Procestaal: Portugees.
HvJ EU, 27-11-2025, nr. C-643/24
ECLI:EU:C:2025:923
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-11-2025
- Magistraten
O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Fenger
- Zaaknummer
C-643/24
- Roepnaam
Manuel Costa Filhos
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:923, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑11‑2025
Uitspraak 27‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechten van de verdediging — Verordening (EG) nr. 805/2004 — Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen — Artikel 20 — Tenuitvoerleggingsprocedure — Bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging — Artikelen 21 en 23 — Gronden voor weigering, opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging — Verordening (EG) nr. 1393/2007 — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken — Artikel 8 — Weigering van ontvangst van een stuk — Geen vertaling in een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, of in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, in voorkomend geval, in een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving van het stuk moet worden verricht — Ontbreken van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier — Gevolgen — Beoordeling door de gerechten van de lidstaat van oorsprong
O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-643/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supremo Tribunal de Justiça (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Portugal) bij beslissing van 4 september 2024, ingekomen bij het Hof op 30 september 2024, in de procedure
Manuel Costa FilhosLda.
tegen
OÜ Wine Port of Paldiski,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin, en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
OÜ Wine Port of Paldiski, vertegenwoordigd door M. A. Brogueira en P. Moreira, advogados,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, S. Duarte Afonso en M. J. Ramos als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en B. Rechena als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15) en artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 1393/2007’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Manuel Costa Filhos Lda. (hierna: ‘Manuel Costa’), gevestigd te Vizela (Portugal), en de vennootschap OÜ Wine Port of Paldiski (hierna: ‘Wine Port’), gevestigd te Tallinn (Estland), over de tenuitvoerlegging in Portugal van een beslissing die in Estland is gegeven en aldaar is gewaarmerkt als Europese executoriale titel.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 805/2004
3
In de overwegingen 8, 10 tot en met 12, 14, 18 en 21 van verordening nr. 805/2004 staat te lezen:
- ‘(8)
In zijn conclusies van Tampere heeft de Europese Raad geoordeeld dat de toegang tot de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat dan die waar de beslissing is gegeven, sneller en eenvoudiger dient te worden gemaakt, doordat de tussenmaatregelen die in de lidstaat van tenuitvoerlegging moeten worden genomen voordat de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, worden afgeschaft. Een beslissing die door het gerecht van oorsprong als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, moet, wat de tenuitvoerlegging betreft, op dezelfde manier worden behandeld als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven. […]
[…]
- (10)
Wanneer een gerecht in een lidstaat een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering heeft gegeven in een gerechtelijke procedure waarin de schuldenaar zich afzijdig heeft gehouden, is de afschaffing van elke vorm van controle in de lidstaat van tenuitvoerlegging onlosmakelijk verbonden met en afhankelijk van het bestaan van voldoende waarborgen voor de inachtneming van de rechten van de verdediging.
- (11)
Deze verordening heeft tot doel de grondrechten te bevorderen, en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)] zijn vastgelegd. Daarbij wordt in het bijzonder het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt erkend in artikel 47 van het Handvest, volledig geëerbiedigd.
- (12)
Minimumnormen dienen te worden vastgesteld voor de procedure die tot de beslissing leidt, teneinde ervoor te zorgen dat de schuldenaar, zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig is, in kennis wordt gesteld van de tegen hem ingestelde vordering, van de vereisten voor zijn actieve betrokkenheid bij de procedure om de vordering te betwisten, en van de gevolgen indien hij zich afzijdig houdt.
[…]
- (14)
Alle in de artikelen 13 en 14 vermelde wijzen van betekening en kennisgeving zijn gebaseerd op volledige zekerheid (artikel 13) of op een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid (artikel 14) dat het betekende document de geadresseerde heeft bereikt. Wat deze laatste categorie betreft dient een beslissing alleen dan als Europese executoriale titel te worden gewaarmerkt, indien de lidstaat van oorsprong beschikt over een passende procedure via welke de schuldenaar overeenkomstig bepaalde voorwaarden een verzoek om integrale toetsing van de beslissing kan indienen in de uitzonderlijke in artikel 19 vermelde gevallen waarin het document, ondanks het feit dat aan artikel 14 is voldaan, de geadresseerde niet heeft bereikt.
[…]
- (18)
Op grond van het wederzijdse vertrouwen in de rechtspleging in de lidstaten kan door een gerecht van een lidstaat worden vastgesteld dat aan alle voorwaarden voor erkenning als Europese executoriale titel is voldaan, zodat een beslissing in alle andere lidstaten ten uitvoer kan worden gelegd, zonder rechterlijke toetsing van de toepassing van de procedurele minimumnormen in de lidstaat waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd.
[…]
- (21)
Wanneer een document met het oog op betekening of kennisgeving van de ene lidstaat naar de andere moet worden gezonden, dienen de onderhavige verordening en in het bijzonder de daarin vervatte voorschriften voor betekening en kennisgeving te worden toegepast samen met verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken [(PB 2000, L 160, blz. 37)], en met name artikel 14 juncto de mededelingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 23 van die verordening.’
4
Artikel 1 (‘Doel’) van deze verordening luidt:
‘Deze verordening heeft ten doel om door de vastlegging van minimumnormen een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen in het leven te roepen ten behoeve van het vrije verkeer van beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten in alle lidstaten zonder dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid voorafgaand aan de erkenning en tenuitvoerlegging.’
5
Artikel 5 (‘Afschaffing van het exequatur’) van die verordening bepaalt:
‘Een beslissing die in de lidstaat van oorsprong als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, wordt in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid nodig is en zonder enige mogelijkheid de erkenning te betwisten.’
6
Artikel 10 (‘Rectificatie of intrekking van het Europese bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel’) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Op een verzoek gericht aan het gerecht van oorsprong wordt het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel
- a)
gerectificeerd wanneer ten gevolge van een materiële fout de beslissing en het bewijs van waarmerking onderling verschillen;
- b)
ingetrokken wanneer het, in het licht van de in deze verordening neergelegde vereisten, kennelijk ten onrechte is toegekend.
- 2.
Het recht van de lidstaat van oorsprong is van toepassing op de rectificatie en op de intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel.’
7
Artikel 13 (‘Betekening of kennisgeving met bewijs van ontvangst door de schuldenaar’) van verordening nr. 805/2004, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III (‘Minimumnormen voor procedures betreffende niet-betwiste schuldvorderingen’) van deze verordening, bepaalt in lid 1:
‘Betekening of kennisgeving aan de schuldenaar van het stuk dat het geding inleidt of van een gelijkwaardig stuk kan op een der volgende manieren zijn geschied:
- a)
door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een door de schuldenaar ondertekende bevestiging met de datum van ontvangst;
- b)
door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een document ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht, en waarin wordt verklaard dat de schuldenaar het stuk in ontvangst heeft genomen of zonder wettige grond geweigerd heeft, en waarin de datum van betekening of kennisgeving is vermeld;
- c)
door betekening of kennisgeving per post, blijkend uit een door de schuldenaar ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging met de datum van ontvangst;
- d)
door betekening of kennisgeving langs elektronische weg, bijvoorbeeld door middel van een faxbericht of een elektronisch postbericht, blijkend uit een door de schuldenaar ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging met de datum van ontvangst.’
8
Artikel 14 (‘Betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de schuldenaar’) van die verordening luidt:
- ‘1.
Betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt, van een gelijkwaardig stuk en van enigerlei dagvaarding voor een terechtzitting aan de schuldenaar kan ook zijn geschied op een van de hierna vermelde wijzen:
- a)
in persoon op het persoonlijke adres van de schuldenaar, aan een persoon die als huisgenoot van de schuldenaar dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is;
- b)
wanneer de schuldenaar een zelfstandige of een rechtspersoon is, in persoon op het zakenadres van de schuldenaar, aan een persoon die bij de schuldenaar in dienst is;
- c)
door deponering van het stuk in de brievenbus van de schuldenaar;
- d)
door deponering van het stuk op het postkantoor of bij de bevoegde autoriteiten, en schriftelijke mededeling daarvan in de brievenbus van de schuldenaar, mits in de schriftelijke mededeling duidelijk wordt vermeld dat het om een gerechtelijk stuk gaat of dat deze schriftelijke mededeling rechtsgeldig is als betekening of kennisgeving en de toepasselijke termijnen doet ingaan;
- e)
per post zonder bewijs overeenkomstig lid 3 indien de schuldenaar zijn adres in de lidstaat van oorsprong heeft;
- f)
langs elektronische weg, blijkens een automatische aankomstbevestiging, op voorwaarde dat de schuldenaar vooraf uitdrukkelijk met deze wijze van betekening of kennisgeving heeft ingestemd.
- 2.
Voor de toepassing van deze verordening is betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet toegestaan indien het adres van de schuldenaar niet met zekerheid bekend is.
- 3.
Betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder a) tot en met d), blijkt uit:
- a)
een document dat is ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of de kennisgeving heeft verricht, en waarin het volgende wordt vermeld:
- i)
de wijze waarop betekening of kennisgeving is geschied, en
- ii)
de datum van betekening of kennisgeving, en
- iii)
indien het stuk ter betekening of kennisgeving is aangeboden aan een andere persoon dan de schuldenaar, de naam van die persoon en zijn relatie tot de schuldenaar,
of
- b)
voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), een ontvangstbevestiging van de persoon aan wie betekening of kennisgeving is geschied.’
9
Artikel 18 (‘Herstel van niet-naleving van de minimumnormen’) van die verordening, dat in hoofdstuk III is opgenomen, bepaalt:
- ‘1.
Wanneer de procedure in de lidstaat van oorsprong niet aan de vormvereisten van de artikelen 13 tot en met 17 heeft voldaan, worden de vormgebreken hersteld en kan een beslissing als Europese executoriale titel worden gewaarmerkt, indien
- a)
betekening of kennisgeving van de beslissing overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 of 14 aan de schuldenaar is geschied; en
- b)
de schuldenaar de mogelijkheid heeft gehad tegen de beslissing een rechtsmiddel in te stellen door middel van een integrale toetsing, en de schuldenaar in of tegelijk met de beslissing naar behoren in kennis is gesteld van de desbetreffende vormvoorschriften, met inbegrip van de naam en het adres van de instantie waarbij het rechtsmiddel moet worden ingesteld en, in voorkomend geval, de toepasselijke termijn; en
- c)
de schuldenaar heeft verzuimd overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften tegen de beslissing een rechtsmiddel in te stellen.
- 2.
Wanneer de procedure in de lidstaat van oorsprong niet aan de vormvoorschriften van de artikelen 13 of 14 voldeed, worden de vormgebreken hersteld indien door het gedrag van de schuldenaar tijdens het proces is aangetoond dat hij het stuk waarvan betekening of kennisgeving moest plaatsvinden, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, persoonlijk in ontvangst heeft genomen.’
10
Artikel 20 (‘Tenuitvoerleggingsprocedure’) van die verordening bepaalt in lid 1:
‘Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk worden de tenuitvoerleggingsprocedures beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing wordt onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.’
11
Artikel 21 (‘Weigering van de tenuitvoerlegging’) van deze verordening luidt:
- ‘1.
De tenuitvoerlegging wordt op verzoek van de schuldenaar door het bevoegde gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging geweigerd indien de als Europese executoriale beslissing gewaarmerkte beslissing onverenigbaar is met een in een van de lidstaten of een derde land gegeven eerdere beslissing op voorwaarde dat:
- a)
de eerdere beslissing tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust; en
- b)
de eerdere beslissing in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven, of aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat van tenuitvoerlegging voldoet; en
- c)
de onverenigbaarheid in de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong niet als verweer is aangevoerd en ook niet had kunnen worden aangevoerd.
- 2.
In geen geval wordt in de lidstaat van tenuitvoerlegging overgegaan tot de beoordeling van de juistheid van de beslissing of de waarmerking daarvan als Europese executoriale titel.’
12
Artikel 23 (‘Opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging’) van die verordening bepaalt:
‘Wanneer de schuldenaar
- —
tegen een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing rechtsmiddelen heeft ingesteld, met inbegrip van een verzoek om heroverweging in de zin van artikel 19, of
- —
overeenkomstig artikel 10 om rectificatie of intrekking van de Europese executoriale titel heeft verzocht,
kan het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging, op verzoek van de schuldenaar:
- a)
de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen beperken; of
- b)
de tenuitvoerlegging afhankelijk maken van het stellen van een door dit gerecht of deze instantie te bepalen zekerheid; of
- c)
in buitengewone omstandigheden de tenuitvoerleggingsprocedure opschorten.’
13
Artikel 28 (‘Verhouding tot [verordening nr. 1348/2000]’) van die verordening luidt:
‘Deze verordening laat de toepassing van [verordening nr. 1348/2000] onverlet.’
Verordening nr. 1393/2007
14
Verordening nr. 1393/2007 is ingetrokken bij verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (PB 2020, L 405, blz. 40), die van toepassing is met ingang van 1 juli 2022. Gelet op de datum van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten moet het verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel worden onderzocht in het licht van verordening nr. 1393/2007.
15
Artikel 8 (‘Weigering van ontvangst van een stuk’) van verordening nr. 1393/2007, bepaalde in lid 1:
‘De ontvangende instantie stelt degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II opgenomen modelformulier in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:
- a)
een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, of
- b)
de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.’
16
In het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier (‘Mededeling aan de geadresseerde inzake zijn recht om de ontvangst van een stuk te weigeren’) wordt ten behoeve van degene voor wie het stuk is bestemd, het volgende vermeld:
‘U kunt weigeren het stuk in ontvangst te nemen indien het niet gesteld is in of vergezeld gaat van een vertaling, ofwel in een taal die u begrijpt ofwel in de officiële taal/een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving.
Indien u dat recht wenst uit te oefenen, moet u onmiddellijk bij de betekening of kennisgeving van het stuk en rechtstreeks ten aanzien van de persoon die de betekening of kennisgeving verricht de ontvangst ervan weigeren of moet u het stuk binnen een week terugzenden naar het onderstaande adres en verklaren dat u de ontvangst ervan weigert.’
Portugees recht
17
Artikel 191, lid 1, van de Código de Processo Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ‘CPC’) bepaalt:
‘Onverminderd artikel 188 is de betekening nietig indien niet aan de bij wet gestelde vormvoorschriften is voldaan.’
18
In het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure bepaalt artikel 696 CPC:
‘Een in kracht van gewijsde [gegane] beslissing kan alleen worden herzien indien:
[…]
- e)
de procedure bij verstek is gevoerd wegens de niet-tussenkomst van de verwerende partij en wordt aangetoond dat:
- i)
er geen betekening heeft plaatsgevonden of de verrichte betekening nietig is;
- ii)
de verwerende partij niet op de hoogte was van de betekening door omstandigheden die niet aan haar kunnen worden toegerekend;
- iii)
de verwerende partij geen verweer heeft kunnen voeren wegens overmacht;
[…]’
19
In artikel 729 CPC staat te lezen:
‘Tegen de tenuitvoerlegging op basis van een rechterlijke beslissing kan alleen verzet worden aangetekend op een van de volgende gronden:
[…]
- d)
de verwerende partij is niet tussengekomen in de declaratoire procedure in een van de gevallen als bedoeld in artikel 696, onder e), van het onderhavige wetboek;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Wine Port heeft in Portugal een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging ingeleid tegen Manuel Costa op grond van een beslissing van 12 april 2022 van de Harju Maakohtu Tallinna kohtumaja (rechter in eerste aanleg Harju, zittingsplaats Tallin, Estland), die krachtens verordening nr. 805/2004 is gewaarmerkt als Europese executoriale titel, waarbij Manuel Costa is veroordeeld tot betaling aan Wine Port van een schadevergoeding van 38 732,84 EUR en proceskosten ten bedrage van 2 418,97 EUR, vermeerderd met vertragingsrente.
21
Manuel Costa heeft tegen deze tenuitvoerlegging verzet aangetekend op grond dat zij nooit een kennisgeving of betekening heeft ontvangen voor de procedure waarin deze beslissing is gegeven, en dat zij niet op de hoogte was van die beslissing tot op het moment van tenuitvoerlegging ervan, zodat zij niet in staat was daartegen beroep in te stellen.
22
Wine Port heeft deze stelling betwist met het betoog dat het gedinginleidend stuk en de lijst van proceskosten regelmatig waren betekend aan Manuel Costa op haar statutaire zetel en dat haar juridische vertegenwoordiger telkens de desbetreffende ontvangstbewijzen had ondertekend en gedateerd, zonder dat deze vennootschap het bestaan, de geldigheid of de opeisbaarheid van de schuldvordering had betwist.
23
In het bijzonder heeft de Estse rechter na de betekening van het gedinginleidende stuk Manuel Costa verzocht om haar eventuele bezwaren in te dienen binnen een termijn van 28 dagen, te rekenen vanaf de ontvangstbevestiging van dat stuk van 21 januari 2022, ondertekend door de wettelijke vertegenwoordiger van die vennootschap.
24
Op 24 maart 2022 heeft deze rechter aan Manuel Costa ook een lijst van proceskosten betekend, waarbij hij aangaf dat zij over een termijn van vijf dagen beschikte om opmerkingen of bezwaren in te dienen. Deze betekening is ook ontvangen op de statutaire zetel van deze vennootschap, zonder dat zij daarover een standpunt heeft ingenomen.
25
Op 22 juni 2022 is deze vennootschap bij aangetekende brief in kennis gesteld van het feit dat de beslissing van 12 april 2022 als executoriale titel is gewaarmerkt.
26
Alle aldus betekende stukken waren in het Ests opgesteld en gingen niet vergezeld van het modelformulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007.
27
In het kader van de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging heeft de Portugese rechter in eerste aanleg het door Manuel Costa ingestelde verzet toegewezen en opschorting van de tenuitvoerlegging gelast, overwegende dat de betekening aan deze vennootschap met het oog op de declaratoire procedure in Estland nietig was in de zin van artikel 191, lid 1, CPC. Hij oordeelde dat deze betekening niet voldeed aan de vereisten van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, aangezien de aan die vennootschap betekende stukken niet in het Portugees waren opgesteld en evenmin vergezeld gingen van het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier, zodat deze vennootschap in kennis kon worden gesteld van haar recht om te weigeren die stukken in ontvangst te nemen.
28
Wine Port heeft tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de Tribunal da Relação do Porto (rechter in tweede aanleg Porto, Portugal), die het hoger beroep bij uitspraak van 11 april 2024 heeft toegewezen en de voortzetting van de tenuitvoerleggingsprocedure heeft gelast. In dit verband heeft deze rechter geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C-519/13, EU:C:2015:603), en 2 maart 2017, Henderson (C-354/15, EU:C:2017:157), en de beschikking van 5 mei 2022, ING Luxembourg (C-346/21, EU:C:2022:368), volgt dat het feit dat de betekening per aangetekende brief met ontvangstbevestiging niet vergezeld ging van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier niet tot nietigheid van die betekening leidt.
29
Manuel Costa heeft tegen het in hoger beroep gewezen arrest cassatieberoep ingesteld bij de Supremo Tribunal de Justiça (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Portugal), de verwijzende rechter.
30
Deze rechter preciseert dat uit de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat het ontbreken van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier niet tot nietigheid van de betekening kan leiden, maar enkel een verplichting tot regularisatie doet ontstaan. Hij merkt evenwel op dat in de zaken die tot die rechtspraak hebben geleid, het ontbreken van dit formulier is vastgesteld in de loop van de declaratoire procedure, in een fase waarin het nog mogelijk was om dit verzuim te herstellen door de betrokkene dat formulier te verstrekken. In casu werd het ontbreken van dat formulier daarentegen aangevoerd nadat de declaratoire procedure was beëindigd, zodat regularisatie niet meer mogelijk was.
31
De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of in een dergelijk geval, gelet op de vereisten die voortvloeien uit de eerbiediging van de rechten van de verdediging, zoals verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 zich verzet tegen de vaststelling dat de betekening per aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig is omdat zij niet vergezeld ging van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier.
32
Deze rechter vraagt zich ook af hoe artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 moet worden uitgelegd. In dit verband merkt hij op dat uit deze bepaling volgt dat een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.
33
Hij licht toe dat deze bepaling in de nationale rechtspraak aldus is uitgelegd dat, in het kader van een tenuitvoerlegging op basis van een Europese executoriale titel, de verwerende partij in die procedure zich tegen die tenuitvoerlegging kan verzetten op dezelfde gronden als die waarop zij zich zou kunnen beroepen om op te komen tegen de tenuitvoerlegging op basis van een in de lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing. Op grond van artikel 729, onder d), CPC, gelezen in samenhang met artikel 696, onder e), van dat wetboek, kan de verwerende partij in een tenuitvoerleggingsprocedure zich tegen die tenuitvoerlegging verzetten op grond dat deze partij niet in de declaratoire procedure is tussengekomen en de betekening per aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig is omdat zij niet vergezeld ging van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier.
34
Niettemin vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke uitlegging verenigbaar is met het doel van artikel 1 van verordening nr. 805/2004 en met de minimumvereisten inzake betekening, zoals bepaald in de artikelen 13 en 14 van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 14 ervan, waaraan de procedure in het kader waarvan de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is gegeven, moet voldoen.
35
In die omstandigheden heeft de Supremo Tribunal de Justiça de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
In het geval waarin het verzuim om het modelformulier van bijlage II bij [verordening nr. 1393/2007] toe te zenden vanuit procedureel oogpunt niet kan worden hersteld omdat de declaratoire procedure reeds tot een in kracht van gewijsde [gegane] beslissing heeft geleid, staat artikel 8, lid 1, van deze verordening dan — rekening houdend met de rechten van verdediging van de geadresseerde van dat stuk overeenkomstig de vereisten van een eerlijk proces, zoals verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] en artikel 6, lid 1, [EVRM] — in de weg aan een nationale regeling die de betekening bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig verklaart wanneer deze niet vergezeld gaat van het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier?
- 2)
Moet artikel 20, lid 1, van [verordening (EG) nr. 805/2004], volgens hetwelk ‘een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing […] onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer [wordt] gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven’, aldus worden uitgelegd dat de verwerende partij in een tenuitvoerleggingsprocedure zich tegen de tenuitvoerlegging op basis van een Europese executoriale titel kan verzetten op dezelfde gronden als die waarop zij zich tegen de tenuitvoerlegging op basis van een in de lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing zou kunnen verzetten, met name door aan te voeren dat zij niet is tussengekomen in de declaratoire procedure en dat de aan haar gerichte betekening bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig was omdat deze niet vergezeld ging van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier?
- 3)
Staat verordening nr. 805/2004 — gelet op de doelstellingen die hebben geleid tot de invoering van de Europese executoriale titel (artikel 1 van verordening nr. 805/2004) en de minimumvereisten inzake betekening die in acht moeten worden genomen in procedures waarin een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is gegeven (artikelen 13 en 14 van deze verordening), die volgens overweging 14 erdoor worden gekenmerkt dat zij volledige zekerheid (artikel 13) of een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid (artikel 14) verstrekken dat het betekende stuk de geadresseerde heeft bereikt — in de weg aan een nationale regeling als artikel 729, onder d), [CPC], gelezen in samenhang met artikel 696, onder e), i), van dit wetboek, waaruit volgt dat de verwerende partij in de tenuitvoerleggingsprocedure zich tegen de tenuitvoerlegging kan verzetten door aan te voeren dat zij niet is tussengekomen in de declaratoire procedure en dat de aan haar gerichte betekening bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig was omdat deze niet vergezeld ging van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede en derde vraag
36
Met zijn tweede en derde vraag, die samen en als eerste moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van de lidstaat van tenuitvoerlegging op grond waarvan, in het kader van een procedure tot tenuitvoerlegging van een in de lidstaat van oorsprong gegeven en als Europese executoriale titel gewaarmerkte rechterlijke beslissing, de verwerende partij zich tegen die tenuitvoerlegging kan verzetten op grond dat, in de procedure die tot deze beslissing heeft geleid, het gedinginleidend stuk haar per aangetekende brief met ontvangstbevestiging is betekend of ter kennis is gebracht zonder dat het is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die deze partij begrijpt, dan wel in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, in voorkomend geval, in een van de officiële talen van de plaats waar dit stuk moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht, en zonder dat het vergezeld gaat van het modelformulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007, waarmee die partij kan worden geïnformeerd over haar recht om de ontvangst van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk te weigeren.
37
Er zij aan herinnerd dat wat de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling betreft, volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 7 juli 2022, LKW WALTER, C-7/21, EU:C:2022:527, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Ten eerste bepaalt artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 blijkens de bewoordingen ervan dat onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV van deze verordening, waartoe de artikelen 21 en 23 behoren, waarin de gronden voor weigering, opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing worden vermeld, een dergelijke beslissing onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.
39
Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt dat de tenuitvoerleggingsprocedure wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging en dat de gerechten van die lidstaat de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte rechterlijke beslissing kunnen weigeren, opschorten of beperken op de in die verordening genoemde gronden.
40
Ten tweede moet worden opgemerkt dat in de opzet van die verordening een duidelijke bevoegdheidsverdeling bestaat tussen enerzijds de gerechten en autoriteiten van de lidstaat van oorsprong en anderzijds die van de lidstaat van tenuitvoerlegging, waaraan vereisten verbonden zijn die zowel in het kader van de procedure die leidt tot de vaststelling van een beslissing over een niet-betwiste schuldvordering als bij de tenuitvoerlegging van die beslissing in acht moeten worden genomen. Aan deze bevoegdheidsverdeling ligt ten grondslag dat de schuldvordering en de Europese executoriale titel waarbij deze wordt vastgesteld, worden beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong, terwijl de tenuitvoerleggingsprocedure overeenkomstig dat artikel wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Lufthansa Technik AERO Alzey, C-393/21, EU:C:2023:104, punt 38).
41
In de lidstaat van oorsprong moeten bij de waarmerking van een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering als Europese executoriale titel dan ook de minimumnormen van hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004 in acht worden genomen. In dit verband kan de niet-naleving van deze normen volgens artikel 18 van die verordening alleen voor de gerechten of instanties in die staat worden hersteld (arrest van 16 februari 2023, Lufthansa Technik AERO Alzey, C-393/21, EU:C:2023:104, punt 39).
42
Die minimumnormen zijn een uiting van de wil van de Uniewetgever om te waarborgen dat de procedures die leiden tot de vaststelling van beslissingen in verband met een niet-betwiste schuldvordering, voldoende waarborgen bieden voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging in de lidstaat van oorsprong, rekening houdend met het beginsel van het ontbreken van controle daarop in de lidstaat van tenuitvoerlegging (arrest van 28 februari 2018, Collect Inkasso e.a., C-289/17, EU:C:2018:133, punt 36), en hebben, zoals vermeld in overweging 12 van genoemde verordening, tot doel om de schuldenaar, zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig is, in kennis te stellen van de tegen hem ingestelde vordering, van de vereisten voor zijn actieve betrokkenheid bij de procedure om de vordering te betwisten, en van de gevolgen indien hij zich afzijdig houdt.
43
Met het oog op die inkennisstelling volgt uit artikel 28 van verordening nr. 805/2004, gelezen in het licht van overweging 21 ervan, dat wanneer een stuk door een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden, deze verordening geen afbreuk doet aan de toepassing van verordening nr. 1348/2000, de voorganger van verordening nr. 1393/2007. De betekening of kennisgeving van dit stuk moet dus voldoen aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 en moet bijgevolg vergezeld gaan van het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier, teneinde degene voor wie het stuk is bestemd in kennis te stellen van zijn recht om te weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht in ontvangst te nemen wanneer het niet is opgesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, dan wel in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, in voorkomend geval, in een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving van dit stuk moet worden verricht.
44
Het is dus belangrijk dat niet alleen wordt gewaarborgd dat de schuldenaar naar behoren wordt geïnformeerd over het bestaan en de inhoud van de tegen hem in het buitenland ingestelde vordering en dat hij in staat is om de betekenis en de draagwijdte van deze vordering daadwerkelijk en volledig te kennen en te begrijpen, maar ook dat in de lidstaat van oorsprong een passend rechtsmiddel kan worden aangewend wanneer niet aan deze vereisten is voldaan.
45
Hieruit volgt dat indien het gedinginleidend stuk of een gelijkwaardig stuk niet vergezeld van dit formulier is betekend of ter kennis is gebracht en dit verzuim niet is hersteld in de loop van de procedure in de lidstaat van oorsprong, de in het kader van die procedure gegeven beslissing niet kan voldoen aan de minimumnormen van hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004 en niet als Europese executoriale titel kan worden gewaarmerkt.
46
Een in dergelijke omstandigheden afgegeven bewijs van waarmerking is dus ten onrechte toegekend in de zin van artikel 10, lid 1, onder b), van verordening nr. 805/2004, zodat het op verzoek moet worden ingetrokken door het gerecht van oorsprong.
47
De bevoegde gerechten of instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging zijn gerechtigd om in het kader van de hun bij artikel 20 van verordening nr. 805/2004 verleende bevoegdheid te toetsen of er elementen zijn die de weigering van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 21, lid 1, van deze verordening of de beperking of opschorting van de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 23 daarvan rechtvaardigen (arrest van 16 februari 2023, Lufthansa Technik AERO Alzey, C-393/21, EU:C:2023:104, punt 40).
48
Hieruit volgt dat de verwerende partij zich in het kader van een in de lidstaat van oorsprong ingeleide procedure alleen op basis van de gronden genoemd in artikel 21 van verordening nr. 805/2004, betreffende het bestaan van onverenigbare beslissingen, en artikel 23 van deze verordening, betreffende de opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging, kan verzetten tegen de tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
49
In het bijzonder bepaalt artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 dat wanneer de schuldenaar een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing, daaronder begrepen een verzoek tot heroverweging in de zin van artikel 19 van deze verordening, of wanneer hij overeenkomstig artikel 10 van die verordening om rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel heeft verzocht, het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging in buitengewone omstandigheden de tenuitvoerleggingsprocedure op verzoek van de schuldenaar kan opschorten.
50
Deze mogelijkheden om in de lidstaat van oorsprong een beroep, een verzoek tot intrekking of een verzoek tot heroverweging in te stellen, waarborgen dat de in die verordening bedoelde afschaffing van de controles in de uitvoerende lidstaat niet plaatsvindt zonder de eerbiediging van de rechten van de verdediging te verzekeren.
51
In casu valt de omstandigheid dat, zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, de verwerende partij in de tenuitvoerleggingsprocedure niet is tussengekomen in de declaratoire procedure na afloop waarvan de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is gegeven en het stuk waarvan betekening moet worden verricht en dat haar in het kader van die procedure per aangetekende brief met ontvangstbevestiging was toegezonden, niet vergezeld ging van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier niet onder de in de artikelen 21 en 23 van verordening nr. 805/2004 genoemde gronden.
52
Een dergelijke omstandigheid betreft de procedure in de lidstaat van oorsprong en de waarmerking van de beslissing die na afloop van die procedure als Europese executoriale titel is gegeven, zodat deze aspecten niet ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de bevoegde gerechten of autoriteiten van de lidstaat van tenuitvoerlegging (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Lufthansa Technik AERO Alzey, C-393/21, EU:C:2023:104, punt 41).
53
Ten derde moet worden opgemerkt dat de uitlegging van artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 die voortvloeit uit de bewoordingen en de context van deze bepaling, beantwoordt aan het doel van deze verordening, dat, zoals blijkt uit de artikelen 1 en 5 ervan, gelezen in het licht van de overwegingen 8, 10, 11 en 18, erin bestaat om — met inachtneming van het wederzijdse vertrouwen in de rechtspleging in de lidstaten, waarop de bevoegdheidsverdeling berust tussen enerzijds de gerechten en autoriteiten van de lidstaat van oorsprong en anderzijds die van de lidstaat van tenuitvoerlegging — het vrije verkeer van met name beslissingen inzake niet-betwiste schuldvorderingen te verzekeren en de tenuitvoerlegging ervan te bespoedigen en te vereenvoudigen door de procedure om die beslissingen uitvoerbaar te maken af te schaffen en tegelijkertijd de rechten van de verdediging te waarborgen.
54
In casu lijkt tot op heden in Estland geen enkele stap, zoals een verzoek tot intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel, te zijn ondernomen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing staat daarentegen vast dat Manuel Costa zich verzet tegen de tenuitvoerlegging in Portugal van de rechterlijke beslissing die in Estland als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, op grond van het feit dat tijdens de procedure die tot die beslissing heeft geleid, het gedinginleidend stuk haar niet overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 is betekend in een taal die zij begrijpt of in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging, en niet vergezeld ging van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier, waarmee zij in kennis kon worden gesteld van haar recht om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen.
55
Uit het voorgaande volgt dat deze grond niet valt onder de in de artikelen 21 en 23 van verordening nr. 805/2004 genoemde gronden op basis waarvan de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte rechterlijke beslissing kan worden geweigerd, opgeschort of beperkt.
56
Daarentegen moet worden opgemerkt dat deze grond betrekking heeft op de geldigheid van de waarmerking van de ten uitvoer te leggen beslissing als Europese executoriale titel, die, zoals in de punten 41 en 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, alleen kan worden aangevochten voor de gerechten van de lidstaat van oorsprong.
57
Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van de lidstaat van tenuitvoerlegging op grond waarvan, in het kader van een procedure tot tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gegeven en gewaarmerkte rechterlijke beslissing, de verwerende partij zich tegen die tenuitvoerlegging kan verzetten op grond dat, in de procedure die tot deze beslissing heeft geleid, het gedinginleidend stuk haar per aangetekende brief met ontvangstbevestiging is betekend of ter kennis is gebracht zonder dat het is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die deze partij begrijpt, dan wel in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, in voorkomend geval, in een van de officiële talen van de plaats waar dit stuk moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht, en zonder dat het vergezeld gaat van het modelformulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007, waarmee die partij kan worden geïnformeerd over haar recht om de ontvangst van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk te weigeren.
Eerste vraag
58
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de betekening van een gerechtelijk stuk per aangetekende brief met ontvangstbevestiging nietig is wanneer het te betekenen stuk is opgesteld in een andere taal dan de in die bepaling bedoelde taal en dit stuk niet vergezeld gaat van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier, ook al is de procedure na afloop waarvan een rechterlijke beslissing als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, afgerond, zodat deze betekening niet meer kan worden geregulariseerd.
59
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat het Hof met name alleen kan weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de bepaling van Unierecht waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, geen toepassing kan vinden (arrest van 17 september 2015, van der Lans, C-257/14, EU:C:2015:618, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het antwoord op de tweede en de derde vraag, de verwijzende rechter bij wie verzet is aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing die krachtens verordening nr. 805/2004 als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, bevoegd is om na te gaan of de tot staving van dat verzet aangevoerde gronden vallen onder de gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 21 van deze verordening, dan wel, in voorkomend geval, onder de in artikel 23 van die verordening genoemde gronden voor opschorting of beperking van die tenuitvoerlegging.
61
Zoals in de punten 41 en 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, valt de waarmerking van een beslissing als Europese executoriale titel, met inbegrip van de beoordeling van de geldigheid van die waarmerking, daarentegen onder de exclusieve bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong dat deze beslissing heeft gegeven, waarbij daartoe overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van verordening nr. 805/2004 een verzoek tot intrekking van een ten onrechte toegekende waarmerking kan worden ingediend.
62
Om na te gaan of het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel ten onrechte is afgegeven, moet het gerecht van oorsprong dus nagaan of de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong die heeft geleid tot de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing, voldeed aan de vereisten van de minimumnormen van hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004, dan wel of, in voorkomend geval, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 18 van deze verordening om de niet-naleving van de minimumnormen te herstellen.
63
Hieruit volgt dat de vaststelling dat er ten onrechte een bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel is toegekend omdat het gedinginleidend stuk niet regelmatig is betekend wegens het ontbreken van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier en het feit dat dit stuk niet is opgesteld in een van de in artikel 8, lid 1, van deze verordening bedoelde talen, onder het recht van de lidstaat van oorsprong en de exclusieve bevoegdheid van zijn gerechten valt.
64
Aangezien deze bepaling niet van toepassing kan zijn op het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, hoeft de eerste vraag dus niet te worden beantwoord.
Kosten
65
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een regeling van de lidstaat van tenuitvoerlegging op grond waarvan, in het kader van een procedure tot tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gegeven en gewaarmerkte rechterlijke beslissing, de verwerende partij zich tegen die tenuitvoerlegging kan verzetten op grond dat, in de procedure die tot deze beslissing heeft geleid, het gedinginleidend stuk haar per aangetekende brief met ontvangstbevestiging is betekend of ter kennis is gebracht zonder dat het is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die deze partij begrijpt, dan wel in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, in voorkomend geval, in een van de officiële talen van de plaats waar dit stuk moet worden betekend of ter kennis moet worden gebracht, en zonder dat het vergezeld gaat van het modelformulier in bijlage II bij verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013, waarmee die partij kan worden geïnformeerd over haar recht om de ontvangst van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk te weigeren.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑11‑2025