologie 2018, 60(3), p. 268-288.
Youth Justice Board, Ethnic Disproportionality in Remand and Sentencing in the Youth Justice System. Analysis of Administrative Data, Londen: Youth Justice Board 2021.
Justice Committee, Oral evidence: Progress in the implementation of the Lammy review’s recommendations (HC 2086), Londen: Justice Committee, 26 maart 2019.
Dit onderzoek omvatte ook een observatieonderzoek waarvoor de auteur ruim 200 zittingen (youth remand hearings) heeft bijgewoond in de betreffende youth courts. Zie: Y.N. van den Brink, ‘Remand decision-making in the youth court. A comparative analysis of youth remand and bail in England and the Netherlands’, International Journal of Law, Crime and Justice 2021, p. 1-14, DOI: 10.1016/j.ijlcj.2021.100487. En voorts: Y.N. van den Brink, ‘Different But Equal? Exploring Potential Catalysts of Disparity in Remand Decision-Making in The Youth Court’, Social & Legal Studies 2021, p. 1-24, DOI:10.1177/09646639211033709.
In Engelse Magistrates’ Courts, waaronder ook de youth courts, hebben legal advisors – juridisch getrainde professionals die in dienst zijn van de rechtbank – een belangrijke taak om voorafgaand aan en tijdens rechtszittingen, alsook tijdens de beraadslagingen in raadkamer, de lekenmagistraten te voorzien van advies over de juridische aspecten van de zaak.
Youth Offending Teams (YOT’s) zijn qua rol het Engelse equivalent van de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering. YOT-medewerkers zijn doorgaans sociaal werkers die de rechtbank informeren over de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige en advies uitbrengen over mogelijke interventies. YOT-medewerkers zijn ook verantwoordelijk voor het toezicht op, en de begeleiding van jeugdigen in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis (‘bail’) of een straf of maatregel.
De Judicial Office heeft de auteur helaas geen toestemming verleend om ook rechters en lekenmagistraten te interviewen.
Zie o.m.: J. Staines, Youth Justice, Londen: Palgrave 2015.
K. Hawkins & N. Price, The Social Context of Sexual and Reproductive Health: A Framework for Social Analysis and Monitoring, Swansea: Centre for Development Studies, Swansea University 2002, p. 2.
J.A. Powell & S. Menendian, ‘The problem of othering: Towards inclusiveness and belonging’, Othering & Belonging: Expanding the Circle of Human Concern 2016, 1, p. 32.
Ibid.
Vgl. K. Haines & S. Case, Positive Youth Justice: Children First, Offenders Second, Bristol: Bristol University Press 2015.
Vgl. J.A. Powell & S. Menendian, ‘The problem of othering: Towards inclusiveness and belonging’, Othering & Belonging: Expanding the Circle of Human Concern 2016, 1, p. 14-39.
Voor een uitgebreidere theoretische onderbouwing van dit model wordt verwezen naar: Y.N. van den Brink, ‘Equality in The Youth Court. Meaning, Perceptions and Implications of The Principle of Equality in Youth Justice’, Youth Justice 2021, p. 1-27, DOI:10.1177/14732254211013420.
A. Boon, M. van Dorp & S. de Boer, ‘Oververtegenwoordiging van jongeren met een migratieachtergrond in de strafrechtketen’, Tijdschrift voor Criminologie 2018, 60(3), p. 268-288.
Y.N. van den Brink, ‘(On)gelijkheid in het jeugdstrafrecht’, FJR 2018/61 (afl. 11), p. 291.
Dit onderzoek omvatte – zoals gezegd – tevens een observatieonderzoek waarbij de auteur meer dan 200 jeugdzittingen (youth remand hearings) heeft bijgewoond. Eerder deed de auteur een soortgelijk observatieonderzoek in Nederlandse rechtbanken.
Zie hierover ook: Y.N. van den Brink, ‘Different But Equal? Exploring Potential Catalysts of Disparity in Remand Decision-Making in The Youth Court’, Social & Legal Studies 2021, p. 1-24, DOI: 10.1177/09646639211033709.
Deze bijdrage onderzoekt de betekenis en implicaties van het gelijkheidsbeginsel in het jeugdstrafrecht. Aan de hand van een kinderrechtelijke analyse van het gelijkheidsbeginsel en de bevindingen van een kwalitatief empirisch onderzoek dat is verricht in twee Engelse youth courts, wordt in deze bijdrage een conceptueel model voor gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak gepresenteerd en verkend wat de mogelijke implicaties daarvan zijn voor het Nederlandse jeugdstrafrecht.
1. Inleiding
Bijna vijfentwintig jaar geleden werd de tweede Nederlandse Strafrechtsdag gewijd aan de betekenis van het gelijkheidsbeginsel in het strafrecht. Destijds signaleerden Blad en Mevis dat “de realisering van de gelijkheid in het strafrecht […] tegelijkertijd een vanzelfsprekende notie [is] als een wel nimmer volledig te realiseren ideaal”.2 Inmiddels is het 2021 en is het thema gelijkheid volop actueel. Recente maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de opkomst van de Black Lives Matter beweging, hebben ook in Nederland het thema gelijkheid op de politieke agenda gezet. Toch is de aandacht voor dit thema in strafrechtelijke wetgeving, beleid en praktijk in Nederland – anders dan in bijvoorbeeld Engeland – nog altijd vrij gering, ook als het gaat om jeugd. Dit is opmerkelijk, zeker nu een groeiend aantal empirische onderzoeken laat zien dat gelijkheid in het Nederlandse jeugdstrafrecht inderdaad een lastig te realiseren ideaal lijkt te zijn.
Zo signaleren Boon, Van Dorp en De Boer dat in alle door hen onderzochte stadia van de Nederlandse jeugdstrafrechtsketen jeugdigen uit etnische minderheidsgroepen sterk oververtegenwoordigd zijn.3 Hetzelfde geldt voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking4 en jeugdigen met een lage sociaaleconomische status.5 Uit onderzoek van Van den Brink e.a. komt bovendien naar voren dat jeugdige verdachten met een migratieachtergrond, evenals jeugdigen met een licht verstandelijke beperking, in soortgelijke omstandigheden significant minder kans hebben te worden geschorst uit de voorlopige hechtenis dan jeugdige verdachten zonder migratieachtergrond en/of zonder verstandelijke beperking.6 Eerder vonden studies van Weenink en Wermink e.a. etnische ongelijkheden in beslissingen van officieren van justitie over de vervolging van jeugdige verdachten en in de straftoemeting door kinderrechters.7
Het is, kortom, hoog tijd om de betekenis en implicaties van het gelijkheidsbeginsel in het jeugdstrafrecht nader onder de loep te nemen. Deze bijdrage geeft hiertoe een aanzet en richt zich op de betekenis en implicaties van het gelijkheidsbeginsel voor de jeugdstrafrechtspraak8 en de ketenpartners die daarbij betrokken zijn. Allereerst zal het gelijkheidsbeginsel vanuit kinderrechtenperspectief worden geanalyseerd (par. 2). Vervolgens wordt verkend hoe in Engeland – waar gelijkheid sinds enkele jaren een speerpunt is in het officiële jeugdstrafrechtelijke beleidsdiscourse – wordt omgegaan met het waarborgen van gelijkheid in het jeugdstrafrecht en hoe dit beginsel wordt gepercipieerd en toegepast door professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk (par. 3). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de bevindingen van kwalitatief empirisch onderzoek in twee Engelse youth courts. Voorts wordt – voortbouwend op eerdere, internationale publicaties van de auteur in het kader van dit onderzoek9 – aan de hand van de kinderrechtelijke en empirische analyses een conceptueel model voor gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak uit de doeken gedaan (par. 4) en verkend wat de mogelijke implicaties daarvan zijn voor het jeugdstrafrecht in Nederland (par. 5).
2. Gelijkheid in het jeugdstrafrecht; een kinderrechtenperspectief
Gelijkheid is een fundamenteel beginsel dat niet alleen is vastgelegd in artikel 1 van de Nederlandse grondwet, maar ook stevig is verankerd in diverse internationale en Europese mensenrechtenverdragen, waaronder het vrijwel universeel geratificeerde Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).10 Artikel 2 lid 1 IVRK verplicht Staten om de rechten die in het Verdrag zijn neergelegd, te respecteren en te waarborgen voor elk kind binnen hun jurisdictie, zonder enige vorm van discriminatie, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. Dit beginsel van non-discriminatie wordt door het VN-Kinderrechtencomité formeel erkend als een van de vier ‘algemene beginselen’ van het IVRK en heeft tot doel de “gelijke toegang van kinderen tot [alle] rechten” te borgen.11 In dit verband stellen Arnardóttir en Besson dat gelijkheid en non-discriminatie in wezen twee kanten van dezelfde medaille zijn: gelijkheid heeft betrekking op de positieve dimensie van het bevorderen van gelijkheid (d.w.z. het bevorderen van gelijke bescherming en uitoefening van rechten), terwijl non-discriminatie verwijst naar de negatieve afwezigheid van discriminatie, die het verbiedt “vergelijkbare situaties verschillend te behandelen zonder een objectieve rechtvaardiging” om een onrechtmatige aantasting van de gelijke bescherming en uitoefening van rechten te voorkomen.12 Het VN-Kinderrechtencomité benadrukt dat de toepassing van het beginsel van non-discriminatie (c.q. gelijkheid) niet impliceert dat alle kinderen identiek moeten worden behandeld. In plaats daarvan dringt het Comité er bij Staten op aan om actief werk te maken van het identificeren van “individuele kinderen en groepen kinderen voor wie de erkenning en verwezenlijking van hun rechten speciale maatregelen kunnen vereisen”.13 Artikel 2 lid 1 IVRK omvat dus zowel het ideaal van formele gelijkheid (d.w.z. ‘gelijke erkenning van rechten’, ofwel alle kinderen hebben gelijkelijk recht op alle rechten en waarborgen die zijn neergelegd in het IVRK) als het ideaal van materiële gelijkheid (d.w.z. ‘gelijke verwezenlijking van rechten’, waarvoor een gedifferentieerde behandeling van kinderen nodig kan zijn om gelijke uitkomsten te bereiken).14
Vanuit kinderrechtenperspectief moet het gelijkheidsbeginsel dat besloten ligt in artikel 2 IVRK aldus in samenhang worden bezien met de andere rechten uit het IVRK. In de context van het jeugdstrafrecht zijn dat primair de rechten die zijn neergelegd in artikel 40 en 37 IVRK.15 Voor de jeugdstrafrechtspraak betekent dit allereerst dat alle jeugdige verdachten in gelijke mate recht hebben op een eerlijk proces, waaronder ook het recht om effectief te participeren in het strafproces moet worden begrepen. Verwezenlijking hiervan vereist niet alleen dat alle jeugdige verdachten formeel recht hebben op de procedurele waarborgen die zijn neergelegd in artikel 40 lid 2 IVRK, maar ook dat maatwerk wordt geleverd om deze eerlijk proces-waarborgen daadwerkelijk voor alle jeugdigen te realiseren. Zo zal voor een 12-jarige verdachte met een licht verstandelijke beperking een andere benadering nodig zijn om haar of hem effectief te laten participeren in het strafproces dan voor een 17-jarige verdachte zonder een dergelijke beperking. Voorts volgt uit het gelijkheidsbeginsel in de context van het jeugdstrafrecht dat als de rechter straffen, maatregelen of andersoortige interventies oplegt ten aanzien van jeugdigen, deze proportioneel moeten zijn ten aanzien van de ernst van het strafbare feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jeugdige (art. 40 lid 4 IVRK). Vrijheidsbeneming dient daarbij altijd een uiterste maatregel te zijn en enkel voor de kortst mogelijke passende duur te worden toegepast (art. 37 onder b IVRK). Het gelijkheidsbeginsel veronderstelt in dit verband dat in – qua ernst, verwijtbaarheid en omstandigheden – soortgelijke zaken de ene jeugdige niet veel zwaarder mag worden bestraft dan een andere jeugdige. Verder volgt uit het gelijkheidsbeginsel dat jeugdigen die worden onderworpen aan strafrechtelijk ingrijpen in gelijke mate de kans moeten krijgen om – indien nodig aan de hand van behandeling, hulp en begeleiding – succesvol te re-integreren en een constructieve rol in de samenleving aan te nemen (art. 40 lid 1 IVRK), hetgeen uiteindelijk ook bijdraagt aan de veiligheid in de samenleving en het voorkomen van recidive.16 Dit vereist maatwerk bij het opleggen van straffen, maatregelen en andere interventies ten aanzien van jeugdigen, waarbij rekening wordt gehouden met haar of zijn persoonlijkheid en omstandigheden.
In de praktijk zijn de betekenis en implicaties van het gelijkheidsbeginsel voor de procedure en besluitvorming in de jeugdstrafrechtspraak evenwel niet zonder meer eenduidig. Niet alleen vanwege de grote diversiteit aan jeugdigen en zaken waar kinderrechters mee te maken krijgen (wanneer is bijvoorbeeld sprake van een ‘soortgelijke zaak’?), maar ook omdat de jeugdstrafrechtspraak plaatsvindt binnen een samenleving die gekenmerkt wordt door structurele ongelijkheden – veelal langs de lijnen van etniciteit, geslacht, klasse en handicap – die tot uitdrukking komen in onder meer het onderwijs, de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg, huisvesting en politiecontacten.17 Deze structurele ongelijkheden kunnen het dagelijks leven van jeugdigen en hun ontwikkelingskansen diepgaand beïnvloeden en vergroten de kans dat vooral de meest kansarme jeugdigen voor de kinderrechter terechtkomen op verdenking van een strafbaar feit.18 Bovendien keren deze jeugdigen ook ná het contact met de kinderrechter veelal weer terug in diezelfde kansarme omstandigheden.19 Deze realiteit maakt het gelijkheidsbeginsel een bijzondere complexe notie in de praktijk van de jeugdstrafrechtspraak. Tegen deze achtergrond wordt in de volgende paragraaf verkend hoe het gelijkheidsbeginsel wordt gepercipieerd en toegepast door professionals in de praktijk van twee Engelse youth courts.
3. Percepties van gelijkheid in de praktijk van twee Engelse Youth Courts20
3.1 De beleidscontext
In Engeland staat het terugdringen van ongelijkheden in de jeugdstrafrechtsketen al enkele jaren hoog op de beleidsagenda. Zo heeft het Britse Ministerie van Justitie, op grond van de Equality Act 2010, de wettelijke plicht om een effectanalyse op het gebied van gelijkheid uit te voeren voor al zijn beleidsvoorstellen op het terrein van het jeugdstrafrecht. In deze effectanalyse moet worden beoordeeld of een beleidsvoorstel niet disproportioneel nadelig uitwerkt voor jeugdige verdachten met bepaalde ‘beschermde kenmerken’, zoals kenmerken gerelateerd aan etniciteit, geslacht of handicap.21 Verder heeft het Britse Judicial College een 561 pagina’s tellend Equal Treatment Bench Book opgesteld dat tot doel heeft rechters en magistraten te informeren en bij te staan bij hun taak om een eerlijke en gelijke behandeling van alle verdachten in de rechtszaal te waarborgen.22 Bovendien schrijven de straftoemetingsrichtlijnen voor jeugdigen voor dat rechters en magistraten bij de straftoemeting rekening moeten houden met de specifieke kwetsbaarheden en behoeften die verband houden met de ‘beschermde kenmerken’ van jeugdigen.23
In de afgelopen jaren is voorts specifiek beleid ontwikkeld dat beoogt de oververtegenwoordiging van jeugdigen uit etnische minderheden (veelal aangeduid als ‘Black, Asian and Minority Ethnic’, ofwel ‘BAME’ jeugdigen) in het strafrechtsysteem terug te dringen. Zo lanceerde het Britse Ministerie van Justitie in 2016 de zogenoemde Race Disparity Audit om systematisch gegevens te verzamelen die nodig zijn om etnische ongelijkheden te identificeren, onder meer in het jeugdstrafrecht.24 Voorts heeft een onafhankelijk onderzoek – de zogenoemde Lammy Review – naar de behandeling van, en uitkomsten voor verdachten met een BAME-achtergrond in het strafrechtsysteem geleid tot het incorporeren van het zogenoemde ‘Explain or Reform’ principe in het (jeugd)strafrechtsbeleid.25 Volgens dit principe moeten data die blijk geven van ongelijkheden in de strafrechtelijke besluitvorming, worden verantwoord door de betreffende autoriteiten. Wanneer een adequate uitleg en rechtvaardiging ontbreekt, is hervorming nodig.
Gesteld kan worden dat, als het gaat om het formeel erkennen en aanpakken van ongelijkheden in het jeugdstrafrecht door middel van officiële beleidsstrategieën, Engeland ogenschijnlijk voorloopt op Nederland.26 Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat ook in Engeland, ondanks het officiële beleidsdiscours, BAME-jeugdigen nog steeds sterk oververtegenwoordigd zijn in de jeugddetentiepopulatie27 en dat de implementatie van de aanbevelingen van de Lammy Review, volgens een evaluatie van het Justice Committee, nog te wensen overlaat.28 Desalniettemin is het de moeite waard om een blik te werpen op de percepties en toepassingen van het gelijkheidsbeginsel in de Engelse jeugdstrafrechtspraktijk.
3.2 Methodologie
Om een beeld te krijgen van de percepties en toepassingen van het gelijkheidsbeginsel in de Engelse jeugdstrafrechtspraktijk heeft de auteur semigestructureerde interviews afgenomen met 25 professionals die werkzaam zijn in een youth court, verspreid over twee Magistrates' Courts in een grote stad in Engeland. De interviews zijn eind 2019 en begin 2020 afgenomen in het kader van een kwalitatief empirisch onderzoek dat zich in het bijzonder richtte op de toepassing van voorlopige hechtenis in jeugdstrafzaken.29 Met toestemming van het Britse Ministerie van Justitie, Her Majesty's Courts and Tribunals Service en de Crown Prosecution Service, zijn interviews afgenomen met legal advisors30 (n=8), officieren van justitie (n= 4), advocaten (n=6) en Youth Offending Team (YOT) medewerkers31 (n=7).32 Al deze actoren spelen een centrale rol in de praktijk van de Engelse youth courts.33
De interviews zijn individueel en in persoon afgenomen en duurden tussen de 45 minuten en twee uur, met een gemiddelde duur van een uur en 15 minuten. De interviews zijn opgenomen, getranscribeerd en thematisch gecodeerd en geanalyseerd. Tijdens de interviews zijn de respondenten gevraagd te reflecteren op het gelijkheidsbeginsel in de jeugdstrafrechtspraak, mede aan de hand van twee vignetten (d.w.z. fictieve jeugdrechtszaken) die aan het begin van het interview aan hen zijn voorgelegd. Meer in het bijzonder is aan de respondenten gevraagd naar hun opvattingen over de vraag of en hoe kenmerken zoals geslacht, handicap, sociaaleconomische achterstand en etniciteit van jeugdige verdachten – en mogelijk daaraan gerelateerde sociale ongelijkheden – een rol (zouden moeten) spelen in het werkproces en de besluitvorming van de youth court.
De groep respondenten bestond uit 80% vrouwen en 20% mannen en voor bijna de helft uit professionals met een BAME-achtergrond. Ten tijde van het onderzoek werkten alle geïnterviewde professionals regelmatig in de youth court van (één van) de twee geselecteerde Magistrates’ Courts. De twee rechtbanken zijn gevestigd in cultureel diverse, stedelijke gebieden, wat ook tot uiting komt in de diversiteit van de jeugdige verdachten die voor de betreffende youth courts verschijnen.
3.3 Percepties van gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraktijk
Wat verstaan de geïnterviewde professionals onder gelijkheid in het jeugdstrafrecht en hoe geven zij daar zelf invulling aan in hun eigen praktijk? Uit de analyse van de bevindingen uit de interviews komt naar voren dat er in de context van de jeugdstrafrechtspraak grofweg drie met elkaar samenhangende dimensies van gelijkheid lijken te kunnen worden onderscheiden:
gelijkheid als ‘eerlijkheid’ (‘fairness’);
gelijkheid als ‘toegankelijkheid’ (‘access’); en
gelijkheid als ‘inclusiviteit en verbondenheid’ (‘belonging’).
‘Eerlijkheid’
Veel respondenten associëren de notie van gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak in de eerste plaats met ‘eerlijkheid’. Nadat de respondenten werd gevraagd te reflecteren op de betekenis van het gelijkheidsbeginsel in de praktijk van de youth court, verwijzen veel respondenten expliciet of impliciet naar het belang van het waarborgen van gelijke en eerlijke procedures en uitkomsten van besluitvorming voor alle jeugdige verdachten. Sommige respondenten benadrukken in dit verband dat gelijkheid vereist dat dezelfde beginselen en besluitvormingsstructuren gelden voor alle jeugdigen en dat er geen plaats is voor vooringenomenheid in de rechtszaal. Zo ook Legal advisor 7:
“I would always say to the magistrates: we treat everybody the same. I hope that I treat everybody the same. […] I mean, everyone’s got prejudices. They have. But you leave them at the court room door and you follow the same [principled decision-making] structure for everybody. So everybody starts at the same place when they’re making that decision.”
Andere respondenten benadrukken dat gelijkheid in de eerste plaats een geïndividualiseerde aanpak op maat vereist. Hun opvattingen gaan uit van het vertrekpunt dat gelijkheid niet kan worden gerealiseerd zonder erkenning en respect voor menselijke diversiteit. Illustratief is de reactie van Legal advisor 4 op de vraag wat het gelijkheidsbeginsel in de jeugdstrafrechtspraak voor haar betekent:
“You mean the principle of equality and diversity. We treat everybody equally, we don’t treat everybody the same. That are two different things. If you treat everybody the same, chances are that the shirt that fits defendant A does not fit defendant B. We use the same principles, but we take each person’s circumstances into account. That’s why youth hearings take longer than adult cases, because the YOT usually has a lot of information to tell us.”
Verschillende respondenten wijzen erop dat differentiatie in behandeling en beslissingen in de youth court moet zijn gebaseerd op individuele omstandigheden die verband houden met de specifieke jeugdigen en hun zaken. Op de vraag of structurele maatschappelijke ongelijkheden (op groepsniveau) – bijvoorbeeld langs de lijnen van etniciteit, geslacht en klasse – in aanmerking moeten worden genomen of zelfs moeten worden gezien als mitigerende omstandigheden bij de omgang met een individuele jeugdige verdachte uit een achtergestelde sociale groep, reageren de meeste respondenten terughoudend of zelfs sterk afwijzend. Zo ook Legal advisor 8:
“People need to be treated fairly, so if somebody deserves a sentence because a certain offence he committed, he should get that sentence. We should not be thinking: because they are Black or whatever, I will not impose that sentence. I don’t agree with that at all. If the offence deserves a particular sentence, that sentence should be imposed, regardless of race, gender, etcetera.”
De bevindingen overziend, lijkt ‘eerlijkheid’ te worden beschouwd als een integraal onderdeel van gelijkheid in het kader van de jeugdstrafrechtspraak. Gelijkheid als ‘eerlijkheid’ vraagt volgens de respondenten om een consistente toepassing van beginselen, rechten en besluitvormingsstructuren, het buiten de deur houden van vooroordelen en een aanpak op maat waarin rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van de jeugdige. Bredere maatschappelijke ongelijkheden mogen volgens de meeste respondenten enkel een rol spelen in de besluitvorming over een jeugdige verdachte indien deze ongelijkheden direct en evident betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de betreffende verdachte.
‘Toegankelijkheid’
Een tweede dimensie van gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak die kan worden onderscheiden op basis van de interviews met de professionals die werkzaam zijn in de youth courts is ‘toegankelijkheid’. Gevraagd naar de betekenis van gelijkheid in het jeugdstrafrecht associëren verschillende respondenten – met name geïnterviewde YOT-medewerkers – dit beginsel vooral met toegang tot informatie, diensten en ontwikkelingsmogelijkheden. Zoals YOT-medewerker 6 stelt:
“I think it [equality] means giving all young people access to a fair and just system, access to information, access to opportunity, full well understanding that they're not all from the same socioeconomic, ethnic, ability background.”
Verschillende geïnterviewde YOT-medewerkers benadrukken het belang van het beschikbaar hebben van een breed scala aan hoogwaardige interventies en ondersteunende diensten in het jeugdstrafrecht – waaronder geestelijke gezondheidszorg, educatieve programma’s, ondersteunende netwerken en alternatieven voor detentie – die voor alle kinderen gelijkelijk toegankelijk moeten zijn. Zoals YOT-medewerker 3 uitlegt:
“In terms of equality, I mean everybody should have access to all the services. So, you wouldn’t discriminate somebody who needs a service and they should have equal access to it. But equality can also mean that you take an individual approach to it and take things on a case-by-case example. But you have got to have certain standards so that children get the same quality of service, in effect, but you take into account each individual child’s needs. So that wouldn’t mean that they are getting the same intervention as others, but they should have equal access to all the services they need.”
Tijdens de interviews wordt er ook op gewezen dat gelijke toegang tot diensten en eerlijke procedures enkel kan worden geborgd als jeugdige verdachten toegang hebben tot informatie in begrijpelijke taal. Volgens YOT-medewerker 7 is begrijpelijk taalgebruik cruciaal voor het waarborgen van gelijkheid in het jeugdstrafproces:
“Equality is what we are lacking quite in court, in terms of language. Many children in our youth justice system have communication difficulties. Yet, the way our system speaks to them is… we are using long words, using acronyms. That’s not equality. They are not having equal access to a service, because they probably don’t understand what you are saying. A lot of our job [as a YOT officer] is going outside the court room and explaining it in real English. I try to leave out the legal jargon and talk to them in a simplified way that they might understand.”
Uit de bevindingen volgt aldus dat gelijke toegang tot hoogwaardige diensten (bijvoorbeeld hulpverlening, behandeling, rechtsbijstand) en begrijpelijke informatie wordt beschouwd als essentieel voor het waarborgen van een eerlijk proces en noodzakelijk voor het bieden van gelijke kansen voor alle kinderen om succesvol te re-integreren in de samenleving. In dit verband kan uit de literatuur – voortbouwend op het werk van Hawkins en Price – worden afgeleid dat gelijke toegang tot diensten en informatie in de context van het jeugdstrafrecht vereist dat diensten en informatie kunnen worden verkregen ‘op een niveau van inspanning, en van financiële en sociale kosten, dat aanvaardbaar is voor en binnen de middelen die (kans)arme, gemarginaliseerde jeugdigen en ouders tot hun beschikking hebben’.34
‘Inclusiviteit en verbondenheid’
Ten derde blijkt uit de interviews met de professionals van de youth courts dat de percepties van gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak verder gaan dan noties van gelijke, eerlijke behandeling en uitkomsten en gelijke toegang tot diensten en informatie. Gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak wordt ook geassocieerd met een diepere, persoonlijke laag van (ervaren) inclusiviteit, begrip en verbinding. Deze laag van gelijkheid kan worden gevat door het Engelse begrip ‘belonging’ (vrij vertaald: ‘inclusiviteit en verbondenheid’), dat in de literatuur door Powell en Menendian is gedefinieerd als “acommitment to not simply tolerating and respecting difference but to ensuring that all people are welcome and feel that they belong in the society”.35 Dit concept onderstreept het belang om ‘de ander’ te beschouwen als mens dat – ondanks onderlinge verschillen – deel uitmaakt van de samenleving, en benadrukt dat het gebruik van negatieve stereotypen moet worden vermeden.36
Het belang van het humaniseren van jeugdige verdachten in de youth court wordt tijdens de interviews door meerdere respondenten benadrukt. In plaats van deze jeugdigen te zien als criminelen die een gevaar vormen voor de samenleving, moeten jeugdige verdachten eerst en vooral worden gezien als kinderen die deel uitmaken van de samenleving.37 Zoals YOT-medewerker 7 uitlegt:
“Most of our children [in the youth justice system] have faced real hardship. So instead of looking at them as just naughty, arguably they are just really disadvantaged, traumatized children.”
Gerelateerd aan het humaniseren van jeugdige verdachten wordt tijdens de interviews ook gewezen op het belang dat alle actoren in de jeugdstrafrechtspraktijk zich onthouden van stereotyperend en stigmatiserend taalgebruik. De geïnterviewde YOT-medewerker 7 constateert dat stigmatiserend taalgebruik vooral jeugdigen met een BAME-achtergrond treft:
“What I notice in the system is the language used: the White boys are just White boys who commit offences all the time, but are never called a ‘gang’. The Black boys are always called a gang. Judges will always ask: are they in a gang? CPS [Crown Prosecution Service] and police say: they are in a gang. I don’t like language like that. I think we should stop saying ‘gang’. Because if you stop saying it, you have to say what you mean. And what you are then saying is: he has got a group of friends and they are all involved in similar activities. Because if you say: ‘he is in a gang’, he is labelled. The weight that that carries is so heavy in lots of decisions thereafter. So CPS is saying ‘he is gang-connected’, because the police is saying that, and then the judge takes it over. Tiny little things like that, language, can have a huge impact. I try to be very conscious with language in my own reports.”
Verder wijzen verschillende respondenten erop dat gelijkheid in de youth court ook een dieper niveau van inclusiviteit, begrip en verbinding tussen de jeugdige verdachte en de kinderrechters en andere professionals in de zittingszaal vereist. Dit vraagt volgens deze respondenten om diversiteit van professionals in de zittingszaal, met name diversiteit van kinderrechters binnen een zittingscombinatie. Als een dergelijk dieper niveau van (ervaren) begrip en verbinding in de rechtbank ontbreekt, is er geen sprake van gelijkheid als ‘belonging’. Dit kan een negatieve invloed hebben op de gelijkheid op meerdere niveaus van het jeugdstrafproces: van ongelijkheden in termen van effectieve participatie van de verdachte tot mogelijke vooroordelen die de besluitvorming van de rechtbank kunnen beïnvloeden, zoals Legal advisor 8 – die zelf een BAME-achtergrond heeft – treffend illustreert:
“For a Black young person in court, and let’s say there is a bench of three middle class White magistrates, he [the young person] thinks: ‘they are never going to understand where I am coming from’. So they are already defensive and approach the bench with a defence, closed up, before we have even started. So you find when the bench is trying to engage with them, they are not interested in engaging with the bench, because they think: ‘you are not going to understand me anyway’. I have actually seen examples of that, sitting as legal adviser in court. I vividly remember one case, it was a stabbing case. The defendant was Black and involved in a gang and in danger of his life. His mother told the court that they were trying to move out of the area because of his safety, but they couldn’t. And now he was attacked and used his knife to defend himself. I remember one of the magistrates saying: ‘if this was my child, I would have just moved out of the area’. And I said: ‘yes, but that’s because you are a White middle class man who probably owns your own property. If you are in social housing, how can you just move?’ So those kind of things.”
Legal advisor 4 geeft eveneens een treffend voorbeeld van waarom (culturele) diversiteit van de professionals in de rechtbank van belang is:
“[Diversity] is important, because – for example – a magistrate who comes from ‘Suburbia’, who is not used to Black people or whatever, it is not that they are deliberately going to make decisions that are biased towards a Black child, but they may not necessarily understand the reasons why this child is now living with an uncle and why dad is living in Nigeria. But to an African family, that’s no problem. If you come from a Nigerian family, we inherit from our mother’s side. So if I have children, it is my brother’s responsibility to keep an eye on my kids, even though my kids have got a father. So if my husband decides that he is not going to look after my kids, the family expects my brother to step in. So if a kid like that comes into court and says ‘I am living with my uncle’, the magistrates might think ‘that is irresponsible’ [from a White, Western perspective], while to us that is the ultimate responsibility! So that’s why it is important that we keep an open mind. But those prejudices will always be there, everyone has them, but the most important thing is that you know you got them and that you guard against them. So training and an ethnic mix of people are important. Because if you have a bench with only White people, then there is no other experience to bounce ideas off or to be educated in that sense.”
Vrijwel alle geïnterviewde legal advisors, officieren van justitie, advocaten en YOT-medewerkers erkennen het belang van diversiteit binnen de rechtbank en binnen hun eigen organisatie of beroepsgroep; niet alleen etnische en culturele diversiteit, maar ook diversiteit in termen van geslacht, sociale klasse en leeftijd. Een gedeelde opvatting onder de respondenten lijkt te zijn dat de rechtszaal een afspiegeling moet zijn van de samenleving, inclusief haar diversiteit. Dit draagt bij aan een rechtspraktijk waarin verdachten niet worden gezien als ‘de ander’, maar als gelijkwaardige leden van diezelfde samenleving die de rechtbank beoogt te dienen.38
4. Naar een conceptueel model voor gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak
In de voorgaande paragrafen is de betekenis van het gelijkheidsbeginsel in de jeugdrechtbank onderzocht, gebaseerd op een kinderrechtelijke analyse en een verkenning van percepties van professionals uit de Engelse jeugdstrafrechtspraktijk. Op basis van de kinderrechtelijke analyse kan worden gesteld dat het gelijkheidsbeginsel in het jeugdstrafrecht in samenhang moet worden beschouwd met andere kernbeginselen van het jeugdstrafrecht, waaronder in elk geval de beginselen van een eerlijk proces, proportionaliteit en re-integratie. Deze beginselen vormen daarmee drie belangrijke ‘variabelen’ op basis waarvan gelijkheid in het jeugdstrafrecht kan worden gemeten en beoordeeld. Met andere woorden: gelijkheid in de behandeling van, en uitkomsten voor verschillende jeugdige verdachten in het jeugdstrafproces kan worden geëvalueerd aan de hand van het meten en beoordelen van: (1) de verwezenlijking van de eerlijk procesrechten (inclusief effectieve participatie) van jeugdige verdachten, (2) de proportionaliteit van de zwaarte van de straf, maatregel of andere opgelegde interventies, en (3) de verwezenlijking van de doelstelling om de jeugdige succesvol te re-integreren en een constructieve rol in de samenleving te doen aanvaarden.
Voorts heeft de verkenning van de percepties onder professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk drie dimensies van gelijkheid aan het licht gebracht: (i) eerlijkheid, (ii) toegankelijkheid en (iii) inclusiviteit en verbondenheid. Deze dimensies hangen met elkaar samen en overlappen gedeeltelijk. Zo vereist een eerlijke procedure, waarin een jeugdige verdachte effectief kan participeren, niet alleen dat de jeugdige toegang heeft tot informatie en bijstand, maar ook dat hij of zij zich op zijn minst enigszins begrepen, verbonden en als volwaardig mens bejegend voelt door de rechters en overige actoren in de rechtszaal. Deze dimensies kunnen worden gezien als integrale onderdelen van het gelijkheidsbeginsel zelf, terwijl de drie eerder genoemde variabelen gebaseerd zijn op de samenhang van gelijkheid met andere kernbeginselen van het jeugdstrafrecht. Desalniettemin zijn de onderscheiden dimensies en de variabelen ook sterk met elkaar verbonden, aangezien eerlijkheid, toegankelijkheid en inclusiviteit en verbondenheid belangrijke vereisten zijn voor het nastreven en bereiken van gelijkheid in termen van een eerlijk proces, proportionele interventies en kansen op succesvolle re-integratie.
Aldus kunnen de genoemde dimensies en variabelen samen de basis vormen van een conceptueel model voor gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak (zie figuur 1). Dit model is gebaseerd op verkennend onderzoek en vereist nadere operationalisering en vervolgonderzoek, maar kan mogelijk toch reeds van waarde zijn voor beleidsmakers, onderzoekers en professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk, ook in Nederland.
Figuur 1: Model voor gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak39
5. Enkele reflecties op het gelijkheidsbeginsel in het Nederlandse jeugdstrafrecht
In het Nederlandse jeugdstrafrecht is er op wetgevings-, beleids- en praktijkniveau, in vergelijking tot Engeland, relatief weinig aandacht voor het signaleren en aanpakken van ongelijkheden in de jeugdstrafrechtsketen. Dit lijkt niet langer houdbaar, nu diverse onderzoeken laten zien dat ongelijkheden wel degelijk bestaan in het Nederlandse jeugdstrafrecht en het gelijkheidsbeginsel – onder meer op grond van artikel 2 lid 1 IVRK – onverkort van toepassing is. In deze slotparagraaf wordt gereflecteerd op de vraag wat de Nederlandse wetgever, beleidsmakers en professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk mogelijk kunnen leren van de geschetste Engelse benadering, alsook hoe het bovenstaande conceptuele model zou kunnen bijdragen aan het versterken van gelijkheid in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraak.
Allereerst is het van belang dat eventuele ongelijkheden in de behandeling van, en besluitvorming over jeugdige verdachten in de jeugdstrafrechtsketen worden geïdentificeerd en in kaart worden gebracht. Zoals Boon, Van Dorp en De Boer40 – alsook de auteur41 – reeds signaleerden, kan dit alleen als structureel data worden verzameld over de behandeling van, beslissingen over, en uitkomsten voor jeugdige verdachten door de gehele jeugdstrafrechtsketen heen, waarbij steeds diverse kenmerken van de jeugdige verdachten worden vastgelegd, zoals leeftijd, migratieachtergrond, geslacht, verstandelijke beperking, psychische problematiek en kenmerken die inzicht geven in de sociaaleconomische status van de jeugdigen. Zonder dergelijke data is het welhaast onmogelijk om ongelijkheden te identificeren, laat staan om deze aan te pakken. Dergelijke data maken het bijvoorbeeld mogelijk om – naar Engels voorbeeld – een verplichte ‘gelijkheidstoetsing’ in te voeren voor nieuwe wets- en beleidsvoorstellen op het terrein van het jeugdstrafrecht om mogelijke disproportioneel nadelige effecten van wets- en beleidsvoorstellen op jeugdigen met bepaalde kenmerken in kaart te brengen. Ook liggen dergelijke data aan de basis van het in Engeland geïmplementeerde ‘Explain or Reform’-beginsel, dat voorschrijft dat als uit data blijkt dat in bepaalde beslissingen in de jeugdstrafrechtsketen ogenschijnlijk ongelijkheden optreden, de verantwoordelijke autoriteiten deze dienen te onderzoeken en verantwoorden. Kunnen zij de gesignaleerde ongelijkheden niet rechtvaardigen, dan moet de betreffende beslispraktijk worden hervormd. Het verdient aanbeveling om de invoering van een dergelijke ‘gelijkheidstoetsing’ van wet en beleid, alsook van het genoemde ‘Explain or Reform’-beginsel, in het Nederlandse (jeugd)strafrecht serieus te overwegen.
Bij de monitoring van gelijkheid in de jeugdstrafrechtspraak is het, voortbouwend op het bovenstaande model (zie figuur 1), van belang dat gelijkheid wordt gemeten en beoordeeld op basis van verschillende variabelen, gerelateerd aan de beginselen van een eerlijk proces, proportionaliteit en re-integratie. Mocht bijvoorbeeld uit de data naar voren komen dat de doorlooptijden van zaken van jeugdige verdachten met een migratieachtergrond significant langer zijn (vgl. eerlijk proces), dat veroordeelde jongens in soortgelijke zaken significant zwaardere straffen krijgen dan meisjes (vgl. proportionaliteit) of dat jeugdigen met een licht verstandelijke beperking significant sneller en meer recidiveren na een veroordeling (vgl. re-integratie), dan zijn dit allemaal bevindingen die potentieel op gespannen voet staan met het gelijkheidsbeginsel en om nader onderzoek en mogelijk hervorming vragen. Deze hypothetische voorbeelden van ongelijkheden illustreren het belang dat verschillende kernvariabelen worden meegenomen in het monitoren van gelijkheid in het jeugdstrafrecht en dat bijvoorbeeld niet enkel de focus ligt op gelijkheid in de zwaarte van opgelegde straffen. Bovendien verdient het aanbeveling om in de monitoring van gelijkheid in het jeugdstrafrecht aandacht te hebben voor de verschillende dimensies van gelijkheid, te weten: (1) ‘eerlijkheid’, (2) ‘toegankelijkheid’ en (3) ‘inclusiviteit en verbondenheid’ (zie figuur 1). Met name die laatste dimensie vraagt ook om kwalitatieve evaluaties van de jeugdstrafrechtspraktijk, bijvoorbeeld onderzoek waarin jeugdige verdachten met uiteenlopende kenmerken en achtergronden worden bevraagd over hun ervaringen met de jeugdstrafrechtsprocedure.
Naast data-verzameling, monitoring en mogelijke hervormingsinitiatieven op nationaal niveau, kunnen ook op lokaal niveau initiatieven worden ontwikkeld om ongelijkheden in de jeugdstrafrechtsketen tegen te gaan. Zo zijn er in het Engelse arrondissement waar de auteur zijn onderzoek heeft verricht lokale Youth Offending Teams (YOTs) die zelf data bijhouden om gelijkheid in de behandeling van, en uitkomsten voor jeugdige verdachte in hun arrondissement te monitoren en die een werkproces hebben ontwikkeld waarin YOT-rapportages intern worden gecheckt op stereotyperend taalgebruik en impliciete vooroordelen die mogelijk in een rapport besloten liggen voordat deze worden ingediend bij de rechtbank. Ook organiseren de betreffende lokale YOTs regelmatig bijeenkomsten met lokale ketenpartners om te bezien hoe gezamenlijk de oververtegenwoordiging van BAME-jeugdigen in detentie kan worden teruggedrongen. Soortgelijke initiatieven zouden ook in Nederland op lokaal niveau kunnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld binnen (vestigingen van) de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Ook initiatieven om de diversiteit binnen de professionals in de jeugdstrafrechtsketen, waaronder ook de rechterlijke macht, te vergroten, kunnen (deels) op lokaal niveau gestalte krijgen, zodat de professionals in de zittingszaal zoveel mogelijk de diversiteit van de lokale gemeenschap weerspiegelen waar veelal ook de jeugdige verdachten deel van uitmaken. In dit kader kan overigens worden opgemerkt dat de etnische en culturele diversiteit van de professionals in de zittingszaal in de grootstedelijke Engelse youth courts waar de auteur onderzoek heeft gedaan42 vele malen groter was dan in de doorsnee grootstedelijke rechtbank in Nederland.
Tot slot hebben individuele professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk – waaronder kinderrechters, officieren van justitie, advocaten en medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering – ook een eigen verantwoordelijkheid om het gelijkheidsbeginsel zo adequaat mogelijk te borgen in hun werk.43 De implicaties van het gelijkheidsbeginsel voor de praktijk van bijvoorbeeld de kinderrechter kunnen – zoals in deze bijdrage uiteen is gezet – variëren van het afstemmen van de bejegening van een jeugdige verdachte ter zitting op haar of zijn vermogens, het leveren van maatwerk bij het opleggen van interventies, en het voorkomen van disproportionele ongelijkheden in de zwaarte van straffen en maatregelen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, tot aan het alert zijn op (onbewuste) vooroordelen en het vermijden van stereotyperend en stigmatiserend taalgebruik. Het in deze bijdrage gepresenteerde model kan mogelijk structuur bieden bij het positioneren van dergelijke uiteenlopende praktische toepassingen binnen het overkoepelende concept van gelijkheid in het jeugdstrafrecht. Gestructureerde reflecties van professionals uit de jeugdstrafrechtspraktijk over hoe gelijkheid kan worden gewaarborgd, zouden idealiter een vast onderdeel moeten zijn van hun werkproces in iedere individuele zaak.
Uiteindelijk sterkt het gelijkheidsbeginsel in het jeugdstrafrecht immers tot bescherming van de individuele jeugdige verdachte (ongeacht etniciteit, geslacht, handicap of andere kenmerken), opdat haar of zijn rechten, met inachtneming van haar of zijn persoonlijke omstandigheden, zo optimaal mogelijk worden geëerbiedigd. Hopelijk kunnen dergelijke inspanningen van professionals in de jeugdstrafrechtsketen, gecombineerd met de voorgestelde initiatieven op wetgevings- en beleidsniveau, bijdragen aan het zo volledig mogelijk realiseren van dit ideaal in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraak.