Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 09-02-2026, nr. BRE 24/8454
ECLI:NL:RBZWB:2026:969
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
09-02-2026
- Zaaknummer
BRE 24/8454
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:969, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09‑02‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026021905
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/201
FutD 2026-0315
NLF 2026/0364
Uitspraak 09‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Belanghebbende is 100% aandeelhouder in A BV en is met A BV gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb. A BV is de enige beherend vennoot in A CV. In 2017 is A BV ook de enige commanditaire vennoot in A CV geworden. A CV had een rekening-courantschuld aan het tot dezelfde groep als belanghebbende behorende B BV. In het kader van het faillissement van B BV heeft de curator een akte van cessie gesloten met A BV met betrekking tot de rekening-courant, waarbij A BV de vordering heeft overgenomen. Door de overdracht van het commanditaire belang aan A BV is van een samenwerkingsverband geen sprake meer. Als gevolg van de akte van cessie is A BV zowel schuldeiser als schuldenaar geworden ten aanzien van de rekening-courantschuld. Dit brengt mee dat de verbintenis door schuldvermenging teniet is gegaan. De rekening-courantschuld is hierdoor vrijgevallen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een informele kapitaalstorting. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een onzakelijke lening, bodelozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet Vpb. De inspecteur heeft het bij de vrijval van de schuld opkomende voordeel terecht als kwijtscheldingswinst in aanmerking genomen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8454
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R.J. Verbrugge),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 597.571 (de aanslag). Daarbij is de belastbare winst vastgesteld (na toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling) op € 5.328.024 verminderd met het verlies uit andere jaren ad € 4.730.453. Het verlies is vervolgens vastgesteld op € 0 (de verliesverrekeningsbeschikking).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 33.428 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrente terecht en niet tot een te hoog bedrag in rekening is gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd. De belastingrente is terecht en eveneens niet tot een te hoog bedrag in rekening gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende (voorheen: [B.V. 1] ) houdt 100% van de aandelen in [B.V. 2] In het betreffende jaar heette de vennootschap nog [vennootschap 1] (hierna: [vennootschap 1] .). [vennootschap 1] is samen met belanghebbende gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb.
3.1.
[C.V.] (hierna: de cv) is op 31 augustus 2001 aangegaan met [vennootschap 1] als beherend vennoot. De [stichtingen] en [vennoot] waren commanditaire vennoten.
3.2.
De [stichtingen] hebben hun commanditaire belang in 2006 overgedragen aan [vennootschap 1] . Daarnaast heeft [vennoot] in 2017 zijn commanditaire belang overgedragen aan [vennootschap 1] .
3.3.
Een vennootschap die tot dezelfde groep als belanghebbende behoorde, [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ), voerde het management over onder meer de cv. Hiervoor bracht [B.V. 3] fees in rekening aan de cv. Deze fees werden schuldig gebleven.
3.4.
De cv had een rekening-courantschuld aan [B.V. 3] in verband met niet betaalde fees (de rekening-courantschuld). De schuld is jaarlijks opgelopen en bedroeg aan het begin van het boekjaar 2020 € 6.101.181. Van de rekening-courantschuld is geen schriftelijke overeenkomst aanwezig.
3.5.
[B.V. 3] is op 2 juni 2015 failliet verklaard. In het kader van de afwikkeling van het faillissement heeft de curator een akte van cessie gesloten met [vennootschap 1] waarbij de laatstgenoemde vennootschap op 14 september 2020 de rekening-courantschuld over heeft genomen voor een bedrag van € 2.500 (de akte van cessie).
3.6.
Ultimo 2019 had de cv een rekening-courantschuld aan [B.V. 4] van € 9.649 en een schuld van € 511.374 aan leveranciers. Belanghebbende heeft in de aangifte 2020 een vrijval van deze beide schulden opgenomen. Verder heeft belanghebbende een schuld van € 5.195 van [B.V. 2] aan [B.V. 4] laten vrijvallen ten gunste van het vermogen.
3.7.
Belanghebbende en de inspecteur hebben overleg gevoerd over de aanslagregeling Vpb 2012 van [B.V. 5] hield 100% van de aandelen in [B.V. 3] . In een e-mail van 25 augustus 2015 van de (toenmalige) adviseur van [B.V. 5] aan de Belastingdienst is opgenomen:
“Onder verwijzing naar ons telefoongesprek van vanmiddag bevestig ik hierbij dat ik akkoord kan gaan met de volgende marsroute:
1. U verlaagt de ambtshalve aanslag Vpb 2012 naar nihil (inclusief de aangifteverzuimboete) en ik trek vervolgens het beroep tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank in;
2. Ik lever de antwoorden op de openstaande vragen binnenkort alsnog aan en wij overleggen vervolgens over de aanslagregeling Vpb 2012 . De hieruit resulterende verliezen worden vermeld in de alsdan op te leggen verliesbeschikking over 2012, Hierbij kan dan bijvoorbeeld worden geconcentreerd op de vennootschappen die niet failliet gaan of zijn gegaan;
Alsdan gaan er geen rechten voor partijen verloren en wordt een hoop werk bespaard.”
3.8.
Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft voor een bedrag van € 6.098.681 een kwijtscheldingswinst aangenomen ter zake van de vrijval van de schuld en in dit kader de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast. Dit bedrag is door de inspecteur eerst verminderd met de verliezen uit voorgaande jaren (zie 1.1).
Motivering
Vooraf
4. Belanghebbende heeft gesteld dat het door de inspecteur ingediende nader stuk met dagtekening 9 oktober 2025 tardief moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om het stuk buiten beschouwing te laten nu het stuk meer dan tien dagen voor de zitting is ontvangen en belanghebbende op het stuk heeft gereageerd. Ook de door de gemachtigde genoemde reden waarom er onvoldoende voorbereidingstijd was, namelijk een verblijf in het buitenland van gemachtigde, komt volledig voor risico van belanghebbende.
Is sprake van een (kwijtscheldings)winst ten aanzien van de schuld van de cv aan [B.V. 3] ?
4.1.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte van belanghebbende omdat hij stelt dat de cessie heeft geleid tot een kwijtscheldingswinst. Er is namelijk sprake van een overname van een vordering door feitelijk dezelfde partij die ook de schuld heeft. Volgens de inspecteur is vanaf 30 januari 2017, het moment waarop de heer [vennoot] zijn commanditaire belang in de cv aan [vennootschap 1] heeft overgedragen, geen sprake meer is van een samenwerkingsverband in de vorm van een cv. De activa en passiva zijn daardoor toe te rekenen aan [vennootschap 1] Door de cessie is er sprake is van vermenging met als gevolg dat de rekening-courantschuld teniet is gegaan.
4.2.
Belanghebbende bestrijdt dat de cv is opgehouden te bestaan en is van mening dat dat van een vrijval van de schuld van de cv aan [B.V. 3] geen sprake kan zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verwezen naar de inschrijving van de cv bij de Kamer van Koophandel. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd erkend dat fiscaal gezien schuldvermenging plaats heeft gevonden. Dit zou echter niet geleid hebben tot een kwijtschelding volgens belanghebbende.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat [vennootschap 1] door de overdracht van het commanditaire belang van de heer [vennoot] aan [vennootschap 1] zowel de enige beherend vennoot als de enige commanditaire vennoot van de cv is geworden. Dit betekent dat van een samenwerkingsverband geen sprake meer is. Het enkele feit dat de cv nog staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maakt dit niet anders. [vennootschap 1] , is als gevolg van de akte van cessie (zie 3.5), zowel schuldeiser als schuldenaar geworden. Dit brengt mee dat de verbintenis door de schuldvermenging teniet is gegaan. De rekening-courantschuld is hierdoor vrijgevallen.
4.4.
Voor dat geval stelt belanghebbende dat voor zover de schuld van de cv aan [B.V. 3] hoger was dan de overnameprijs geen sprake is van winst, maar van een informele kapitaalstorting. Belanghebbende voert in dit verband aan dat bij de overname van de vordering door de uiteindelijke aandeelhouders gehandeld is in hun hoedanigheid als aandeelhouder en niet als schuldeiser. Ook stelt belanghebbende dat van een kwijtschelding geen sprake is nu er geen kwijtscheldingsovereenkomst is opgesteld. Daarbij betoogt belanghebbende dat de rekening-courant verhouding kwalificeerde als onzakelijke lening, bodemlozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
4.5.
Van een informele kapitaalstorting is sprake indien de aandeelhouder op grond van de vennootschappelijke betrekkingen aan een vennootschap een voordeel doet toekomen, dat de aandeelhouder onder gelijke omstandigheden aan een onafhankelijke vennootschap niet zou hebben verschaft. Uit de akte van cessie volgt dat de curator bij de overdracht van de vordering namens [B.V. 3] heeft opgetreden. Zonder nadere onderbouwing is niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van een informele kapitaalstorting. Immers, deze curator handelt in het belang van de schuldeisers van [B.V. 3] , niet in het belang van de aandeelhouders van [B.V. 3] . Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een onzakelijke lening, bodemlozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waardoor de kwijtschelding zou leiden tot een informele kapitaalstorting. Het is onduidelijk wat exact tussen partijen is overeengekomen. Belanghebbende heeft geen leningsovereenkomst of andere stukken overgelegd waaruit volgt onder welke voorwaarden de lening is aangegaan.
4.6.
Als laatste heeft belanghebbende ook nog betoogd, dat voor zover sprake is van een vrijval die leidt tot een kwijtscheldingswinst, die vrijval niet pas in 2020 plaats zou hebben gevonden maar in een eerder jaar omdat nooit enige poging is gedaan tot inning van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank is echter het enkele gegeven dat nooit een poging is gedaan tot inning van de schuld onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is geweest van vrijval in een eerder jaar.
4.7.
De rechtbank concludeert dat het bij de vrijval van de schuld opkomende voordeel tot de winst behoort. De inspecteur heeft de winst terecht als kwijtscheldingswinst in aanmerking genomen en in dit kader de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende niet in een voordeligere positie kan komen te verkeren indien geoordeeld zou worden dat geen sprake is van kwijtscheldingswinst, maar van een reguliere winst.
De overige schulden
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de schulden aan [B.V. 4] van [B.V. 2] (€ 5.195) en de cv (€ 9.649) (zie 3.6) moeten worden gekwalificeerd als onzakelijke leningen, zodat de vrijval rechtstreeks in het vermogen moet worden verwerkt. De belastbare winst moet daarom met € 14.844 worden verminderd. Ten aanzien van de vrijval van de schulden aan leveranciers van de cv van € 511.374 (zie 3.6) betoogt belanghebbende dat deze schulden reeds voor 2020 hadden moeten vrijvallen omdat de facturen zijn ontvangen in de jaren 2011 tot en met 2015 en nooit enige poging tot inning is gedaan. De inspecteur bestrijdt de standpunten van belanghebbende.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit volgt onder welke voorwaarden de leningen van [B.V. 4] en [B.V. 2] zijn aangegaan. Belanghebbende heeft dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de leningen als onzakelijk moeten worden gekwalificeerd. De vrijval van de schulden aan [B.V. 4] en [B.V. 2] zijn terecht als winst in aanmerking genomen.
4.10.
Belanghebbende heeft zijn standpunt over de vrijval van de schulden aan crediteuren niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de schulden eerder dan in 2020 moesten vrijvallen.
Vertrouwensbeginsel
4.11.
Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel naar aanleiding van de afwikkeling van de aanslagregeling Vpb over het jaar 2012 van [B.V. 5] Daarnaast stelt belanghebbende dat er uitvoerig overleg is geweest met de Belastingdienst over de kwalificatie van diverse vordering binnen de groep waaronder de vorderingen van [B.V. 4] Belanghebbende voert aan dat zij op basis van overleg met de inspecteur dat in 2015 heeft plaatsgevonden erop mocht vertrouwen dat de lening als onzakelijk zou kwalificeren en een eventuele vrijval bij haar niet zou resulteren in een belastbare winst. Belanghebbende heeft ter zitting echter erkend dat de gestelde afspraak – waarvan de inspecteur betwist dat die specifieke afspraak gemaakt is - dat de lening onzakelijk was niet is vastgelegd. Ook blijkt volgens belanghebbende uit de hiervoor genoemde overleggen met de Belastingdienst over de vorderingen van [B.V. 4] dat de Belastingdienst deze vorderingen altijd als onzakelijk heeft aangemerkt waardoor nooit enige afwaardering ten laste van de winst heeft plaatsgevonden.
4.12.
De inspecteur stelt dat in 2015 geen expliciet standpunt is ingenomen met betrekking tot de vordering op de cv. Er was geen leningsovereenkomst, geen samenvatting van de gemaakte afspraken of mogelijke afwijking van de gemaakte afspraken overgelegd en er is geen nadere toelichting verstrekt met betrekking tot het motief om de geldverstrekking aan te gaan. De inspecteur beschikte niet over alle relevante informatie om zich een juist beeld te vormen over de fiscale kwalificatie van de vordering van [B.V. 3] op belanghebbende en heeft daar geen expliciet standpunt over ingenomen.
4.13.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel belanghebbende aannemelijk moet maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.1.Uit de stukken volgt niet dat in 2015 sprake was van een expliciete standpuntbepaling over de fiscale kwalificatie van de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en [B.V. 3] waaruit belanghebbende redelijkerwijs kon afleiden dat een vrijval van de rekening-courantschuld bij haar niet zou resulteren in een te belasten winst. De enkele stelling dat de Belastingdienst bij [B.V. 4] zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een onzakelijke lening is evenmin voldoende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep van belanghebbende is daarom in zoverre ongegrond.
De belastingrente
4.14.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr.drs. P.E.C. Vossenberg, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | voorzitter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑02‑2026