Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/4.2.1
4.2.1 Ontstaan van coassurantie
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183594:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Goudsmit 1882, p. 201-203 schrijft over assurantiecontracten die al ontstonden in de 14e eeuw rond de Middellandse zee in Portugal, Spanje en Italië. Zie ook: Jolles1867, p. 29.
In 1598 ontstond in Rotterdam een beursgebouw en in 1611 in Amsterdam (zie ook de bespreking in par. 4.2.2). Vgl. De Groote 1975, p. 10.
Een mooi overzicht van de historie is te vinden in Gaastra 2009. Noemenswaardig is ook het werk van Van Deursen 2013 en Israel 2008.
Enschedé 1886, p. 1.
Davids 1998, p. 190.
IJzerman & Den Dooren de Jong 1930, p. 222-228. Verzekerd werden een drietal schepen: ‘De Zeehondt’, ‘De Roode Hondt’ en ‘Sint Jacob’.
Van Velzen 2017, p. 5; Dorhout Mees 1967, p. 25, randnr. 35.
Van Velzen 2017, p. 4.
Van Velzen 2017, p. 4.
Dorhout Mees 1967, p. 11-12; Nolst Trenité 1928, p. 19; Jolles 1867, p. 26-27.
Jolles 1967, p. 26-27; Nolst Trenité 1928, p. 19-20.
Nolst Trenité 1928, p. 20.
Jolles 1867, p. 27.
Den Heijer 2002, p. 10.
Davids 1998, p. 185.
Den Heijer 2002, p. 10.
Davids 1998, p. 190-191.
Den Heijer 2002, p. 11.
Gaastra 2009, p. 19. In de kern lag de reden hiervoor in de sterke onderlinge concurrentie tussen de compagnieën. De VOC kreeg daarom het monopolie op de Azië-vaart.
Davids 1998, p. 187.
Davids 1998, p. 192.
Het ontstaan van coassurantie ligt als gezegd rond het einde van de 16e of het begin van de 17e eeuw.1 In die periode nam in Nederland, toen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (hierna: de Republiek), de (overzeese) handel en de politieke macht toe. Gelijktijdig ontstonden in Rotterdam en Amsterdam, naar voorbeeld van Zuid-Europa (vooral: Italië, Spanje en Vlaanderen), beurzen waar naast allerlei goederen ook in assurantiën, oftewel verzekeringen, werd gehandeld.2 Het was de tijd die later als de ‘Gouden Eeuw’ (circa 1588-1702) zou worden aangeduid vanwege de ongekende economische bloei in de Republiek. Belangrijke mijlpalen werden in die tijd gezet zoals de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602, de expedities naar Azië en Amerika, de bloei in de kunst en de opkomst van Amsterdam als financiële en economische metropool.3 Met de toename van deze welvaart groeide ook het belang van een verzekering.
De eerste vorm van verzekering betreft de zee- of transportverzekering waarbij het schip en de vervoerde zaken werden verzekerd tegen de ‘gevaren der zee’.4 Volgens Davids was de groei van de vraag naar verzekeringen niet zozeer te danken aan (de opkomst van) de vaart naar Oost- en West-Indië – daar werden de risico’s vooral intern gedragen – maar vooral aan de gevaarvolle zeevaart op het Middellands zeegebied.5 In ieder geval waren verzekeringen een uiterst nuttig instrument om de risico’s die nu eenmaal hoorden bij het bedrijven van handel (bijvoorbeeld het verlies van een lading en/of schade aan een schip) te kunnen afdekken. De risico’s die men liep, konden behoorlijk oplopen. Dat verklaart het ontstaan van het principe van coassurantie. Coassurantie werd eigenlijk al vanaf het ontstaan van verzekeren gebruikt om risico’s te spreiden. Zo blijkt uit de oudst bekende Hollandse zee-assurantiepolis (daterend uit 1592) dat verschillende assuradeuren ieder voor zich voor een bepaald aandeel tekenden op een polis waarop een drietal schepen werd verzekerd: ‘De Zeehondt’, ‘De Roode Hondt’ en ‘Sint Jacob’.6 De assuradeuren, rijke kooplieden die bereid waren met hun vermogen garant te staan voor risico’s, tekenden dus in coassurantie.7 Verzekeren was voor hen vooral een nevenactiviteit en een (soms lucratieve) wijze van belegging. Interessant is dat zich onder de assuradeuren van de bovengenoemde polis Isaac Le Maire, mede-oprichter van de VOC, bevond. Dit is typerend voor die tijd omdat het laat zien dat vooral de rijke kooplieden het aandurfden om zich met verzekeren (die toen nog behoorlijke risicopremies met zich meebrachten) bezig te houden.
Kortom, coassurantie als manier om risico’s te spreiden ontwikkelde zich tegelijkertijd met de groei van de (wereld)handel. Het spreiden van risico’s over meerdere assuradeuren was een goede mogelijkheid om kooplieden bereid te vinden om risico’s te accepteren. Verzekeringsmaatschappijen werden pas in de 18e en 19e eeuw opgericht in Nederland. De zeeverzekering was in de 16e en 17e eeuw nauw verbonden met financiering en beleggen.8 Dit vloeide voort uit de andere zekerheidsregelingen in die tijd: het bodemerij-contract, de partenrederij en ‘de onderlinge’.9 Zij worden ook wel als voorlopers van coassurantie beschouwd en ik zal ze daarom hieronder kort schetsen.
Bodemerij
Veelvoorkomend in de Republiek waren de contracten waarbij risico niet zelfstandig werd overgedragen maar onderdeel vormde van een geldlening, het bodemerij-contract genoemd.10 Bij bodemerij verschaften geldschieters een lening aan een scheepseigenaar onder het beding dat ingeval van vergaan van schip of lading het geleende bedrag niet hoefde te worden terugbetaald.11 Bij behoudenvaren was de reder daarentegen een premie verschuldigd aan de geldschieters. Vanuit deze financieringsmethode, die het mogelijk maakte om kapitaal bijeen te brengen en een belegging was voor speculerende kooplieden, is de verzekering geleidelijk aan een afzonderlijk contract gaan vormen.12 Nolst Trenité geeft deze verschuiving fraai weer:
‘de kapitalist betaalde de geldsom niet meer uit als lening, doch beloofde ze als vergoeding, en hij ontving nu ook geen rente meer van zijn kapitaal, doch premie als prijs voor zijn belofte om te vergoeden’.13
De geldlening werd als zodanig dus losgekoppeld van het onderdeel van het lopen van het risico. Dat werd tegenover een premie als zelfstandig contract beschouwd.14
Partenrederij
Risicospreiding, ik zal dat in par. 4.3 uitwerken, was ook al bekend bij de partenrederij, een financieringsvorm die al bestond sinds de 15e eeuw.15 Deze bedrijfsvorm bestond hieruit dat (kleine) kapitaalbezitters een aandeel of ‘part’ in een schip konden kopen. Zodoende berustte het eigendom en risico van een schip zelden of nooit in één hand. Er bestonden scheepsparten van bijvoorbeeld 1/4, 1/8, 1/16, maar ook van 1/32, 1/128 of 1/256.16 Parten kocht men meestal voor de duur van een reis en na afloop daarvan werd de onderneming ontbonden en de winst of het verlies onder de partenreders verdeeld.17 Het kwam ook voor dat scheepsparten, die verhandelbaar waren op de beurs, werden verzekerd.18 Hoewel de partenrederij effectief was voor handel met omringende landen in Europa, was het vanwege de korte levensduur, de kleinschaligheid en de scheiding tussen reders en bevrachters, als bedrijfsorganisatie ongeschikt voor de langeafstandshandel met Azië.19 Toch heeft deze financieringsvorm door de aantrekkelijkheid voor kleine spaarders, een enorme boost gegeven aan de groei van de Nederlandse economie ten tijde van de Gouden Eeuw. Uiteindelijk is zij verdwenen met de oprichting van compagnieën, die later op gezag van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, in de VOC werden verenigd.20
‘Onderlinge’
Een derde wijze van risicospreiding die toen voorkwam, en die te beschouwen is als een voorloper van coassurantie is de ‘onderlinge’. Daarbij ging het in de kern om een overeenkomst waarbij reders en/of stuurlieden zich verbonden om ingeval schip en uitrusting door natuurlijke oorzaken of door molest van kapers, zeerovers of vijandige oorlogsschepen verloren gingen, de schade te vergoeden door het verlies achteraf over alle deelnemers aan de overeenkomst om te slaan (te ‘smaldeelen’) of een uitkering te verlenen uit een fonds dat vooraf door inleg van de participanten tot stand was gebracht.21 Deze wijze van risicospreiding, ook wel aangeduid als ‘bent’, ‘bentcontract’ of ‘redersbent’, was vooral in gebruik bij de haringvisserij en de walvisvaart. Sectoren die, volgens Davids, gekenmerkt werden door een hoge mate van communicatie en coöperatie tussen reders en gezagvoerders.22 Juist dat coöperatieve karakter maakte het mogelijk om schade te ‘smaldeelen’ of een fonds tot stand te brengen.
In de hierboven geschetste historische context kwam coassurantie als middel om risico’s effectief te kunnen verzekeren dus tot ontwikkeling. De plaatsen waar de assuradeuren of kooplieden elkaar ontmoeten werden aangeduid als de beurzen. Gelet op het belang van ‘de beurs’ voor het functioneren van de coassurantiemarkt behandel ik dat aspect uitgebreider in de volgende paragraaf.