HR, 09-02-2024, nr. 21/04669
21/04669
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-02-2024
- Zaaknummer
21/04669
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:77, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑02‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:2791
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑02‑2024
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/261
NLF 2024/0454 met annotatie van Raoul Ramautarsing
Douanerechtspraak 2024/17 met annotatie van Hollebeek, J.A.H.
BNB 2024/38 met annotatie van G.J. van Slooten
NTFR 2024/1193
Viditax (FutD) 2024020910
FutD 2024-0362
Uitspraak 09‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Douanerechten; posten 8703 10 18 en 8713 90 00 van de GN; tariefindeling van scootmobielen; automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer of invalidenwagens, ook indien met motor of ander voortbewegingsmechanisme.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04669
Datum 9 februari 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2021, nr. 20/002661., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/3058) betreffende een aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling van douanerechten.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Andringa, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende een geschrift ingediend. De Hoge Raad slaat op dat stuk geen acht.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
De bestreden uitspraak van het Hof betreft de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (tekst 2013 en 2014; hierna: de GN) van – voor zover in cassatie van belang – voertuigen die zijn ontworpen voor het vervoer van één persoon, die worden aangedreven door een elektromotor werkend op twee oplaadbare batterijen van 12 volt, die een maximumsnelheid van 15 kilometer per uur kunnen bereiken, die een niet-geïntegreerde, verstelbare stuurkolom hebben, en die verder de in rechtsoverwegingen 2.1 en – in aanvulling daarop – 5.4 van de uitspraak van het Hof omschreven kenmerken en eigenschappen hebben. Dergelijke voertuigen worden ook wel scootmobielen genoemd.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de hiervoor in 2.1 bedoelde voertuigen (hierna: de betrokken scootmobielen) moeten worden ingedeeld onder post 8703 van de GN, namelijk als “automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer (andere dan die bedoeld bij post 8702), (…)”, dan wel onder post 8713 van de GN als “invalidenwagens, ook indien met motor of ander voortbewegingsmechanisme”.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 december 2010, Lecson Elektromobile GmbH, C-12/10, ECLI:EU:C:2010:823 (hierna: het arrest Lecson), en het arrest van 26 mei 2016, Invamed Group Ltd e.a., C-198/15, ECLI:EU:C:2016:362 (hierna: het arrest Invamed), de betrokken scootmobielen niet als invalidenwagen in de zin van post 8713 van de GN kunnen worden beschouwd. Om als invalidenwagen te kunnen worden aangemerkt is, aldus het Hof, vereist dat het voertuig specifiek en uitsluitend is bestemd voor personen die getroffen zijn door een meer dan marginale beperking van hun loopvermogen. Aan dat vereiste voldoen volgens het Hof de betrokken scootmobielen niet. Zij beschikken, aldus het Hof niet over speciale voorzieningen om een meer dan marginale beperking van het loopvermogen te verlichten, bijvoorbeeld voet- of beensteunen om de voeten of benen te stabiliseren. Uit de door belanghebbende aangedragen kenmerken en eigenschappen zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.4 van zijn uitspraak volgt niet dat de betrokken scootmobielen zijn bestemd om specifiek door invalide personen te worden gebruikt, omdat al die kenmerken en eigenschappen evenzeer van belang zijn bij gebruik van de betrokken scootmobielen door andere personen dan invaliden, aldus het Hof.
2.3
De middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij bestrijden onder meer dat voor indeling in post 8713 van de GN is vereist dat de betrokken scootmobielen speciale voorzieningen op het voertuig moeten hebben om de meer dan marginale beperking van het loopvermogen te verlichten. De middelen betogen dat voor indeling in post 8713 van de GN volstaat dat het voertuig zelf de beperkingen van het loopvermogen opheft. Volgens de middelen heeft het Hof miskend dat het Hof van Justitie met hetgeen is geoordeeld in punt 26 van het arrest Invamed is teruggekomen van de in het arrest Lecson omschreven draagwijdte van post 8713 van de GN. Uit punt 26 van het arrest Invamed leiden de middelen juist af dat alle scootmobielen, dus ook de betrokken scootmobielen, moeten worden ingedeeld onder post 8713 van de GN.Volgens de middelen loopt de rechtspraak in lidstaten over de tariefindeling van scootmobielen uiteen en, mede gelet daarop, voeren de middelen aan dat het niet clair of éclairé is dat voertuigen als de betrokken scootmobielen moeten worden ingedeeld onder post 8703 van de GN. De Hoge Raad zou daarom volgens de middelen het oordeel van het Hof niet eerder mogen bevestigen dan nadat hij het Hof van Justitie door middel van het stellen van een of meer prejudiciële vragen daarover heeft geraadpleegd.
2.4.1
Anders dan de middelen betogen, moet uit de punten 21 tot en met 24 van het arrest Invamed worden afgeleid dat het Hof van Justitie – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – vasthoudt aan de in het arrest Lecson neergelegde criteria om een voertuig aan te merken als invalidenwagen. Daarvoor is dus ook na het arrest Invamed voor indeling onder post 8713 van de GN vereist dat het voertuig is bestemd als hulpmiddel uitsluitend en specifiek voor invaliden, in die zin dat het voertuig is voorzien van speciale uitrusting ter verlichting van handicaps.De middelen doen een beroep op punt 26 van het arrest Invamed. Deze overweging moet worden begrepen in het licht van hetgeen het Hof van Justitie overigens in dat arrest heeft overwogen, in het bijzonder in punt 25. In de punten 25 en 26 verduidelijkt het Hof van Justitie hoe de nationale rechter het voorziene gebruik van een voertuig moet vaststellen.In punt 25 van het arrest Invamed brengt het Hof van Justitie, onder verwijzing naar het arrest Lecson, zijn oordeel in herinnering – in het kader van de uitleg van post 8703 van de GN – dat de enkele omstandigheid dat elektromobielen door invaliden kunnen worden gebruikt of zelfs voor gebruik door hen kunnen worden aangepast, niet van invloed is op de tariefindeling van dergelijke voertuigen onder post 8703 van de GN, aangezien elektromobielen ook voor de uitoefening van andere activiteiten kunnen worden gebruikt door personen zonder handicap, die zich om de een of andere reden anders dan te voet willen verplaatsen over kleine afstanden, bijvoorbeeld golfspelers of het winkelend publiek.In punt 26 van het arrest Invamed verduidelijkt het Hof van Justitie vervolgens – en dan in het kader van de uitleg van post 8713 van de GN – dat het feit dat eventueel ook personen zonder handicap een invalidenwagen kunnen gebruiken, geen invloed heeft op de indeling van dit voertuig onder post 8713 van de GN.
2.4.2
Uit het arrest Invamed kan – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – niet worden afgeleid dat elk voertuig dat in de handel onder de benaming scootmobiel wordt verkocht, zonder meer een invalidenwagen is in de zin van post 8713 van de GN. Het Hof van Justitie bevestigt in dit arrest2.veeleer dat het de nationale rechter de criteria aanreikt aan de hand waarvan deze nationale rechter in voorkomend geval moet onderzoeken of een voertuig, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen op het tijdstip van de invoer van dat voertuig, een vervoermiddel is voor personen in het algemeen dan wel ertoe dient om uitsluitend en specifiek door invalide personen te worden gebruikt. De nationale rechter moet aan de hand van dat onderzoek dus beoordelen wat als het wezenlijke of logische gebruik van het voertuig in kwestie moet worden aangemerkt.
2.4.3
Uit de punten 19 tot en met 23 van het arrest Lecson volgt dat naar het oordeel van het Hof van Justitie een speciale uitrusting van het voertuig ter verlichting van de handicaps van invaliden het beslissende criterium is voor indeling onder post 8713 van de GN. Anders dan de middelen I tot en met III tot uitgangspunt nemen, volstaat voor indeling onder post 8713 van de GN dus niet dat een drie- of vierwielige elektromobiel zonder meer beperkingen van het loopvermogen opheft.
2.4.4
De hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof geven, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 tot en met 2.4.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen als verweven met waarderingen van feitelijke aard door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De middelen falen in zoverre.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑02‑2024
Vgl. de punten 16 en 23 van het arrest Invamed.
Beroepschrift 09‑02‑2024
Edelhoogachtbaar college,
Namens mijn cliënte [X] B.V., door wie ik ben gemachtigd en die voor deze zaak woonplaats kiest op mijn kantoor aan […] te […], heb ik hierbij de eer om bij uw Raad beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2021 met kenmerk 20//00266.
1. Inleiding
Dit cassatieberoep heeft betrekking op een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de indeling van scootmobielen in het douanetarief. Belanghebbende is importeur van scootmobielen en heeft in die hoedanigheid in 2013 en 2014 meerdere aangiften voor het vrije verkeer laten indienen waarbij scootmobielen en onderdelen voor scootmobielen in het vrije verkeer zijn gebracht. De scootmobielen zijn aangegeven onder post 8713.9000 voor invalidewagens. Volgens de Douane hadden deze scootmobielen moeten worden aangegeven onder post 8703.1018 voor ‘motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer’.
In verband met de andere indeling heeft de Douane in 2016 een Uitnodiging tot Betaling (‘UTB’) opgelegd aan [X] B.V. ter navordering van douanerechten die verschuldigd zouden zijn over de invoer van de scootmobielen (10%) en onderdelen voor scootmobielen (3%). Tegen de UTB is bezwaar en vervolgens beroep, en hoger beroep ingesteld. De Rechtbank en het Gerechtshof hebben de Douane in het gelijk gesteld. Een kopie van de uitspraak van het Gerechtshof is bijgevoegd.
Voordat ik in ga op de cassatiemiddelen zal ik eerst relevante wet- en regelgeving noemen en een samenvatting geven van de wijze waarop tot op heden in de mij bekende rechtspraak over de indeling van scootmobielen is beslist
2. Relevante wet- & regelgeving
De relevante posten in de gecombineerde nomenclatuur luiden:
‘8703 | Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer (andere dan die bedoeld bij post 8702), motorvoertuigen van het type stationwagen of break en racewagens daaronder begrepen: |
8703 10 | - voertuigen, speciaal ontworpen voor het zich verplaatsen op sneeuw; speciale voertuigen voor het vervoer van personen op golfvelden en dergelijke voertuigen: |
8703 10 11 | -- voertuigen, speciaal ontworpen voor het zich verplaatsen op sneeuw, met een motor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) of met vonkontsteking |
8703 10 18 -- andere
8713 Invalidenwagens, ook indien met motor of ander voortbewegingsmechanisme:
8713 10 00 — zonder voortbewegingsmechanisme
8713 90 00 — andere’
De Duitse tekst van post 8713 luidt overigens ‘Rollstühle und andere Fahrzeuge für Behinderte’ en lijkt daarom meer expliciet onderscheid te maken tussen (gemotoriseerde) rolstoelen en andere (gemotoriseerde) voertuigen voor invaliden.
GS toelichting
De toelichting van de Wereld Douane Organisatie op GS-post 8713 luidt:
‘87.13 | - | Carriages for disabled persons, whether or not motorised or otherwise mechanically propelled. |
8713.10 — Not mechanically propelled 8713.90 — Other |
This heading covers carriages, wheelchairs, or similar vehicles, specially designed for the transport of disabled persons, whether or not fitted with means of mechanical propulsion.
Vehicles fitted with means of mechanical propulsion are usually driven by a light motor, or propelled by hand by means of a lever or handle-operated mechanism. The other carriages for disabled persons are pushed by hand or propelled by direct manual operation of the wheels.
The heading excludes :
- (a)
Normal vehicles simply adapted for use by disabled persons (for example, a motor car fitted with a hand-operated clutch, accelerator, etc. (heading 87.03), or a bicycle fitted with a special attachment and pedalled with one foot (heading 87.12).
- (b)
Trolley-stretchers (heading 94.02).’
GN toelichting
Op 4 januari 2005 publiceert Europese Commissie een toelichting op de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) waarin staat dat elektrisch aangedreven rolstoelen onder post 8713 voor invalidenwagens vallen maar scootmobielen, die zijn uitgerust met een afzonderlijke verstelbare stuurkolom, niet. Zij moeten volgens de Europese Commissie worden ingedeeld onder post 8703 als een gewoon personenvoertuig.
Indelingsverordening 718/2009
In reactie op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2018 (zie hieronder) publiceert de Europese Commissie in 2009 een Uitvoeringsverordening waarin wordt herhaald dat gehandicapten-stoelen, aangedreven door een motor, onder post 8713 voor invalidenwagens vallen, maar scootmobielen niet. In deze indelingsverordening met nr. 718/2009 staat o.a. het volgende:
‘Een vierwielig voertuig aangedreven door een op twee oplaadbare batterijen van 12 V werkende elektromotor. Het voertuig bezit o.a. een verstelbare zitting zonder armsteunen of grepen, die in twee hoogtestanden kan worden gezet, en een stuurkolom die kan worden ingeklapt.
De stuurkolom heeft een kleine bedieningseenheid met een contactschakelaar, een toeter, een aanduiding van het batterijvermogen en een knop om de maximumsnelheid in te stellen. Wanneer de batterijen volledig zijn opgeladen, heeft het voertuig een maximumbereik van ongeveer 16 km en kan het een maximumsnelheid van ongeveer 6,5 km/h bereiken. Het voertuig kan in vier lichte componenten worden gedemonteerd. Het is ontworpen voor gebruik in huis, op voetpaden en in openbare ruimten, voor activiteiten zoals winkelen.
Indeling onder post 8713 is uitgesloten aangezien het voertuig niet speciaal is ontworpen voor het vervoer van gehandicapten en geen speciale voorzieningen heeft om handicaps te verlichten. (Zie ook de GS-toelichtingen bij post 8713 en de GN-toelichting bij onderverdeling 8713 90 00 van de gecombineerde nomenclatuur). Het voertuig moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8703 10 18 als motorvoertuig dat hoofdzakelijk is ontworpen voor personenvervoer.’
3. Jurisprudentie
De indeling van scootmobielen is al jaren lang onderwerp van geschil. Dat heeft geleid tot diverse uitspraken waarbij scootmobielen in ieder geval in twee Europese landen, te weten het Verenigd Koninkrijk (voorafgaand aan de uittreding) en de Tsjechische Republiek door de hoogste rechter worden ingedeeld onder post 8713 voor invalidevoertuigen. Dat over de indeling van scootmobielen verschillend wordt geoordeeld, ligt niet aan de individuele kenmerken en eigenschappen van de betreffende scootmobielen, want die zijn allemaal min of meer gelijk, maar aan de wijze waarop nationale rechters het arrest van Hof van Justitie in de zaak Invamed (C-198/15) interpreteren en de betekenis die rechters toekennen aan algemene kenmerken en eigenschappen van scootmobielen voor de vraag of de scootmobielen uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door mensen met een beperking in hun loopvermogen. Hieronder volgt een chronologisch overzicht.
2006 — De eerste nederlandse rechtspraak
In 2006 oordeelt de Rechtbank Noord-Holland voor het eerst over de indeling van scootmobielen. De Rechtbank oordeelt dat uit de GN-Toelichting volgt dat scootmobielen niet kunnen worden ingedeeld onder post 8713. Bovendien, zo oordeelt de Rechtbank, is niet gebleken dat de scootmobielen speciale kenmerken en eigenschappen bezitten om handicaps te verlichten, zoals voet- en beensteunen. Aldus zijn de scootmobielen terecht ingedeeld onder post 8703 voor ‘gewone’ voertuigen voor personenvervoer.1.
De importeur gaat in hoger beroep, waarop het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat het haar onwaarschijnlijk voorkomt dat scootmobielen door mensen in het algemeen worden gebruikt, zonder dat er sprake is van een probleem inzake hun lichamelijke mobiliteit. Iemand die, tijdelijk of chronisch, een dergelijk probleem ondervindt, wordt naar algemeen taalgebruik aangeduid als ‘invalide’ Hieruit leidt de Douanekamer af dat scootmobielen de objectieve eigenschap hebben om speciaal te worden gebruikt door invaliden.2.
2010 — Eerste uitspraak van het HvJ (Lecson)
Op 22 december 2010 oordeelt het Hof van Justitie (HvJ) in de zaak van Lecson Elektromobile GmbH voor het eerst over de indeling van scootmobielen.3. Het HVJ stelt vast dat de scootmobielen waarover de verwijzende rechter uitspraak moet doen, een afzonderlijke verstelbare stuurkolom hebben waaraan de stuurinrichting en het rij — en rembedieningssysteem zijn bevestigd. Deze scootmobielen zijn voorts uitgerust met een voetenplank waarop de bestuurder zijn voeten kan laten rusten, maar die geen steun is om de benen te stabiliseren. De kantelbeveiliging waarmee deze scootmobielen zijn uitgerust, draagt eveneens bij aan het gebruikscomfort, maar vervult geen specifieke functie om het gebruik ervan door invalide bestuurders te verlichten. De scootmobielen hebben verder een maximumsnelheid van meer dan 10 km/u, namelijk tot 15 km/u. Gelet op al deze kenmerken moeten de betrokken scootmobielen worden beschouwd als personenvervoermiddelen die onder post 8703 van de GN vallen en niet als voertuigen voor invaliden van post 8713.
2014 — Eerste uitspraak First-Tier Tax Tribunal
In 2014 oordeelt het Engelse First-Tier Tax Tribunal (FtT) ook over de indeling van scootmobielen.4. Daarbij baseert het FtT zich uiteraard op het oordeel van het HvJ in de zaak Lecson, maar uit meerdere twijfels over de juistheid van het oordeel in Lecson. Zo vraagt de rechter zich af hoe de terminologie ‘invalidenwagens’ moet worden uitgelegd en wat onder de term ‘invalide’ moet worden verstaan. Wordt daarmee gedoeld op meervoudig gehandicapte personen, zoals de GN-Toelichting met de verwijzing naar de rolstoel lijkt aan te duiden of is iemand die alleen slecht loopt ook een invalide? Deze laatste zal namelijk niet snel gebruik maken van een elektrische rolstoel maar waarschijnlijk wel van een scootmobiel. Deze onduidelijkheden waren aanleiding om de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- 1.
Moeten onder het begrip ‘invalidenwagens’ worden verstaan wagens die .uitsluitend' voor invaliden zijn bestemd?
- 2.
Wat betekent het begrip .invaliden'?
- 3.
Wordt de betekenis van post 8713 gewijzigd door de GN-toelichting, waarbij scooters met een afzonderlijke stuurkolom worden uitgesloten?
- 4.
Is de mogelijkheid dat een persoon zonder handicap een voertuig gebruikt van invloed op de tariefindeling indien kan worden gesteld dat het voertuig over specifieke kenmerken beschikt om de gevolgen van een handicap te verlichten?
- 5.
In hoeverre moeten, indien de geschiktheid voor gebruik door personen zonder handicap een relevant criterium is, de nadelen van een dergelijk gebruik eveneens als relevant criterium worden beschouwd bij het bepalen of een voertuig voor dat gebruik geschikt is?
2016 — Tweede uitspraak van het HvJ (Invamed)
In 2016 geeft het HvJ antwoord op deze vragen in de zaak Invamed.5. Het HvJ herhaalt dat de bestemming van een product een objectief indelingscriterium kan zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product en de inherentie kan worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de scootmobiel, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, bestemd is om specifiek door invalide personen te worden gebruikt, aangezien dit gebruik als het ‘wezenlijke of logische gebruik’ van dit type voertuigen moet worden aangemerkt.
In antwoord op de eerste vraag oordeelt het HvJ dat het begrip ‘invalidenwagen’ impliceert dat dit product uitsluitend bestemd is voor invaliden. Ik begrijp het oordeel, maar volgens mij is die niet in overeenstemming van de geldende jurisprudentie van het HvJ. Post 8713 omschrijft namelijk een bepaald gebruik van een voertuig, namelijk gebruik door invaliden. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat voor indeling van producten onder een post waarin een bepaalde vorm van gebruik wordt omschreven, het in te delen product niet enkel en alléén voor dat gebruik hoeft te zijn bestemd, maar dat voldoende is dat het product hoofdzakelijk bestemd is voor het betreffende gebruik (aldus het HvJ in bijvoorbeeld de Neckermann Versand C-395/93, en de zaak Sysmex C480/12 en ook de zaak TDK (C-559/18).
In antwoord op de tweede vraag stelt het HvJ dat voertuigen die onder post 8713 van de GN vallen, zijn ontworpen als hulpmiddel voor personen die zijn getroffen door een beperking van hun loopvermogen, welke beperking — gelet op de aard ervan — als een ‘meer dan marginale’ beperking kan worden gekwalificeerd. Met de term invaliden wordt derhalve gedoeld op personen die beperkt zijn in hun loopvermogen, mits die beperking maar meer is dan slechts marginaal. De duur van beperking alsmede de aanwezigheid van andere beperkingen van lichamelijke of geestelijke aard is daarbij irrelevant.
In antwoord op de derde vraag antwoordt het HvJ dat de toelichtingen op de GN de inhoud van de tariefposten niet kunnen wijzigen. Dat kan ik echter moeilijk als een antwoord op gestelde vraag zien, omdat het niet aangeeft of de GN-Toelichting de betekenis van de post 8713 wijzigt. Ik meen dat uit deze opmerking volgt dat als de verwijzende rechter vaststelt dat het wezenlijke of logische gebruik van een scootmobiel is om te worden gebruikt door minder validen, de toelichting in ieder geval niet aan de indeling onder 8713 in de weg staat en moet worden genegeerd.
Mijn indruk van dit arrest is dat het HvJ is teruggekomen op zijn eerdere oordeel in Lecson omdat reeds iemand die beperkt is in zijn loopvermogen (zij het meer dan slechts marginaal) kwalificeert als ‘invalide’.6. Dat hoeft geen grote beperking te zijn of een duurzame beperking zoals de GN-Toelichting lijkt aan te geven. Voldoende is dat de beperking meer is dan slechts marginaal, met andere woorden iemand moet er ‘last’ van hebben in zijn dagelijks leven.7. Reeds dan is sprake van een invalide. Daarbij lijkt het HvJ in rechtsoverweging 26 te bevestigen dat de litigieuze voertuigen (de scootmobielen) moeten worden ingedeeld onder post 8713.
2016 — Tweede uitspraak First-Tier Tax Tribunal
Met deze antwoorden beslist de Engelse verwijzingsrechter op 22 november 2016 dat de scootmobielen terecht zijn aangegeven onder post 8713 voor ‘carriages for disabled persons’.8. Het FtT stelt dat de scootmobielen geen normale voertuigen zijn voor personenvervoer. Ze zijn klein, langzaam, slechts voor één persoon en geschikt om te gebruiken in winkels en binnenshuis. De scooters hebben diverse kenmerken die de nadelige effecten van een (niet- marginale) beperking in het loopvermogen opheffen. Deze kenmerken zijn de kleine afmetingen, de korte draaicirkel, en non-marking banden. Mensen met een niet-marginale beperking van hun loopvermogen hebben moeite om zich te bewegen in huis, buiten en in winkels en gebouwen, en scootmobielen helpen deze mensen om de gevolgen van deze beperkingen te compenseren. Deze kenmerken hebben geen toegevoegde waarde voor mensen die niet beperkt zijn in hun loopvermogen. Zij doen gemakkelijker lopend boodschappen. Scootmobeielen zijn dus special ontworpen voor gebruik door invaliden.
2018 — Upper Tax Tribunal
De Engelse Douane gaat echter in hoger beroep. Op 29 september 2018 verklaart het Upper Tax Tribunal (UtT) het hoger beroep gegrond want volgens het UtT moeten de scootmobielen toch worden ingedeeld onder post 8703. Het UtT oordeelt dat het FtT zich heeft vergist in de toepassing van het recht door te stellen dat de scootmobielen niet zijn ontworpen voor mensen die normaal kunnen lopen omdat het ontwerp en de kenmerken van de voertuigen geen voordelen hebben voor mensen die normaal kunnen lopen, maar dat wel hebben voor mensen die beperkt kunnen lopen.9. Waar het volgens het UtT om gaat, is of de voertuigen kenmerken hebben die ze voldoende ongeschikt maken voor gebruik door mensen zonder beperkingen in hun loopvermogen, waaruit dan volgt dat de voertuigen zijn ontworpen om uitsluitend te worden gebruikt door mensen met een (meer dan marginale) beperking in hun loopvermogen. Het gaat volgens het UtT dus niet om voordelen voor invaliden personen, maar om de vraag of de kenmerken en eigenschappen voldoende nadelen hebben voor valide personen. Volgens het UtT zijn de nadelen uiteindelijk niet voldoende en moeten de scootmobielen daarom worden ingedeeld onder post 8703.
2018 — Hoogste Administratieve Rechtbank Tsjechische Republiek
In 2018 beslist de Hoogste Administratieve Rechtbank van de Tsjechische Republiek in cassatieberoep dat scootmobielen moeten worden ingedeeld in post 8713 voor invalidevoertuigen. Tegen de arresten van de Hoogste Administratieve Rechtbank zijn geen hogere voorzieningen mogelijk.
Volgens de uitspraak van de Hoogste Administratieve Rechtbank heeft de Tsjechische Douane in 2016 een navorderingsaanslag opgelegd aan BG Technik gevestigd te Praag op grond van de stelling dat de SELVO 4800 scootmobielen die zij heeft ingevoerd, hadden moeten worden aangegeven onder post 8703 voor personenvoertuigen en niet onder post 8713 voor invalidewagens. De regionale rechtbank in Ostrava vernietigt de navordering omdat de scootmobielen wel degelijk juist zijn aangegeven onder post 8713. Een kopie van het arrest, alsmede van de beëdigde vertaling zijn bijgevoegd.
De Hoogste Administratieve Rechtbank bevestigt het oordeel van de regionale Rechtbank en oordeelt (ik citeer uit de beëdigde vertaling):
‘[10]
De Hoogste Administratieve Rechtbank concludeerde dat de Regionale Rechtbank het elektrische wagentje SELVO 4800 correct onder GN-code 8713 heeft ingedeeld. Zij is hierbij uitgegaan van de technische kenmerken van het elektrische wagentje en het veronderstelde gebruiksdoel ervan. Omwille van de duidelijkheid vat de Hoogste Administratieve Rechtbank de belangrijkste kenmerken van het betrokken product samen. Het elektrische wagentje SELVO 4800 is uitgerust met twee assen met een aangedreven achteras en twee sets banden, waarvan de achterbanden groter zijn, het wagentje wordt bediend door middel van een gesloten ovalen stuur, gemonteerd op een afzonderlijke afgescheiden stuurkolom. Het wagentje is voorzien van bedieningselementen en aangepast voor besturing en snelheidsregeling met één hand en van een elektromagnetische rem, de afmetingen van het wagentje bedragen 122 × 63 × 125 cm (l-b-h). (……)
[11 ]
Volgens de Hoogste Administratieve Rechtbank valt het betrokken product op grond van deze kenmerken onder post 8713 van de GN. De onderhavige rechtbank baseert zich hierbij op de conclusies die voortvloeien uit het arrest van het Hof van justitie van de Europese Unie van 26-05-2016, Invamed Group e.a., C -1 98/ 15, volgens welke de beschrijving van post 8713 van de GN moet worden uitgelegd in die zin, dat 1) het begrip ‘invalidenwagen’ impliceert dat dit product uitsluitend is bestemd voor invaliden, 2) het feit dat ook een persoon zonder handicap een voertuig kan gebruiken geen invloed heeft op de indeling van dit voertuig onder post 8713 van de GN en 3) de toelichtingen op deze GN de interpretatie van de GN-tariefposten niet kunnen wijzigen.’
(….)
De hoogste Tsjechische rechter oordeelt ook dat Uitvoeringsverordening 718/2019 niet van toepassing is omdat de scootmobiel uit de indelingsverordening kennelijk niet bestemd was voor vervoer van gehandicapten terwijl de SELVO 4800 volgens de Rechtbank wel bestemd is voor vervoer van gehandicapten:
‘[12]
Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 718/2009 van de Commissie van 04-09-2009 merkt de Hoogste Administratieve Rechtbank op dat de indeling van het type voertuig in de betreffende zaak onder GN 8713 niet was toegelaten op grond van het feit dat het voertuig niet specifiek is bestemd voor het vervoer van gehandicapten en niet is voorzien van speciale details die handicaps verlichten. Daarom verschilt dat geval van het onderhavige geval en zijn de conclusies van Verordening (EG) nr. 718/2009 van de Commissie van 04-09-2009 niet van toepassing.’
2020 — Hoger beroep bij het engelse Court of Appeal
In het Verenigd Koninkrijk had Invamed hoger beroep ingesteld bij het Court of Appeal. Op 25 februari 2020 oordeelde het Court of Appeal dat de toets die het UtT aanlegde, namelijk of de kenmerken voldoende nadelig zijn voor gewone (valide) personen, het risico in zich draagt dat de uitvoering van de toets onnauwkeurig en te ingewikkeld wordt. Waar het volgens het Court of Appeal om gaat is of de voertuigen speciaal voor invaliden zijn ontworpen, in tegenstelling tot voor personen in het algemeen. Het onderscheid tussen deze twee groepen ligt besloten in het antwoord op de vraag of de voertuigen bestemd zijn om te worden gebruikt door mensen met een beperking in hun loopvermogen. Uit het arrest van het HvJ in de zaak Invamed volgt dat die bestemming moet worden afgeleid uit objectieve kenmerken en eigenschappen van het voertuig. De nationale rechter moet daarom focussen op die objectieve kenmerken en eigenschappen. Hoe meer kenmerken en eigenschappen nut hebben voor invaliden, in plaats van voor personen die wel kunnen lopen maar dat niet willen, hoe duidelijk het zal zijn dat de voertuigen speciaal ontworpen zijn voor mensen met een beperking in hun loopvermogen.
Een golfkarretje is een goed voorbeeld van een voertuig dat die test niet zou doorstaan. Maar waar de scheidslijn precies ligt, is aan de rechter die de feiten vast stelt. Anders dan golfkarretjes zijn de scootmobielen ontworpen voor één persoon en om te gebruiken op de stoep en in winkels die soms krap kunnen zijn en een korte draaicirkel daarom van belang is. De scootmobielen zijn niet zo gespecialiseerd als elektrische rolstoelen, die met name bedoeld zijn voor mensen met meerdere gebreken, maar op grond van de uitspraak van het HvJ in Invamed is voor indeling in post 8713 niet vereist dat de wagen bestemd zijn voor mensen met meerdere gebreken.
Het UtT vond dat de nadelen van de hiervoor genoemde eigenschappen van de scootmobielen voor gewone (valide) personen niet voldoende om te kunnen stellen dat de voertuigen uitsluitend bestemd waren voor mensen met een beperking in hun loopvermogen. Het Court of Appeal is het daar niet mee eens. Volgens het Court of Appeal heeft het FtT op goede gronden beslist dat uit objectieve kenmerken en eigenschappen blijkt scootmobielen bestemd zijn om te worden gebruikt door mensen met een beperking in hun loopvermogen en vernietigt het oordeel van het UtT. Daarmee worden scootmobielen alsnog ingedeeld onder post 8713 voor invalidenwagens. Een kopie van de uitspraak van het Court of Appeal is bijgevoegd.
2020 — Rechtbank Noord-Holland
Nog geen twee weken na de uitspraak van het Engelse Court of Apeal oordeelde de Rechtbank Noord-Holland in het onderhavige geschil van belanghebbende. De Rechtbank oordeelt in rechtsoverweging 23 dat uit de jurisprudentie volgt dat voor indeling onder post 8713 is vereist dat uit objectieve kenmerken en eigenschappen blijkt dat de voertuigen uitsluitend bestemd zijn om te worden gebruikt door invaliden, en dat de scootmobielen in het onderhavige geding niet aan dit vereiste voldoen omdat zij geen speciale voorzieningen hebben om de meer dan marginale beperking van het loopvermogen te verlichten, zoals voet of beensteunen om de voeten of benen te stabiliseren. Volgens de Rechtbank moeten scootmobielen worden ingedeeld onder post 8703.
2020 — Supreme Court of the united kingdom
Eind 2020 oordeelt het Engelse Supreme Court dat het HMRC niet is toegestaan om cassatieberoep in te stellen tegen de uitspraak van het Court of Appeal waarmee scootmobielen in het Verenigd Koninkrijk definitief moeten worden ingedeeld onder post 8713 voor invalidenvoertuigen. Een kopie van de beslissing van het Engelse Supreme Court is bijgevoegd.
2021 — Gerechtshof Amsterdam
In 2021 oordeelt het Gerechtshof Amsterdam in het hoger beroep van belanghebbende dat scootmobielen moeten worden ingedeeld onder post 8703 voor personenvoertuigen en dat het geen aanleiding ziet om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen over de geldigheid van Indelingsverordening 718/2009. Voor de motivering van zijn beslissing verwijst het Gerechtshof naar de overwegingen van de Rechtbank die hij daarmee tot de zijne maakt.
Tussenconclusie jurisprudentie
Met dit overzicht van uitspraken en arresten heb ik willen duidelijk maken dat de indeling van scootmobielen bepaald niet eenduidig is, en dat scootmobielen vaker worden ingedeeld onder post 8713 als invalidenvoertuigen. Naar mijn indruk is dat niet in de laatste plaats het gevolg van het feit dat het Hof van Justitie een veel ruimere definitie heeft neergelegd voor de term invalide. Dat is volgens het HvJ iedereen die beperkt is in zijn loopvermogen, mits die beperking maar niet slechts marginaal is. Het gaat dus niet om gehandicapten of zelf meervoudig gehandicapten, maar alleen maar om mensen die in meer of mindere mate moeite hebben met het lopen van een afstand die een gemiddeld mens wel makkelijk loopt.
Uit de uitspraken volgt ook dat de scootmobielen steeds over ongeveer dezelfde algemene kenmerken en eigenschappen beschikken. De scootmobielen zijn misschien niet identiek maar wel vergelijkbaar wat betreft technische kenmerken en eigenschappen en gebruiksmogelijkheden.
4. Gronden van het cassatieberoep
Volgens belanghebbende is de UTB ten onrechte opgelegd omdat de scootmobielen en onderdelen voor scootmobielen, die zij voor het vrije verkeer heeft aangegeven, terecht zijn aangegeven onder respectievelijk goederencode 8713.9000 en 8714.2000. Belanghebbende draagt daartoe de volgende middelen aan.
Middel I
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat Gerechtshof Amsterdam in overweging 5.1 heeft geoordeeld dat de door belanghebbende ingevoerde scootmobielen niet specifiek en uitsluitend bestemd zijn voor mensen met een (meer dan marginale) beperking in hun loopvermogen omdat de scootmobielen geen speciale voorzieningen hebben om de meer dan marginale beperking van het loopvermogen te verlichten, zoals bijvoorbeeld voet- of beensteunen om de voeten of benen te stabiliseren.
De vaststelling dat een voertuig wel of niet uitsluitend bestemd is voor invaliden kan namelijk niet worden afgeleid uit de aanwezigheid van speciale voorzieningen op het voertuig om de beperking van het loopvermogen op te heffen. Het zijn namelijk niet de voorzieningen op of aan een voertuig, maar het is het voertuig zelf, dat de beperkingen opheft, met andere woorden het middel waarmee iemand weer in staat is om boodschappen te doen en of de hond uit te laten; anders gezegd om weer enigszins mobiel te zijn.
Een meer dan marginale beperking van het loopvermogen betekent dat iemand niet in staat is om een afstand te lopen welke door een persoon zonder mobiliteitsgebreken normaliter lopend wordt afgelegd. Praktisch ingevuld betekent dat, dat wanneer bijvoorbeeld de supermarkt op een afstand ligt van ongeveer 800 meter, een normaal iemand daar lopend naar toe gaat, maar iemand die (meer dan marginaal) beperkt is in zijn loopvermogen daar moeite mee heeft en daarom is aangewezen op bijvoorbeeld een scootmobiel.
De aanwezigheid van voet- of beensteunen is niet indicatief voor de vraag of iemand wel of niet die 800 meter zonder pijn, of zonder angst om te vallen, kan lopen. De eis van de Europese Commissie, de Rechtbank en het Gerechtshof dat invalidenvoertuigen over het algemeen worden gekenmerkt door aanwezigheid van voet- of beensteunen om de voeten of benen te kunnen fixeren is naar mijn mening onlogisch, want waarom zou bijvoorbeeld een persoon die lijdt aan suikerziekte en als gevolg daarvan een onderbeen moet missen, en dus duidelijk beperkt is in zijn of haar loopvermogen het andere been of de andere voet moeten kunnen fixeren? De voet- of beensteunen zijn daarom, net zoals de aanwezigheid van een stuurknuppeltje in plaats van een stuurkolom omdat iemand moeilijkheden heeft met armbewegingen, geen voorzieningen die bepalend zijn voor de vraag of het voertuig wel of niet bestemd is om te worden gebruikt door mensen die (meer dan marginaal) beperkt zijn in hun loopvermogen. Het Gerechtshof baseert haar oordeel derhalve ten onrechte op het ontbreken van speciale voorzieningen.
Middel II
Schending, althans verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat het Gerechtshof Amsterdam in rechtsoverweging 5.3 heeft geoordeeld dat uit rechtsoverweging 25 van het Invamed-arrest volgt dat in elk geval niet alle scootmobielen zonder meer kunnen worden ingedeeld onder post 8713. Het Gerechtshof gaat hierbij uit van een verkeerde lezing van het Invamed arrest.
In rechtsoverweging 25 van het Invamed arrest staat (de onderstreping is van mijn hand):
‘25.
Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in het kader van de uitlegging van post 8703 van de GN reeds heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat elektromobielen in voorkomend geval door invaliden kunnen worden gebruikt of zelfs voor gebruik door hen kunnen worden aangepast, niet van invloed is op de tariefindeling van dergelijke voertuigen onder post 8703 van de GN, aangezien zij ook voor de uitoefening van andere activiteiten kunnen worden gebruikt door personen zonder handicap, die zich om de een of andere reden anders dan te voet willen verplaatsen over kleine afstanden, bijvoorbeeld golfspelers of het winkelend publiek (arrest van 22 december 2010, Lecson Elektromobile, C-12/10, EU:C:2010:823, punt 25).’
Het Hof lijkt de term ‘elektromobiel’ te lezen als dat deze term betekent ‘scootmobiel’. Het HvJ gebruikt hier de term elektromobiel echter als algemene term voor elektrisch aangedreven voertuigen en stelt niet meer dan dat de enkele mogelijkheid dat elektrisch aangedreven voertuigen (zoals bijvoorbeeld een elektrisch aangedreven golfkar) ook door invaliden kunnen worden gebruikt, niet maakt dat het voertuig (de golfkar) moet worden ingedeeld onder 8703.
Het Gerechtshof miskent daarbij de importantie van de daaropvolgende overweging van het HvJ waarin staat (de onderstreping is van mijn hand):
‘26
Deze benadering bevestigt a contrario de vaststelling dat het feit dat de litigieuze voertuigen in het hoofdgeding eventueel door personen zonder handicap kunnen worden gebruikt, geen invloed heeft op de tariefindeling van deze voertuigen onder post 8713 van de GN, aangezien die voertuigen, gelet op hun oorspronkelijke bestemming, niet geschikt zijn voor personen die geen beperkingen hebben.’
In deze overweging gaat het HvJ wél letterlijk in op scootmobielen omdat het HvJ spreekt van de litigieuze voertuigen en stelt dat het feit dat scootmobielen ook door personen zonder beperking in hun loopvermogen kunnen worden gebruikt geen invloed heeft op de indeling van de scootmobielen in post 8713. Het HvJ stelt hier dat de litigieuze voertuigen moeten worden ingedeeld onder post 8713 en geeft daar zelfs een reden bij, namelijk omdat scootmobielen gelet op hun oorspronkelijke bestemming niet geschikt zijn voor personen zonder beperking in hun loopvermogen. Anders dan het Gerechtshof overweegt, heeft het HvJ dus wel degelijk geoordeeld dat scootmobielen, want dat zijn de litigieuze voertuigen, moeten worden ingedeeld onder post 8713.
Middel III
Schending, althans verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat het Gerechtshof Amsterdam in rechtsoverweging 5.5 heeft geoordeeld dat uit de kenmerken niet volgt dat de scootmobielen uitsluitend bestemd zijn om te worden gebruikt door mensen met een beperking in hun loopvermogen omdat de kenmerken evenzeer van belang zijn voor gebruik van de scootmobielen door mensen zonder een beperking in hun loopvermogen.
De conclusie van het Gerechtshof is onbegrijpelijk, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd aangezien het feit dat de scootmobielen voldoen aan de NEN-norm voor elektrisch aangedreven rolstoelen, een beperkte snelheid hebben en (daarom) op de stoep mogen worden gebruikt, en zijn uitgerust met technische voorzieningen — die weliswaar in de uitspraak van het Gerechtshof niet worden genoemd, maar tijdens de zitting wel uitgebreid aan de orde zijn geweest — waarmee de scootmobielen veilig in binnenruimten (openbare gebouwen en supermarkten) kunnen worden gebruikt, aantonen dat de scootmobielen bestemd en ontworpen zijn om mede binnen (in gebouwen) te gebruiken. Mensen die normaal ter been zijn, gebruiken geen voertuigen binnen in gebouwen om zich voort te bewegen. De conclusie dat deze kenmerken en eigenschappen evenzeer van belang zijn voor mensen zonder mobiliteitsbeperking is daarom onbegrijpelijk of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Zulks geldt te meer nu het Hof van Justitie heeft gesteld dat de oorspronkelijke bestemming van scootmobielen is om te worden gebruikt door minder validen.
Middel IV
Schending, althans verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat het Gerechtshof Amsterdam in rechtsoverweging 5.6 heeft geoordeeld dat hij niet twijfelt aan de geldigheid van Indelingsverordening 718/2009.
Het Gerechtshof onderbouwt zijn oordeel met de opmerking dat indeling onder 8703 door Indelingsverordening 718/2009 wordt ondersteund. Deze indelingsverordening is echter ongeldig omdat de Europese Commissie met deze verordening de reikwijdte van de posten heeft gewijzigd, terwijl de Commissie niet bevoegd is om de reikwijdte van de posten te wijzigen. De reikwijdte van de posten wordt gewijzigd omdat de Europese Commissie voorschrijft dat scootmobielen moeten worden ingedeeld onder post 8703, dat wil zeggen onder een andere post, dan de post waaronder scootmobielen behoren te worden ingedeeld namelijk 8713.10.
Overigens leid ik uit de overwegingen van het Gerechtshof af dat het Gerechtshof oordeelt dat geen sprake is van identieke goederen, en ook niet van soortgelijke goederen waarop de Indelingsverordening naar analogie van toepassing is. Anders had het Gerechtshof naar ik aanneem gesteld dat de Indelingsverordening van toepassing is, in plaats van te oordelen dat hij steun vindt in de Indelingsverordening. Feit is dat de Indelingsverordening wel door het Gerechtshof wordt aangedragen als argument voor indeling van de scootmobielen onder post 8703.
Vanwege de hierboven genoemde jurisprudentie uit andere Europese landen, waarin in meerderheid wordt geoordeeld dat scootmobielen moeten worden ingedeeld onder post 8713, is er wel degelijk aanleiding om te twijfelen over de juistheid van de Indelingsverordening. In ieder geval is het niet zo dat — in termen van het CILFIT-arrest11. — geen enkele rechter in de Europese Unie zou twijfelen over de geldigheid van de Indelingsverordening, en overigens geen enkele rechter zou twijfelen over de indeling van scootmobielen in het douanetarief. Aldus is er bepaald geen sprake van een acte clair, en zal het — wanneer de Indelingsverordening van toepassing is — nodig zijn om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie, waarvan in het bijzonder de geldigheid van Indelingsverordening 718/2009.
5. Conclusie
Op grond van hetgeen ik hiervoor uiteen heb gezet verzoek ik uw Raad namens belanghebbende om het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en zaak zelf af te doen door de UTB te vernietigen.
Daarbij verzoek ik uw Raad om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van dit geding, en de voorafgaande gedingen, alsmede om aan belanghebbende de kosten te vergoeden voor rechtsbijstand in bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑02‑2024
Rechtbank van 25 januari 2006 met nummer AWB 05/1037
Gerechtshof Amsterdam van 8 april 2008 (ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2193)
Zaaknummer C-12/10 naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Düsseldorf
First Tier Tax Tribunal van 13 november 2014 met nr. LON/2007/7061, 62, 67
Uitspraak van 26 mei 2016 met nummer C-198/15
Zulks is naar mijn mening in overeenstemming met het oordeel van het Gerechtshof uit 2008 dat met de term invalide wordt gedoeld op een persoon die een probleem ondervindt met zijn lichamelijke mobiliteit, ongeacht of dat een tijdelijk of chronisch beperking is.
In de medische literatuur zijn verschillende methodieken ontwikkeld om de mate van immobiliteit te kwantificeren zoals bijvoorbeeld de Short Physical Performance Battery (SPPB)-methode, waarmee op basis van een puntentelling de mate van de mobiliteitsbeperking kan worden vastgesteld.
Rechtsoverweging 57 – 60 van de uitspraak van het First Tier Tax Tribunal van 22 november 2016 met nummer LON/2007/7061, 7062, 7066, 7067 & 7106
Rechtsoverweging 72 e.v. van de uitspraak van het Upper Tax Tribunal van 29 september 2018 met nummer UT/2017/0052-0057
In verband met het wijzigen van de reikwijdte van de posten wijs ik nog op twee Amerikaanse Tariff Rulings nrs. NYM83444 en NY L83102 waarbij mobility scooters eveneens worden ingedeeld in post 8713. Kopieën van deze rulings zijn bijgevoegd.
Arrest van het HvJ van 6 Oktober 1982 met nr. 283/81. Zie ook de recente uitspraak van het HvJ van 6 Oktober 2021 in de zaak van Consorzio Italian Management met nummer C-561/19,