Gerechtshof Amsterdam 27 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3667.
HR, 10-11-2023, nr. 23/00715
ECLI:NL:HR:2023:1535
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-11-2023
- Zaaknummer
23/00715
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1535, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑11‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3667, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:758, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:758, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1535, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑02‑2023
- Vindplaatsen
JOR 2024/2 met annotatie van mr. K.A.M. van Vught
TBR 2024/22 met annotatie van C. Siewers
Uitspraak 10‑11‑2023
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00715
Datum 10 november 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
FRESCH PROJECTONTWIKKELING B.V.,
gevestigd te Den Haag,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Fresch,
advocaat: J. Streefkerk,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS PARKEERTERREIN AMSTELLAND BUSINESS CENTER,
gevestigd te Diemen, kantoorhoudende te Amstelveen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de VvE,
advocaat: R.P. Streng.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 8764746 EA VERZ 20-688 van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2020;
b. de beschikking in de zaak 200.288.187/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 december 2022.
Fresch heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De VvE heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Fresch heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De VvE omvat de rechthebbenden van 41 appartementsrechten, zijnde parkeerplaatsen. Fresch is rechthebbende van zes van deze appartementsrechten.
(ii) In art. 33 lid 8 van het toepasselijke modelreglement staat dat de oproeping voor de vergadering van de vereniging van eigenaars wordt verzonden naar de werkelijke of in overeenstemming met art. 1:15 BW gekozen woonplaats van de eigenaars en de agendapunten alsmede plaats en tijdstip van de vergadering moet bevatten.
(iii) Op 5 juni 2020 is per e-mail een oproep gestuurd voor een vergadering van de vereniging van eigenaars (hierna: de VvE-vergadering) op 25 juni 2020. Deze vergadering is vervolgens, per e-mail van 17 juni 2020, verplaatst naar 2 juli 2020.
(iv) Op de vergadering van 2 juli 2020 waren 21 van de 41 stemmen vertegenwoordigd en is besloten een hek te plaatsen langs de parkeerplaatsen en het bestuur te machtigen om voor ten hoogste € 10.000,-- inclusief btw een hek te bestellen (hierna: het besluit).
2.2
In deze procedure verzoekt Fresch het besluit te vernietigen. Zij heeft daaraan onder meer ten grondslag gelegd dat zij niet op de juiste wijze voor de vergadering is opgeroepen zodat zij niet wist van de vergadering en van het besluit.
2.3
De kantonrechter heeft Fresch niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op de grond dat zij haar verzoekschrift te laat heeft ingediend.
2.4
Het hof1.heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Over het betoog van Fresch dat zij niet op de juiste wijze voor de vergadering is opgeroepen, heeft het hof als volgt overwogen:
“3.7.2 Anders dan Fresch met haar grieven aanvoert, sluit het van toepassing verklaarde modelreglement niet uit dat rechtsgeldig oproepen voor een VvE vergadering naast de verzending per post ook per mail kan plaatsvinden. Verder heeft Fresch niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep met het gebruikte e-mailadres [e-mailadres 1] en zij heeft daar ook nooit bezwaar tegen gemaakt. Dat Fresch al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming in de VvE vergadering van 2 juli 2020 met betrekking tot het plaatsen van een hekwerk valt bovendien op te maken uit het bericht van [betrokkene 1] van de firma Energiemissie B.V. Die was zoals Fresch in haar beroepschrift aanvoert op de vergadering van 2 juli 2020 aanwezig en heeft haar over het hekwerk bericht. Pas op 19 oktober 2020 (…) heeft Fresch verzocht de correspondentie voortaan naar [een] ander e-mailadres, namelijk [e-mailadres 2] te sturen. Nu Fresch rond 9 juli 2020 op de hoogte was van de besluitvorming in de VvE vergadering en ruim twee maanden later op 17 september 2020 een verzoekschrift tot vernietiging heeft ingediend, heeft de kantonrechter haar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 5:131 van het BW [HR: bedoeld zal zijn art. 5:130 lid 2 BW] had het verzoek tot vernietiging immers binnen een maand na de dag waarop Fresch van het besluit had kennis genomen of had kunnen kennis nemen moeten worden gedaan.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel I van het middel is gericht tegen de overweging van het hof in rov. 3.7.2 van het bestreden arrest dat het modelreglement niet uitsluit dat oproeping voor een VvE-vergadering behalve per post ook per e-mail kan plaatsvinden. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft geoordeeld dat elektronische oproeping op grond van art. 2:41 lid 5 BW alleen dan niet is toegestaan als de statuten dat expliciet verbieden. Uit art. 2:41 lid 5 BW vloeit voort dat elektronische oproeping slechts is toegestaan indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen, aldus het onderdeel.
3.1.2
Art. 2:41 lid 5 BW luidt als volgt:
“Tenzij de statuten anders bepalen kan, indien een lid of afgevaardigde hiermee instemt, de bijeenroeping geschieden door een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht aan het adres dat door hem voor dit doel is bekend gemaakt.”
Art. 2:41 BW is, bij gebreke van een schakelbepaling, niet rechtstreeks van toepassing op de vereniging van eigenaars (art. 5:124 lid 3 BW). Niettemin moet, overeenkomstig de uitlatingen van de minister genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.15, worden aangenomen dat de vergadering van eigenaars langs elektronische weg kan worden bijeengeroepen met inachtneming van de voorwaarden en het voorbehoud genoemd in art. 2:41 lid 5 BW. Het onderdeel klaagt daarover terecht niet.
3.1.3
In de parlementaire geschiedenis van art. 2:41 lid 5 BW is niet nader toegelicht hoe de zinsnede “tenzij de statuten anders bepalen” moet worden uitgelegd.2.Aangenomen moet worden dat de zinsnede “tenzij de statuten anders bepalen” in deze bepaling inhoudt dat elektronische oproeping slechts dan niet is toegelaten indien die wijze van oproepen in de statuten voldoende duidelijk wordt uitgesloten.De hiervoor in 3.1.1 genoemde klacht faalt daarom.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Fresch in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de VvE begroot op op € 857,-- aan verschotten en nihil voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 10 november 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑11‑2023
Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 30019, nr. 3, p. 11.
Conclusie 01‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Appartementsrecht; verzoek tot vernietiging besluit; aanvang termijn art. 5:130 lid 2 BW; (kunnen) kennisnemen van het besluit; elektronische oproeping (art. 2:41 lid 5 BW); onderhoud (art. 38 lid 5 Modelreglement 1992); passeren bewijsaanbod
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00715
Zitting 1 september 2023
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
Fresch Projectontwikkeling B.V.
verzoekster tot cassatie
adv.: mr. J. Streefkerk
tegen
Vereniging van Eigenaars Parkeerterrein Amstelland Business Center
verweerster in cassatie
geen verweer
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Fresch respectievelijk de VvE.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
De VvE betreft een in appartementsrechten verdeeld parkeerterrein. Het gaat in deze zaak om een verzoek van Fresch – lid van de VvE en tevens projectontwikkelaar van enkele naastgelegen bedrijventerreinen – tot vernietiging van besluiten van de vergadering van eigenaars, waaronder een besluit tot plaatsing van een hek langs het parkeerterrein. Fresch was niet ter vergadering aanwezig. Evenals de kantonrechter heeft het hof Fresch niet-ontvankelijk verklaard omdat zij haar verzoek niet heeft ingediend binnen de in art. 5:130 lid 2 BW bedoelde termijn van een maand nadat de verzoeker van het besluit heeft kennisgenomen of heeft kunnen kennisnemen. Het hof heeft daartoe overwogen dat Fresch per e-mail rechtsgeldig voor de vergadering is opgeroepen (art. 2:41 lid 5 BW) en dat zij al ruim twee maanden vóór de indiening van haar verzoek op de hoogte is gesteld van de besluitvorming. In cassatie wordt door Fresch tegen beide oordelen opgekomen. Ook bestrijdt zij het oordeel dat voor het besluit tot plaatsing van het hek geen gekwalificeerde meerderheid nodig was als bedoeld in art. 38 lid 5 Modelreglement 1992. Ik meen dat de klachten geen doel treffen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Er kan, voor zover in cassatie van belang, van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) De VvE bestaat uit 41 appartementsrechten, zijnde parkeerplaatsen (hierna ook: het parkeerterrein). Fresch is sinds 2018 eigenaar van de appartementsrechten nummer A18, A19, A20, A27, A28 en A29.2.
(ii) Fresch is voorts eigenaar (geweest3.) van het naastgelegen bedrijventerrein met nummer 1493.4.
(iii) In artikel 33 lid 8 van het in de splitsingsakte5.van toepassing verklaarde Modelreglement van 2 januari 1992 (hierna: MR 1992)6.staat dat de oproeping voor de vergadering wordt verzonden naar de werkelijke of in overeenstemming met artikel 1:15 van het BW gekozen woonplaats van de eigenaars en de agendapunten alsmede plaats en tijdstip van de vergadering moet bevatten.
(iv) Op 5 juni 2020 is per e-mail een oproep gestuurd voor de vergadering van 25 juni 2020 te 15.00 uur.7.Deze vergadering is vervolgens, per e-mail van 17 juni 20208., verplaatst naar 2 juli 2020 te 15.00 uur.9.
(v) Op de vergadering van 2 juli 2020 waren 21 stemmen (van de in totaal 41 stemmen, toev. A-G) vertegenwoordigd en is het volgende besluit genomen:
“7. Onderhoud VvE
(...)
De vergadering besluit een hek te gaan plaatsen langs de parkeerplaatsen. Het bestuur krijgt mandaat om tot maximaal € 10.000 inclusief btw een hek te bestellen.”10.
(vi) Uit een e-mail van 9 juli 2020 van de beheerder van de VvE blijkt dat de notulen van de vergadering van 2 juli 2020 op 9 juli 2020 op de online portal van de beheerder zijn geplaatst.11.
2.2
Bij inleidend verzoekschrift tot vernietiging ex art. 5:130 BW van 17 september 2020 heeft Fresch de kantonrechter Amsterdam verzocht de besluiten van de VvE van 2 juli 2020 te vernietigen.Zij heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd (i) dat zij niet, althans niet rechtsgeldig, is opgeroepen voor de vergadering (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub a, BW) en (ii) dat het besluit tot plaatsing van het hek in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW (art. 2:15 lid 1, aanhef en sub b, BW) omdat daardoor zonder goede reden de toegankelijkheid van de door haar ontwikkelde en te ontwikkelen bedrijfsunits wordt belemmerd.12.
2.3
De VvE heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Fresch in haar verzoek niet-ontvankelijk is, nu dit niet is ingediend binnen een maand nadat zij kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen van de besluiten (art. 5:130 lid 2 BW). Nu zowel de uitnodiging als de notulen per e-mail zijn verzonden naar het e-mailadres van Fresch dat steeds voor de communicatie is gebruikt, had Fresch reeds kort na de op 2 juli 2020 gehouden vergadering van de besluiten kunnen kennisnemen.13.Bovendien was Fresch voor 9 juli 2020 daadwerkelijk van het besluit op de hoogte gebracht, aldus de VvE14.15.
2.4
Volgens Fresch heeft zij pas op 3 september 2020 kennisgenomen van de besluiten, zodat zij haar verzoek tijdig heeft ingediend. De oproepen voor de vergadering zijn niet op de juiste manier gedaan (per e-mail in plaats van per post) en zijn in de spambox terechtgekomen, zodat zij niet wist en niet kon weten van de vergadering en de aldaar genomen besluiten, aldus Fresch.16.
2.5
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
2.6
Bij beschikking van 11 december 202017.heeft de kantonrechter Fresch niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken.
2.7
De kantonrechter heeft daartoe als volgt overwogen:
“10. In het toepasselijke reglement staat dat de oproeping voor de vergadering wordt verzonden naar de werkelijke of in overeenstemming met artikel 1:15 BW gekozen woonplaats. Fresch heeft onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de communicatie steeds per e-mail heeft plaatsgevonden en dat Fresch dit e-mailadres zelf heeft opgegeven. Fresch heeft tegen de correspondentie via dit e-mailadres ook eerder geen bezwaren geuit, noch laten weten dat zij op dat mailadres niet meer bereikbaar is. Integendeel, zij heeft zelf ook gecommuniceerd met (de beheerder van) [de VvE] vanaf het betreffende mailadres en pas per oktober 2020 een wijziging daarin doorgegeven.
11. Onder die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 2:41 lid 5 BW, zijnde dat bijeenroeping kan geschieden door een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht aan het adres dat door hem voor dit doel bekend is gemaakt. Dat betekent dat Fresch op de juiste wijze is opgeroepen voor de vergadering. Het niet controleren van de spam box van haar e-mail komt voor rekening van Fresch. Fresch had derhalve op de hoogte kunnen zijn van de vergadering, de verplaatsing daarvan en de agenda voor die vergadering. Uit de oproep blijkt ook dat de agenda is meegestuurd, zodat het standpunt dat de agenda niet is ontvangen, zonder nadere toelichting, niet tot een ander oordeel kan leiden. Oproeping voor de vergadering heeft derhalve op de juiste wijze plaatsgevonden.
12. Vervolgens is de vraag wanneer Fresch kennis had kunnen nemen van de aldaar genomen besluiten. Nu uit een e-mail blijkt dat de notulen op 9 juli 2020 op de online portal van de beheerder van [de VvE] zijn geplaatst had Fresch vanaf dat moment kennis kunnen nemen van de besluiten. Zelfs indien de notulen daar niet op dat moment waren geplaatst had zij daarmee bekend kunnen zijn. Van een lid van de VvE mag immers in het algemeen worden verwacht dat zij moeite doet om kort na de vergadering kennis te nemen van de genomen besluiten, en dat hij binnen een week na de vergadering informatie daarover inwint (ECLI:NL:HR:2019:1022). Dat betekent dat zij (veel) te laat is met het indienen van onderhavig verzoekschrift. Fresch zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken.”
2.8
Bij hoger beroepschrift van 8 januari 2021, aangevuld bij beroepschrift van 11 januari 2021, is Fresch van de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam. Na vermeerdering van haar verzoek heeft zij verzocht deze beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, (i) het door de VvE op 2 juli 2020 genomen besluit tot het plaatsen van een hek langs de parkeerplaatsen nietig te verklaren, althans voor recht te verklaren dat dat besluit nietig is18.en (ii) alle besluiten die op 2 juli 2020 door de VvE zijn genomen (voor zover niet nietig) te vernietigen.
2.9
De in cassatie relevante grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter (rov. 10-12) dat Fresch haar verzoek tot vernietiging niet tijdig heeft ingediend. De aanvullende grief strekt tot betoog dat het besluit tot plaatsing van het hek nietig is omdat in de vergadering niet ten minste twee derde van het totaal aantal uit te brengen stemmen was vertegenwoordigd (art. 38 lid 5 MR 1992).
2.10
De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie tot bekrachtiging.
2.11
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Elk van partijen heeft spreekaantekeningen overgelegd.19.
2.12
De VvE heeft een akte genomen, waarna Fresch een antwoordakte heeft genomen.
2.13
Bij de thans bestreden beschikking van 27 december 202220.heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.
2.14
Het hof heeft eerst de aanvullende grief behandeld:
“3.5.2 (...) Fresch [heeft] in haar aanvullende beroepschrift aangevoerd dat het besluit van de VvE d.d. 2 juli 2020 tot het plaatsen van een hek langs het parkeerterrein nietig is omdat het geen onderhoud betreft als bedoeld in artikel 38 lid 5 van het (model) splitsingsreglement. Het besluit zou daarom genomen moeten worden in een vergadering waarin tenminste twee/derde van het totaal aantal uit te brengen stemmen zou moeten zijn vertegenwoordigd. (...)
3.6
Het hof is uit de stukken niet gebleken dat tijdens de VvE vergadering van 2 juli 2020 een besluit is genomen tot het doen van buiten het onderhoud vallende uitgaven die een totaal door de vergadering vastgesteld bedrag te boven gaan. Zoals de VvE gemotiveerd heeft aangevoerd, valt het plaatsen van een hekwerk in dit geval als onderhoud aan te merken. Daarmee wordt immers voorkomen dat het terrein van de VvE wordt beschadigd. Ook heeft de VvE nimmer een maximumbedrag vastgesteld, zodat een twee/derde vertegenwoordiging geen vereiste is. Nietigheid van het besluit van 2 juli 2020 doet zich dan ook niet voor.”
2.15
Vervolgens heeft het hof de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandeld, waarbij het tot het oordeel is gekomen dat Fresch op de juiste wijze is opgeroepen, al rond 9 juli 2020 op de hoogte is gebracht van de besluitvorming, haar verzoekschrift niet tijdig heeft ingediend en daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard:
“3.7 Met grief 1 voert Fresch aan dat zij niet rechtsgeldig is opgeroepen voor de VvE vergadering, namelijk per mail en niet per post. Zij is daarom niet tijdig op de hoogte gekomen van het genomen besluit. Met grief 2 voert Fresch aan dat zij tot 3 september 2020 niet wist dat er een vergadering was geweest zodat haar verzoekschrift van 17 september 2020 tijdig is ingediend.
3.7.2
Anders dan Fresch met haar grieven aanvoert, sluit het van toepassing verklaarde modelreglement niet uit dat rechtsgeldig oproepen voor een VvE vergadering naast de verzending per post ook per mail kan plaatsvinden. Verder heeft Fresch niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep met het gebruikte e-mailadres info@freschrealestate.nl en zij heeft daar ook nooit bezwaar tegen gemaakt. Dat Fresch al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming in de VvE vergadering van 2 juli 2020 met betrekking tot het plaatsen van een hekwerk valt bovendien op te maken uit het bericht van [betrokkene 1] van de firma Energiemissie B.V. Die was zoals Fresch in haar beroepschrift aanvoert op de vergadering van 2 juli 2020 aanwezig en heeft haar over het hekwerk bericht. Pas op 19 oktober 2020 (Productie 10, eerste aanleg) heeft Fresch verzocht de correspondentie voortaan naar [een] ander e-mailadres, namelijk [e-mailadres] te sturen. Nu Fresch rond 9 juli 2020 op de hoogte was van de besluitvorming in de VvE vergadering en ruim twee maanden later op 17 september 2020 een verzoekschrift tot vernietiging heeft ingediend, heeft de kantonrechter haar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 5:13121.van het BW had het verzoek tot vernietiging immers binnen een maand na de dag waarop Fresch van het besluit had kennis genomen of had kunnen kennis nemen moeten worden gedaan.”
2.16
Bij procesinleiding van 23 februari 2023 heeft Fresch tijdig cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. Het verzoek van de VvE om uitstel voor het indienen van een verweerschrift is afgewezen.
3. Juridisch kader
3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag op welk moment de termijn van een maand voor het indienen van het verzoek van Fresch tot vernietiging van de besluiten van de vergadering van eigenaars als bedoeld in art. 5:130 lid 2 BW een aanvang heeft genomen, gegeven – onder meer – dat de statuten bepalen dat de oproeping voor de vergadering van eigenaars naar de werkelijke of gekozen woonplaats van de eigenaars wordt gezonden, de oproeping in dit geval elektronisch (per e-mail) heeft plaatsgevonden en deze e-mail in de spambox van Fresch is terechtgekomen.
Art. 5:130 lid 2 BW; aanvang termijn
3.2
Art. 5:130 lid 2 BW bepaalt dat het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennisgenomen of heeft kunnen kennisnemen.
3.3
Bij beschikking van 21 juni 201922.heeft uw Raad een uitgewerkt criterium gegeven voor de vaststelling van een dergelijk kunnen kennisnemen door een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was:
“3.4 Het antwoord op de vraag of, en zo ja vanaf welk moment, een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was (ook niet door vertegenwoordiging) van een in die vergadering genomen besluit van de vereniging van eigenaars heeft kunnen kennisnemen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Veel gewicht komt hierbij toe aan de gebruiken binnen de vereniging van eigenaars over de wijze waarop besluiten ter kennis van de leden worden gebracht.Geldt binnen een vereniging van eigenaars het gebruik besluiten onder haar leden bekend te maken, bijvoorbeeld door verspreiding van een besluitenlijst of notulen van een vergadering, dan is uitgangspunt dat een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was, van een daar genomen besluit redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen vanaf het moment waarop die bekendmaking heeft plaatsgevonden, tenzij hij feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit volgt dat hij pas op een later moment redelijkerwijs van het besluit heeft kunnen kennisnemen.
Is van een gebruik als hiervoor bedoeld geen sprake, dan mag van een niet ter vergadering aanwezige appartementseigenaar die wist of behoorde te weten dat en wanneer een vergadering plaatsvond en welke besluiten op die vergadering genomen zouden kunnen worden, worden verwacht dat hij moeite doet om kort na de vergadering kennis te nemen van de genomen besluiten. Van de appartementseigenaar mag in dat geval in beginsel worden verwacht dat hij binnen een week na de vergadering informatie inwint over die besluiten. De termijn van een maand, genoemd in art. 5:130 lid 2 BW, begint dan te lopen uiterlijk op de dag na het einde van die week. De appartementseigenaar draagt in dat geval de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij redelijkerwijs niet binnen een week na de vergadering van het desbetreffende besluit heeft kunnen kennisnemen.
3.5
Het voorgaande laat de mogelijkheid onverlet dat een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was, al daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de genomen besluiten vóór het moment waarop hij overeenkomstig het hiervoor in 3.4 overwogene geacht moet worden redelijkerwijs van die besluiten te hebben kunnen kennisnemen. In dat geval begint de termijn van art. 5:130 lid 2 BW te lopen vanaf dit eerdere moment. Op de vereniging rust de stelplicht en bewijslast van het feit dat dit geval zich voordoet.”
3.4
Hieruit laat zich het volgende schema afleiden. Voorop staat dat ‘kunnen kennisnemen’ van het besluit moet worden opgevat als redelijkerwijs kunnen kennisnemen (rov. 3.3), hetgeen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt ‘veel gewicht’ toe aan de gebruiken binnen de vereniging van eigenaars omtrent de wijze waarop besluiten ter kennis van de leden worden gebracht. Er worden in dat kader twee scenario’s geschetst:(I) Er geldt het gebruik besluiten bekend te maken, bijvoorbeeld door verspreiding van een besluitenlijst of notulen. Dan is uitgangspunt dat een appartementseigenaar van een besluit redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen op het moment waarop die bekendmaking heeft plaatsgevonden (rov. 3.4). Dit betekent dat hij in beginsel de verspreiding van de notulen mag afwachten zonder moeite te doen om eerder van de genomen besluiten op de hoogte te raken (rov. 3.6). (II) Er is van een gebruik als onder (I) bedoeld geen sprake én de appartementseigenaar wist of behoorde te weten (i) dat en wanneer een vergadering plaatsvond en (ii) welke besluiten op die vergadering genomen zouden kunnen worden. In dat geval mag van de appartementseigenaar in beginsel worden verwacht dat hij binnen een week na de vergadering informatie inwint over de genomen besluiten en begint de in art. 5:130 lid 2 BW bedoelde termijn te lopen uiterlijk op de dag na het einde van die week (rov. 3.4). In beide gevallen (I en II) kan een ander – later – aanvangsmoment van de in art. 5:130 lid 2 BW bedoelde termijn gelden indien de appartementseigenaar feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit volgt dat hij redelijkerwijs pas na de datum van bekendmaking van het besluit respectievelijk later dan een week na de vergadering van het besluit heeft kunnen kennisnemen (rov. 3.4).Tot slot kan de termijn beginnen te lopen op een eerder aanvangsmoment dan zou voortvloeien uit rov. 3.4. Dat is het geval indien de VvE stelt en zonodig bewijst dat de appartementseigenaar daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de besluiten vóór dat moment. De termijn begint op dat eerdere tijdstip (rov. 3.5).
3.5
Voor de in scenario II geformuleerde informatie- of ‘vergewisplicht’ geldt onder meer als voorwaarde dat de appartementseigenaar (normatieve) wetenschap heeft van het plaatsvinden van de vergadering van eigenaars. Dit voert naar het vraagstuk van de wijze van oproeping voor de vergadering van eigenaars.
Oproeping voor de vergadering van eigenaars
3.6
Zowel de voorzitter als het bestuur van de vereniging van eigenaars (hierna ook: vve) is bevoegd de vergadering van eigenaars bijeen te roepen (art. 5:127 lid 2 BW). Nadat tot het bijeenroepen van een vergadering is besloten, dient de oproeping plaats te vinden, dat wil zeggen de uitnodiging van de leden om aan de vergadering deel te nemen. De wijze van oproeping moet in de statuten van de vve zijn vastgelegd (art. 5:112 lid 2, aanhef en sub d, BW).23.Nadere regels omtrent de wijze van oproeping van de vergadering van eigenaars ontbreken in titel 5.9 BW.
3.7
Voor de ‘gewone’ vereniging voorzien de artikelen 2:41 en 2:42 BW wel in een nadere regeling van de oproeping. Met betrekking tot het elektronisch oproepen is sinds 1 januari 2007 met name art. 2:41 lid 5 BW van belang, dat luidt:
“Tenzij de statuten anders bepalen kan, indien een lid of afgevaardigde hiermee instemt, de bijeenroeping geschieden door een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht aan het adres dat door hem voor dit doel is bekend gemaakt.”24.
3.8
Dit artikellid is ingevoerd bij wet van 20 oktober 200625.en heeft onder meer tot doel het versterken van de betrokkenheid van de leden bij (met name: grotere) verenigingen. De gedachte is dat de leden makkelijker en sneller kunnen worden bereikt met een elektronische oproeping.26.De bewoordingen “langs elektronische weg” in art. 2:41 lid 5 BW zijn techniekneutraal.27.Oproeping per e-mail valt daar in ieder geval onder.28.
3.9
Volgens de wetgever is de elektronische oproep slechts een volwaardig equivalent voor de schriftelijke oproep indien
“van de [leden] de e-mailadressen bekend zijn, en zij er eveneens mee instemmen dat de oproeping uitsluitend via de e-mail plaatsvindt.”
De bepaling stelt daarom als voorwaarden dat het lid (a) instemt met elektronische oproeping en (b) voor dat doel een adres heeft bekendgemaakt.29.Een van de uitgangspunten van de regeling is dat leden, indien zij dat wensen, altijd gebruik moeten kunnen blijven maken van de klassieke communicatiemiddelen. Destijds werd nog niet iedereen geacht toegang te hebben tot elektronische communicatiemiddelen en voorkomen moest worden dat leden tegen hun wens in gedwongen zouden worden om gebruik te maken van de elektronische faciliteiten.30.
3.10
Art. 2:41 lid 5 BW vangt aan met het voorbehoud ‘Tenzij de statuten anders bepalen’. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat met de bepaling slechts een faciliteit geboden wordt en dat verenigingen niet verplicht zijn om daarvan gebruik te maken.31.
3.11
Bij de totstandkoming van art. 2:41 lid 5 BW is door de wetgever niet toegelicht hoe de zinsnede ‘tenzij de statuten anders bepalen’ moet worden uitgelegd.32.Wel werd ervan uitgegaan dat in de destijds bestaande statuten slechts zeer zelden sprake zou zijn van een ‘anders bepalen’.33.
3.12
Volgens de literatuur moet art. 2:41 lid 5 BW aldus worden uitgelegd dat, wil van elektronische oproeping gebruik kunnen worden gemaakt, de statuten niet met zoveel woorden behoeven te bepalen dat elektronische oproeping is toegestaan. Wel kunnen de statuten elektronische oproeping uitsluiten c.q. verbieden. Van zodanige uitsluiting worden echter geen voorbeelden gegeven.34.Wel wordt door een enkele auteur opgemerkt dat het om een uitdrukkelijke uitsluiting moet gaan, waarvan in de destijds bestaande statuten doorgaans echter geen sprake zou zijn.35.Ook in de (schaarse) rechtspraak wordt uitgegaan van expliciete uitsluiting.36.
3.13
In de toelichting bij het hierna te bespreken concept-wetsvoorstel Digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen wordt wel ingegaan op de betekenis van het voorbehoud. Dat wetsvoorstel biedt verenigingen de mogelijkheid om een elektronische vergadering uit te schrijven. Het voorgestelde art. 2:38 lid 6 BW luidt:
“6. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de algemene vergadering degene die bevoegd is de algemene vergadering bijeen te roepen machtigen om te bepalen dat de algemene vergadering tevens of uitsluitend toegankelijk is langs elektronische weg.”
De memorie van toelichting vermeldt:
“Gekozen is voor de termen ‘Tenzij de statuten anders bepalen’ omdat dit het beste past in het systeem van Boek 2 BW. Uit de statutaire bepaling zelf moet voldoende duidelijk blijken dat er wordt afgeweken van de wettelijk gecreëerde mogelijkheid om bij machtiging een vergadering langs uitsluitend elektronisch weg bijeen te roepen. Denk aan het verwijzen naar de wettelijke terminologie van het uitsluitend of tevens langs elektronische weg vergaderen of aan termen als ‘De algemene ledenvergadering vindt uitsluitend langs fysieke weg plaats’ of ‘Er zal op geen enkele wijze een vergadering langs elektronische weg plaatsvinden. Een ‘impliciete afwijking’, zoals alleen een statutaire regeling met betrekking tot fysiek vergaderen is niet een ‘andere bepaling’, zoals hiervoor bedoeld.”37.
3.14
Uit het voorgaande leid ik af dat ‘tenzij de statuten anders bepalen’ naar de bedoeling van de wetgever inhoudt dat de statuten expliciet van de wettelijke regeling moeten afwijken. Een statutaire bepaling die inhoudt dat de oproeping naar de woonplaats moet worden gestuurd, kwalificeert dan ook niet als ‘andere bepaling’ in de zin van art. 2:41 lid 5 BW.
3.15
Art. 2:41 lid 5 BW is, bij gebreke van een schakelbepaling, niet rechtstreeks van toepassing op de vereniging van eigenaars (art. 5:124 lid 3 BW). Daarom is in 2010 bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en de Woningwet in verband met het plegen van onderhoud door verenigingen van eigenaars het amendement-Jansen c.s. ingediend, strekkend tot uitbreiding van artikel 5:135 BW met verwijzingen naar de (in 2007 ingevoerde) art. 2:38 lid 5 t/m 9 en art. 2:41 lid 4 en 5 BW:38.
“Artikel 135
1. De artikelen 38 lid 5 tot en met 9, 41 lid 4 en 5, 45 lid 4 en 48 van Boek 2 zijn van toepassing.
2. Voor de toepassing van de artikelen 38 en 41 van Boek 2 worden de statuten gelijk gesteld met het huishoudelijk reglement van de Vereniging van Eigenaars.”
De indieners van het amendement hadden tot doel een “klaarblijkelijke omissie” te herstellen door wettelijk te regelen dat de vve gebruik kan maken van elektronische middelen voor het oproepen voor de vergadering van eigenaars.39.Volgens de minister had het amendement echter geen toegevoegde waarde (cursivering aangebracht door mij):40.
“Het amendement regelt dat de vereniging van eigenaren gebruik kan maken van elektronische middelen voor het bijeenroepen van de ledenvergadering en het geven van volmacht. Dat is alleen nodig als het gaat om schriftelijke communicatie. Maar de schriftelijkheidseis geldt niet voor verenigingen van eigenaren; die is in ieder geval niet in het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven. Er hoeft dan ook geen uitzondering op te worden gemaakt in het Burgerlijk Wetboek. Het amendement suggereert eigenlijk het bestaan van een verplichting die er niet is. De situatie die het amendement wil bewerkstelligen, is er al. Omdat het amendement geen toegevoegde waarde heeft, ontraad ik het.”
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de minister wat betreft art. 2:41 BW, gelet op zijn verwijzing naar ‘de schriftelijkheidseis’41., uitsluitend het oog heeft gehad op de in het amendement bepleite toepasselijkverklaring van lid 4 (elektronisch verzoek tot bijeenroepen) en niet tevens op die van lid 5 (elektronische oproep).42.Wat daarvan zij, de indieners van het amendement maakten uit de reactie van de minister op dat het amendement in zijn geheel overbodig was en hebben het vervolgens ingetrokken.43.Ook in de literatuur is hieruit afgeleid dat in de visie van de wetgever elektronisch oproepen binnen de vve al mogelijk is en niet wettelijk hoeft te worden geregeld.44.
3.16
In 2020 heeft een breed samengestelde werkgroep voorgesteld aan art. 5:127 BW een vierde lid toe te voegen, waarin bepaald wordt dat de oproeping voor de vergadering van eigenaars schriftelijk plaatsvindt en dat de oproeping ook elektronisch kan worden verzonden naar het door de stemgerechtigden opgegeven e-mailadres. Hiermee is bedoeld duidelijkheid te scheppen omtrent het begrip ‘schriftelijk’, in die zin dat onder ‘schriftelijk’ ook elektronische communicatiemiddelen worden verstaan. Daarmee hebben de opstellers niet beoogd de regelingen in oudere reglementen (waarover hierna onder 3.19) opzij te zetten, maar alleen deze aan te vullen. Zij gaan ervan uit dat art. 2:41 BW strikt genomen niet van toepassing is op de VvE.45.
3.17
Momenteel is een voorstel voor de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen in voorbereiding. Op 6 februari 2023 is de consultatie gesloten.46.Het doel van het ontwerp-wetsvoorstel is om het gebruik van elektronische communicatiemiddelen bij algemene vergaderingen van privaatrechtelijke rechtspersonen te faciliteren en te normeren. Een van de voorgestelde maatregelen is het vereenvoudigen van de oproeping langs elektronische weg.47.Volgens de wetgever sluit dit aan bij een behoefte in de praktijk en zorgen voortschrijdende techniek en maatschappelijke ontwikkelingen ervoor dat oproeping langs elektronische weg ook wettelijk de nieuwe standaard zou moeten worden.48.Daartoe wordt onder meer voorgesteld om in art. 2:41 lid 5 BW de zinsnede “, indien een lid of afgevaardigde hiermee instemt” te laten vervallen, en “hem” te vervangen door “een lid of afgevaardigde”.49.Alleen het instemmingsvereiste vervalt. Gehandhaafd blijft de eis dat voor het doel van oproeping langs elektronische weg een adres door het lid is bekendgemaakt. Is een dergelijk elektronisch adres niet opgegeven, dan zal alsnog op een andere wijze opgeroepen moeten worden, waarbij het de vereniging vrijstaat om dat alsnog per brief te doen.50.
3.18
Het ontwerp-wetsvoorstel bevat geen schakelbepaling die art. 2:41 lid 5 BW van toepassing verklaart op de vereniging van eigenaars.51.Uit de toelichting blijkt dat de minister ervan uitgaat dat reeds naar huidig recht voor zowel de ‘gewone’ vereniging als de vereniging van eigenaars elektronische oproeping mogelijk is onder de voorwaarden en het voorbehoud genoemd in art. 2:41 lid 5 BW.52.
Modelreglementen KNB
3.19
Zoals reeds aan de orde kwam, moet de wijze van oproeping voor de vergadering van eigenaars zijn opgenomen in de statuten c.q. het reglement (art. 5:112 lid 2 sub d jo. 5:112 lid 1 sub e BW). In veel gevallen wordt gebruik gemaakt van een modelreglement dat is opgesteld door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB).
3.20
Het in de voorliggende zaak toepasselijk verklaarde Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992 (MR 1992) bepaalt dat de oproeping wordt verzonden naar de (werkelijke of gekozen) woonplaats van de appartementseigenaar:
“Artikel 33
(…)
8. De oproeping ter vergadering vindt plaats met een termijn van tenminste vijftien dagen – de dag van oproeping en van vergadering daaronder niet medegerekend – en wordt verzonden naar de werkelijke of, in overeenstemming met artikel 1:15 van het Burgerlijk Wetboek, de gekozen woonplaats van de eigenaars; zij bevat de opgave van de punten der agenda alsmede de plaats en het tijdstip van de vergadering.
(…)”53.
3.21
In het daarop volgende Modelreglement van 2006 is deze tekst gehandhaafd, met de toevoeging dat de oproeping schriftelijk plaatsvindt:
“Artikel 45
(…)
8. De oproeping ter vergadering vindt schriftelijk plaats met een termijn van tenminste vijftien dagen – de dag van oproeping en van vergadering daaronder niet gerekend – en wordt verzonden naar de werkelijke of, in overeenstemming met artikel 1:15 van het Burgerlijk Wetboek, de gekozen woonplaats van de eigenaars; zij bevat de opgave van de onderwerpen van de agenda alsmede de plaats en het tijdstip van de vergadering. (…)”54.
3.22
Eerst het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 2017 (hierna: MR 2017) vermeldt met zoveel woorden dat de oproeping voor de vergadering van eigenaars – naast schriftelijk – ook elektronisch kan geschieden:
“Artikel 50
(...)
50.2.
De oproeping ter vergadering van de stemgerechtigden vindt schriftelijk plaats met een termijn van tenminste vijftien dagen, de dag van oproeping en die van vergadering daaronder niet gerekend. De oproeping kan ook elektronisch worden verzonden naar het door de stemgerechtigden opgegeven e-mailadres. In geval van een schriftelijke oproeping, die niet wordt verzonden naar het e-mailadres, wordt deze verzonden naar de werkelijke of, in overeenstemming met art. 1:15 BW, de gekozen woonplaats van de stemgerechtigde (…).”55.
In zijn commentaar bij art. 50 lid 2 MR 2017 gaat Rijssenbeek ervan uit dat indien een ouder reglement van toepassing is, voorshands dezelfde regeling geldt. Hij spreekt de verwachting uit dat een verzoek tot vernietiging van een besluit op de grond dat de eigenaar niet op de juiste – schriftelijke – wijze is opgeroepen, snel vanwege een gebrek aan belang zal sneuvelen.56.
3.23
In het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten kleine VvE 2021 is een vergelijkbare bepaling te vinden (art. 30 lid 3 MR 2021).
Spambox
3.24
In het onderhavige geval heeft Fresch, ten betoge dat zij niet van de vergadering kon weten, een beroep gedaan op het feit dat de e-mail van 5 juni 2020 in het spamfilter van haar algemene e-mailbox is terechtgekomen.57.Ik zou menen dat dit beroep haar in het kader van art. 5:130 lid 2 BW niet kan baten. Het bericht heeft haar bereikt op het moment dat zij zichzelf toegang kon verschaffen tot het bericht. Dat het zich in het spamfilter bevond, dient naar mijn mening voor haar risico te komen.58.
3.25
Tegen deze achtergrond ga ik over tot de bespreking van het middel.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel omvat zes onderdelen (‘Cassatieklachten’). De onderdelen I-IV en VI zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat Fresch haar verzoekschrift tot vernietiging niet tijdig heeft ingediend en daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard (rov. 3.7.2). Onderdeel V bestrijdt het oordeel dat het besluit tot plaatsing van het hek niet nietig is (rov. 3.6). Ik zal de onderdelen in deze volgorde bespreken.
Vaststelling van de feiten
4.2
In het inleidende gedeelte van de procesinleiding (verzoekschrift, nr. 2.5) wordt betoogd dat, anders dan het hof in rov. 2 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, door Fresch in appel is opgekomen tegen de vaststelling van de kantonrechter (rov. 1.6) dat de vergadering per e-mail d.d. 17 juni 2020 is verplaatst naar 2 juli 2020.
4.3
Voor zover daarin al een zelfstandige cassatieklacht moet worden gelezen, faalt deze om meerdere redenen. Het hof heeft op de aangegeven vindplaats (beroepschrift, nr. 2.5 en voetnoot 1) kennelijk geen kenbare grief tegen de feitenvaststelling van de kantonrechter gelezen. Dat is niet onbegrijpelijk.59.Verder faalt de klacht bij gemis aan feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat de verplaatsingsmail van 17 juni 2020 nimmer in het geding is gebracht.60.Ten slotte faalt de klacht bij gebrek aan belang, omdat de e-mail van 17 juni 2020 niet relevant is voor het ontstaan van een eventuele ‘vergewisplicht’ van Fresch; deze zou reeds ontstaan met de eerste uitnodiging.
Onderdelen I-IV en VI: de ontvankelijkheid van Fresch in haar verzoek
4.4
Bij deze onderdelen dient tot uitgangspunt dat art. 2:41 lid 5 BW van toepassing is op de oproeping voor de vergadering van eigenaars van de VvE. Ofschoon daarover, zoals hiervoor uiteengezet, naar geldend recht in het algemeen onzekerheid bestaat, is tussen partijen in deze zaak niet in geschil dat art. 2:41 lid 5 BW van toepassing is. Zij verschillen slechts van mening over de vraag of het daarin gemaakte voorbehoud van toepassing is en of aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.61.
4.5
In de met de onderdelen 1-IV en VI bestreden rov. 3.7.2 volgt het hof de volgende gedachtegang:(i) het toepasselijke modelreglement sluit niet uit dat rechtsgeldig oproepen voor een VvE vergadering naast de verzending per post ook per mail kan plaatsvinden;(ii) verder heeft Fresch niet (gemotiveerd) betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep met het gebruikte e-mailadres info@freschrealestate.nl; zij heeft daar ook nooit bezwaar tegen gemaakt. Pas op 19 oktober 2020 (productie 10, eerste aanleg) heeft Fresch verzocht de correspondentie voortaan naar een ander e-mailadres, namelijk [e-mailadres] te sturen;(iii) bovendien valt uit het bericht van [betrokkene 1] van de firma Energiemissie B.V. op te maken dat Fresch al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming in de VvE vergadering van 2 juli 2020 met betrekking tot het plaatsen van een hekwerk. Die was, zoals Fresch in haar beroepschrift aanvoert, op de vergadering van 2 juli 2020 aanwezig en heeft haar over het hekwerk bericht; (iv) nu Fresch rond 9 juli 2020 op de hoogte was van de besluitvorming in de VvE vergadering en ruim twee maanden later op 17 september 2020 een verzoekschrift tot vernietiging heeft ingediend, heeft de kantonrechter haar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW62.had het verzoek tot vernietiging immers binnen een maand na de dag waarop Fresch van het besluit had kennisgenomen of had kunnen kennisnemen moeten worden gedaan.
4.6
Deze gedachtegang wekt de indruk, mede gelet op het woord “bovendien”, dat het hof twee zelfstandig dragende gronden gebruikt voor zijn beslissing, maar helemaal duidelijk is dit niet.
4.7
De grond dat Fresch eerder dan een maand voor de indiening van haar verzoek had kunnen kennisnemen van de besluiten lijkt besloten te liggen in de overwegingen als hiervoor weergegeven onder (i) en (ii). Deze komen er immers op neer dat Fresch rechtsgeldig voor de vergadering is opgeroepen. Voor de kantonrechter was de rechtsgeldige oproeping aanleiding voor het aannemen van een informatieplicht (rov. 12).63.Het hof trekt die conclusie weliswaar niet met zoveel woorden, maar verwerpt wel de tegen rov. 12 gerichte grief 2.
4.8
Uit de overwegingen weergegeven onder (iii) en (iv) kan worden opgemaakt dat het hof in ieder geval – en misschien uitsluitend – (“nu Fresch op de hoogte was”) aan zijn beslissing ten grondslag legt dat Fresch rond 9 juli 2020 (daadwerkelijk) van de besluitvorming heeft kennisgenomen.64.
4.9
Bij de bespreking van de klachten zal ik ervan uitgaan dat ook de hiervoor onder (i) en (ii) weergegeven overwegingen dragend zijn voor de bestreden beslissing. Mocht daarover anders moeten worden geoordeeld, dan falen de tegen die overwegingen gerichte klachten (onderdelen I, II, IV en VI) reeds bij gebrek aan belang.
4.10
Onderdeel I (‘Cassatieklacht I’) valt uiteen in een aantal subonderdelen. Het is blijkens subonderdeel 3.1 gericht tegen rov. 3.7.2 van de bestreden beschikking, in het bijzonder de overweging dat “het van toepassing verklaarde modelreglement niet uit[sluit] dat rechtsgeldig oproepen voor een VvE-vergadering naast de verzending per post ook per mail kan plaatsvinden.” (rov. 3.7.2, 1e volzin).
4.11
Aangevoerd wordt dat de oproeping volgens art. 33 lid 8 van het toepasselijke MR 1992 moet worden verzonden naar ‘de werkelijke of, in overeenstemming met artikel 1:15 van het Burgerlijk Wetboek, de gekozen woonplaats van de eigenaars’. Met zijn oordeel dat oproeping per e-mail niet is uitgesloten heeft het hof miskend dat onder de begrippen ‘(werkelijke) woonplaats’ en ‘gekozen woonplaats’ in de zin van de artikelen 1:10 en 1:15 BW alsmede art. 33 lid 8 MR 1992 een fysiek adres moet worden verstaan, aldus subonderdeel 3.2. Althans zou het hof onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het deze begrippen aldus uitlegt c.q. toepast dat daar ook een oproeping per e-mail onder valt (subonderdeel 3.3).
4.12
Deze klachten falen bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft geen uitleg of toepassing gegeven aan de begrippen ‘(werkelijke) woonplaats’ of ‘gekozen woonplaats’ uit de artikelen 33 lid 8 MR 1992 en 1:10 en 1:15 BW. Het hof heeft – in het kader van art. 2:41 lid 5 BW, zie hierna onder 4.15 – slechts overwogen dat het modelreglement niet – lees: niet expliciet65.– uitsluit dat oproeping voor de vergadering van eigenaars (afgezien van oproeping per post aan de woonplaats ook) per e-mail kan plaatsvinden.
4.13
Volgens subonderdeel 3.4 is het hof in rov. 3.7.2 niet ingegaan op de consequenties van art. 2:41 lid 5 BW. Het bevat een drietal klachten.
4.14
De eerste klacht (subonderdeel 3.4, 1e alinea) berust op de lezing dat volgens het hof art. 2:41 lid 5 BW niet relevant is voor de toepassing en uitleg van art. 33 lid 8 MR 1992. Geklaagd wordt dat het hof aldus miskent dat zonder toetsing aan (de voorwaarden van) art. 2:41 lid 5 BW niet kan worden afgeweken van de statuten c.q. het modelreglement.
4.15
Deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Met de hiervoor in alinea 4.4 onder (i) en (ii) weergeven overwegingen in rov. 3.7.2 (de 1e, 2e en 5e volzin) heeft het hof kennelijk getoetst aan het voorbehoud (‘tenzij de statuten anders bepalen’) respectievelijk de voorwaarden (instemming; opgegeven adres) van art. 2:41 lid 5 BW. Met deze overwegingen wordt immers gerespondeerd op de grief (grief 1) waarmee door Fresch was opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat onder de (door de kantonrechter in rov. 10 vastgestelde) omstandigheden sprake is van “de situatie als bedoeld in art. 2:41 lid 5 BW” (rov. 11).
4.16
De tweede klacht (subonderdeel 3.4, 2e alinea) gaat ervan uit dat het hof art. 2:41 lid 5 BW aldus heeft uitgelegd dat elektronische oproeping (wel) is toegestaan, tenzij de statuten een expliciet verbod bevatten. Daarmee zou het hof hebben miskend dat volgens deze wetsbepaling elektronische oproeping niet is toegestaan, tenzij de statuten daartoe de mogelijkheid openen.66.
4.17
De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan bijvoorbeeld het eveneens per 1 januari 2007 ingevoerde art. 2:113 lid 5 BW, behelst art. 2:41 lid 5 BW niet de constructie dat de statuten de mogelijkheid van elektronische oproeping moeten openstellen (‘De statuten kunnen bepalen’).67.Art. 2:41 lid 5 BW berust op het uitgangspunt dat elektronische oproeping onder de daar vermelde voorwaarden is toegestaan, tenzij de statuten deze uitdrukkelijk verbieden. Vgl. hiervoor onder 3.10-3.14.
4.18
De derde klacht (subonderdeel 3.4, 3e alinea) houdt in dat het hof zijn oordeel in rov. 3.7.2 in ieder geval onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het niet inzichtelijk heeft gemaakt: (i) om welke redenen de in art. 2:41 lid 5 BW vermelde voorwaarden niet zouden gelden voor elektronische oproeping dan wel op grond waarvan de onderhavige oproeping zou voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden, en (ii) om welke redenen de in het Modelreglement vermelde voorwaarden niet aan elektronische oproeping in de weg staan.
4.19
Ook deze klacht ontbreekt het aan feitelijke grondslag. Het hof is er niet van uitgegaan dat de in art. 2:41 lid 5 BW gestelde voorwaarden niet gelden. Het heeft juist aan die voorwaarden getoetst, met als bevinding dat daaraan is voldaan. Tevens heeft het hof geoordeeld dat art. 33 lid 8 MR 1992 – verzending per post aan de woonplaats – elektronische oproeping niet expliciet uitsluit. Ik verwijs naar de bespreking van de eerste klacht van subonderdeel 3.4. Laatstgenoemd oordeel is, gelet op de tekst van art. 33 lid 8 MR 1992, niet onbegrijpelijk.
4.20
Subonderdeel 3.5 berust op de lezing dat het hof na toetsing aan art. 2:41 lid 5 BW tot het oordeel is gekomen dat aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Het klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de voor elektronische oproeping geldende voorwaarde dat het adres door het lid ‘voor dit doel is bekend gemaakt’. Deze voorwaarde houdt in dat het adres door het lid specifiek met het oog op oproepingen voor vergaderingen aan de vve is bekendgemaakt. Door de VvE is echter niet gesteld en door het hof is (terecht) niet vastgesteld c.q. overwogen dat Fresch het e-mailadres info@freschrealestate.nl specifiek met het oog op de oproeping voor de VvE-vergaderingen bekend zou hebben gemaakt. Volgens subonderdeel 3.7 brengt ’s hofs vaststelling dat de communicatie tussen Fresch en de VvE altijd verliep per e-mail met gebruikmaking van het e-mailadres info@freschrealestate.nl en dat zij daar nooit bezwaar tegen heeft gemaakt (rov. 3.7.2, 2e volzin) niet mee dat voldaan is aan voornoemde voorwaarde. Het gebruiken van een e-mailadres is iets anders dan het voor een bepaald doel kenbaar maken van een e-mailadres.
4.21
Deze rechtsklacht faalt op grond van het volgende.
4.22
In de wetgeschiedenis is het begrip ‘voor dit doel bekend maken’ niet anders toegelicht dan met de opmerking dat elektronische oproeping slechts een volwaardig equivalent is voor de schriftelijke oproep indien van de leden van de vereniging de e-mailadressen bekend zijn (zie hiervoor onder 3.9). In de literatuur wordt aan dit begrip geen nadere invulling gegeven. Art. 50.2 MR 2017 spreekt van een elektronische verzending naar “het door stemgerechtigden opgegeven e-mailadres”. Volgens een commentaar op deze bepaling is daarmee het door art. 2:41 lid 5 BW gestelde vereiste in de tekst van art. 50 lid 2 MR 2017 begrepen.68.
4.23
Gelet op de inhoud c.q. het gewicht van de boodschap – een oproep voor de vergadering van eigenaars – kan de steller van het middel worden nagegeven dat voor een geldige oproeping per e-mail méér verlangd mag worden dan dat er bij de vve (toevallig) enig e-mailadres van het lid bekend is. Een bekendheid die er uitsluitend op berust dat (de beheerder van) de vve zelf een contactadres op internet heeft gevonden – zoals in casu door de VvE ter zitting van het hof zou zijn toegegeven69.– volstaat niet. Van de vve mag worden verlangd dat zij het lid – naast een verzoek om instemming met elektronische toezending als zodanig – uitdrukkelijk verzoekt om opgave van een e-mailadres dat bestemd zal zijn voor de communicatie met de vve of anderszins verifieert welk adres daarvoor naar de bedoeling van het lid bestemd zal zijn.70.Het lid kan om hem moverende redenen belang hebben bij gebruik van een specifiek adres en moet erop bedacht kunnen zijn dat berichten/oproepen aan dat adres kunnen worden toegezonden.
4.24
In het onderhavige geval heeft de kantonrechter vastgesteld dat communicatie “steeds” en zonder bezwaar van Fresch per e-mail heeft plaatsgevonden en dat Fresch dit e-mailadres “zelf heeft opgegeven” (rov. 10), hetgeen hem tot het oordeel heeft gebracht dat aan de voorwaarden van art. 2:41 lid 5 BW is voldaan (rov. 11). In appel heeft Fresch met grief 1 uitdrukkelijk betwist dat in casu voldaan is aan (a) het vereiste van instemming met elektronische toezending van de oproep en (b) het vereiste dat het lid voor dat doel een e-mailadres heeft bekendgemaakt: zij heeft nooit ingestemd met deze wijze van oproepen en heeft nooit zelf een e-mailadres opgegeven aan de VvE, en al helemaal niet voor het doel te worden opgeroepen voor VvE-vergaderingen.71.Het hof heeft deze grief – waaronder dus de stelling dat het e-mailadres in kwestie niet door Fresch aan de VvE is opgegeven met het doel van elektronische oproeping – klaarblijkelijk verworpen met de overweging:
“Verder heeft Fresch niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep met het gebruikte e-mailadres info@freschrealestate.nl en zij heeft daar ook nooit bezwaar tegen gemaakt. (...) Pas op 19 oktober 2020 (Productie 10, eerste aanleg) heeft Fresch verzocht de correspondentie voortaan naar (een) ander e-mailadres, namelijk [e-mailadres] te sturen.”
4.25
Met deze overweging heeft het hof niet miskend dat art. 2:41 lid 5 BW als voorwaarde stelt dat het voor elektronische oproeping te gebruiken e-mailadres door het lid ten behoeve van zijn communicatie met de vve aan die vve is opgegeven. Het hof heeft kennelijk slechts tot uitdrukking gebracht dat, gelet op de (onbetwiste) omstandigheden dat de communicatie altijd via het adres info@freschrealestate.nl verliep, Fresch daar ook nooit bezwaar tegen heeft gemaakt en zij pas later een ander emailadres heeft opgegeven, Fresch stilzwijgend het adres info@freschrealestate.nl heeft bestemd voor communicatie met c.q. oproeping door de VvE, althans de VvE er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval was.72.
4.26
Subonderdeel 3.6 gaat ervan uit dat volgens het hof art. 2:41 lid 5 BW niet aan de orde komt, omdat naar zijn oordeel Fresch al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming. Geklaagd wordt dat dit oordeel gebrekkig gemotiveerd is, omdat het hof niet inzichtelijk maakt waarom en hoe het niet-naleven van de wettelijke vereisten voor elektronische oproeping ‘gerepareerd’ kan worden doordat het lid later langs andere weg op de hoogte raakt van het bestaan van het besluit.
4.27
De klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat de wetenschap van Fresch rond 9 juli 2020 van de besluitvorming ertoe leidt dat art. 2:41 lid 5 BW niet aan de orde komt. Het hof heeft én (eerst) getoetst aan de voorwaarden van art. 2:41 lid 5 BW – in het kader van de vraag of en wanneer Fresch van de besluitvorming had kunnen kennisnemen – én (vervolgens) onderzocht of en wanneer Fresch daadwerkelijk van de besluitvorming heeft kennisgenomen.73.Zie hiervoor onder 4.6-4.9 en 4.15.
4.28
Subonderdeel 3.8 bevat een voortbouwklacht. Deze faalt in het voetspoor van de vorige klachten.
4.29
Onderdeel II keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7.2, 2e volzin:
“Verder heeft Fresch niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep met het gebruikte e-mailadres info@freschrealestate.nl en zij heeft daar ook nooit bezwaar tegen gemaakt.”
4.30
Het oordeel dat Fresch niet (gemotiveerd) heeft betwist dat de communicatie altijd per e-mail heeft plaatsgevonden zou (volgens subonderdeel 4.3, onder (i)) onbegrijpelijk zijn in het licht van de volgende stellingen van Fresch:
- Fresch heeft zelf geen e-mailadres opgegeven aan de VvE (beroepschrift, nr. 4.13);
- het is Fresch niet bekend hoe de VvE aan het e-mailadres info@freschrealestate.nl is gekomen (beroepschrift, nr. 4.13);
- het is niet juist dat de communicatie steeds per e-mail heeft plaatsgevonden; de VvE heeft slechts één e-mail van 14 januari 202074.met genoemd adres overgelegd (beroepschrift, nr. 4.14);
- Fresch heeft nooit ingestemd met het per e-mail toezenden van de oproeping (aantekeningen mondelinge behandeling, nr. 6);
- Fresch heeft nooit voor dat doel een e-mailadres bekendgemaakt (aantekeningen mondelinge behandeling, nr. 6);
- Fresch heeft nimmer e-mails over VvE-vergaderingen ontvangen behalve de ene mail die in de spambox is terechtgekomen (aantekeningen mondelinge behandeling, nr. 6);
- de oproeping voor de VvE-vergadering van 3 december 2019 is evenmin per e-mail aan het adres info@freschrealestate.nl gestuurd (aantekeningen mondelinge behandeling, nr. 6).
4.31
Deze klacht faalt. Met geen van genoemde stellingen wordt immers – gemotiveerd – betwist dat de VvE, zoals zij heeft gesteld, haar berichten aan Fresch, voor zover daarvan sedert 2018 sprake is geweest, tot 19 oktober 2020 heeft verzonden naar het e-mailadres info@freschrealestate.nl. Evenmin wordt daarmee betwist dat de aan dat adres gerichte berichten – waaronder het bericht van 14 januari 2020 (betalingsherinnering) – werden gelezen en door Fresch per e-mail (zij het vanaf een ander adres) werden beantwoord.75.De stelling van de VvE dat de oproep voor de vergadering van 3 december 2019 eveneens digitaal aan Fresch is verzonden76., is met de in het middel genoemde kale ontkenning ter zitting niet gemotiveerd betwist.
4.32
Voor zover de klacht berust op de lezing dat het hof tevens heeft geoordeeld (ii) dat Fresch het e-mailadres zelf heeft opgegeven en (iii) dat Fresch zelf vanaf dit adres heeft gecommuniceerd (zie subonderdeel 4.3) faalt zij bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen slechts tot uitdrukking gebracht dat Fresch stilzwijgend met elektronische oproeping heeft ingestemd en het adres info@freschrealestate.nl voor communicatie met c.q. oproeping door de VvE heeft bestemd, althans de VvE er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zulks het geval was (zie ook hiervoor onder 4.25).
4.33
Onderdeel III keert zich tegen het oordeel van het hof dat Fresch “al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming in de VvE vergadering van 2 juli 2020 met betrekking tot het plaatsen van het hekwerk” (rov. 3.7.2, 3e en 4e volzin).
4.34
Dit oordeel komt erop neer dat Fresch rond 9 juli 2020 daadwerkelijk van de besluitvorming heeft kennisgenomen als bedoeld in art. 5:130 lid 2 BW. Nu de beslissing van het hof reeds wordt gedragen door het (tevergeefs bestreden77.) oordeel dat Fresch eerder dan een maand voor de indiening van haar verzoek had kunnen kennisnemen van de besluitvorming (zie hiervoor onder 4.9), faalt de klacht bij gebrek aan belang.
4.35
Ook inhoudelijk faalt de klacht. Deze bestrijdt het oordeel dat de wetenschap van Fresch rond 9 juli 2020 is af te leiden uit het bericht van [betrokkene 1] van Energiemissie B.V. Volgens het onderdeel is deze gevolgtrekking van het hof onjuist en daarnaast onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
4.36
Het gaat hier om het e-mail bericht van 9 juli 2020 dat [betrokkene 1] namens appartementseigenaar Energiemissie B.V. – in vervolg op de mededeling van de beheerder van de VvE dat de notulen klaar stonden in het portal – aan die beheerder heeft gestuurd.78.Dit bericht luidt: “Jack en anderen, Fresch geeft aan dat om het hele terrein schanskorven komen.” Evenals in eerste aanleg79.heeft de VvE in hoger beroep gesteld dat hieruit blijkt dat [betrokkene 1] , die op de vergadering aanwezig was, vóór 9 juli 2020 contact heeft gezocht met Fresch en haar over het hekwerk heeft verteld, waarop Fresch kennelijk heeft aangegeven een ander type erfafscheiding te willen realiseren.80.Zoals Fresch zelf aangeeft (subonderdeel 5.2, slot), heeft zij op die stellingen tijdens de mondelinge behandeling niet gereageerd. Daarop heeft het hof de VvE gevolgd in haar stelling dat [betrokkene 1] van Energiemissie B.V. Fresch over het hekwerk heeft bericht. Deze vaststelling kan wegens haar feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Zij is niet onbegrijpelijk en behoeft, mede gelet op het ontbreken van (nader81.) gemotiveerd verweer, geen nadere motivering.
4.37
Onderdeel IV klaagt dat het hof Fresch, overeenkomstig haar bewijsaanbod (beroepschrift, nr. 5.2; antwoordakte, nr. 12), had moeten opdragen (tegen)bewijs te leveren tegen de met de onderdelen II en III bestreden oordelen van het hof.
4.38
Deze klacht faalt, nu zij eraan voorbij ziet dat de desbetreffende stellingen van de VvE (dat de communicatie steeds via info@freschrealestate.nl verliep respectievelijk dat Fresch op de hoogte was van de besluitvorming) door het hof zijn gehonoreerd op de grond dat deze niet althans niet (voldoende) gemotiveerd door Fresch zijn betwist. Aan bewijs- en tegenbewijslevering behoefde het hof dan ook niet toe te komen.
4.39
Onderdeel VI klaagt dat het hof niet is ingegaan op het als essentieel aan te merken onderdeel van grief 2, waarmee Fresch heeft betoogd dat in de agenda behorende bij de oproeping voor de vergadering van de VvE niets is bepaald over het plaatsen van een hek Het agendapunt luidt “de afbakening en ophoging van de parkeerplaatsen c.q. parkeerterrein”82.en ‘afbakening’ (van een parkeerplaats c.q. -vak) is immers niet hetzelfde als ‘afsluiting van het parkeerterrein door middel van een aaneengesloten hekwerk’. Nu het plaatsen van een hekwerk niet is vermeld als agendapunt, kon daarover geen geldig besluit worden genomen; althans is het besluit vernietigbaar en moest het verzoek tot vernietiging alleen al om deze reden worden toegewezen, aldus Fresch (subonderdelen 8.1 en 8.2).
4.40
Deze klacht faalt omdat sprake is van een ontoelaatbaar novum. Het bedoelde onderdeel van (de tegen rov. 12 van de beschikking van de kantonrechter gerichte) grief 2 laat geen andere lezing toe dan dat het strekte tot betoog dat, al aangenomen dat Fresch geacht moet worden de oproep te hebben gezien, zij er, gelet op de tekst van de agenda, niet op bedacht had moeten zijn dat een besluit zou kunnen worden genomen over de plaatsing van een hek langs het parkeerterrein en dus – anders dan de kantonrechter in rov. 12 had beslist – geen aanleiding had om te informeren naar de besluitvorming.83.Weliswaar heeft Fresch in dit verband en passant opgemerkt dat over onderwerpen die niet op de agenda staan, geen rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen,84.maar zij heeft dit niet aangevoerd als zelfstandige grondslag voor vernietigbaarheid van het besluit.
4.41
Bovendien faalt de klacht inhoudelijk. Zij berust op het uitgangspunt dat in de vergadering van eigenaars niet geldig kon worden beslist over een niet vooraf geagendeerd onderwerp. Die veronderstelling is niet juist. Niet alleen ontbreekt voor de vergadering van eigenaars een wettelijke bepaling van die strekking,85.maar ook staat het bepaalde in art. 33 lid 8 MR 1992 – dat de oproep de agendapunten moet bevatten – niet zonder meer aan geldige besluitvorming over niet vooraf geagendeerde onderwerpen in de weg.86.
4.42
Indien de klacht aldus zou moeten worden gelezen dat het hof ten onrechte niet op het hiervoor onder 4.40 weergegeven betoog aangaande de uitleg van de agenda is ingegaan, is zij in beginsel terecht voorgesteld. Volgens de beschikking van uw Raad van 21 juni 2019 is voor het bestaan van een informatie-/vergewisplicht van de appartementseigenaar immers vereist dat hij kan weten welke besluiten op de vergadering genomen zouden kunnen worden.87.
4.43
Aldus gelezen zou die klacht betrekking hebben op het oordeel van het hof dat Fresch kort na 2 juli 2020 van de besluitvorming had kunnen kennisnemen. Nu de beslissing van het hof – dat het verzoek niet binnen de in art. 5:130 lid 2 BW bedoelde termijn is ingediend – reeds wordt gedragen door het tevergeefs bestreden oordeel dat Fresch rond 9 juli 2020 van de besluitvorming had kennisgenomen, faalt zij bij gebrek aan belang.
4.44
Subonderdeel 8.3 gaat uit van de lezing dat volgens het hof de agenda-kwestie niet aan de orde komt, omdat naar zijn oordeel Fresch al rond 9 juli 2020 op de hoogte was (gebracht) van het besluit. Geklaagd wordt dat dit oordeel gebrekkig gemotiveerd is, omdat het hof niet inzichtelijk maakt waarom en hoe het niet-naleven van het voor oproeping geldende agenderingsvereiste ‘gerepareerd’ kan worden doordat het lid later langs andere weg op de hoogte raakt van het bestaan van het besluit.
4.45
De klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat de wetenschap van Fresch rond 9 juli 2020 van de besluitvorming ertoe leidt dat het agenderingsvereiste alsnog gerepareerd wordt. Zoals eerder is uiteengezet, heeft het hof twee afzonderlijke sporen gevolgd: dat van het ‘kunnen kennisnemen’ (in welk kader het hof had moeten ingaan op de grief betreffende de inhoud van de agenda) en dat van het daadwerkelijk ‘hebben kennisgenomen’ in de zin van art. 5:130 lid 2 BW.
Onderdeel V: het vereiste quorum (art. 38 lid 5 MR 1992)
4.46
Onderdeel V, ten slotte, keert zich tegen rov. 3.6, waarin het hof tot het oordeel komt dat het besluit tot plaatsing van het hek niet is genomen zonder inachtneming van het door art. 38 lid 5 MR 1992 vereiste quorum, omdat niet is gebleken van een besluit tot het doen van buiten het onderhoud vallende uitgaven die een totaal door de vergadering vastgesteld bedrag te boven gaan als in die bepaling bedoeld.88.
4.47
In de eerste plaats (subonderdelen 7.2 en 7.3) wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het plaatsen van een hekwerk in dit geval als ‘onderhoud’ valt aan te merken.
4.48
De tegen dit oordeel gerichte rechtsklacht faalt, omdat de uitleg van een statutaire bepaling in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.89.
4.49
Voorts wordt geklaagd dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het hof tot deze – van de taalkundige betekenis afwijkende – uitleg is gekomen. Ook deze motiveringsklacht faalt. Op de in het middel aangegeven vindplaats (aanvullend beroepschrift, nr. 4) heeft Fresch – zonder enige motivering – gesteld dat het plaatsen van een hek niet kwalificeert als onderhoud in de zin van art. 38 lid 5 MR 1992. Daartegenover heeft de VvE zich op het standpunt gesteld dat de plaatsing van het hek wel onder onderhoud valt, omdat daarmee wordt voorkomen dat de parkeerplaatsen worden gebruikt als opslag voor bouwketen en bouwmateriaal en wordt voorkomen dat zwaar materieel via het parkeerterrein komt en gaat om te laden en te lossen en daarmee het terrein van de VvE beschadigt (verweerschrift in appel, nr. 23). Het hof heeft het standpunt van de VvE gevolgd. Dit is niet onbegrijpelijk en behoeft, gelet op het partijdebat, geen nadere motivering.
4.50
Ten tweede (subonderdeel 7.4) wordt met een rechts- en een motiveringsklacht opgekomen tegen het oordeel dat een twee derde vertegenwoordiging ook geen vereiste is omdat de VvE nimmer een maximumbedrag heeft vastgesteld als bedoeld in art. 38 lid 5 MR 1992.
4.51
Nu het oordeel van het hof reeds gedragen wordt door de tevergeefs bestreden beslissing dat van ‘buiten het onderhoud vallende uitgaven’ geen sprake is, falen deze klachten bij gebrek aan belang. Ook om andere redenen treffen zij geen doel.
4.52
De rechtsklacht houdt in dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de zinsnede “die een totaal door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaan”. Het hof zou hebben miskend dat de omstandigheid dat de VvE een dergelijk bedrag niet heeft vastgesteld, niet tot gevolg heeft dat art. 38 lid 5 MR 1992 niet van toepassing is op besluiten tot het doen van uitgaven die buiten het onderhoud vallen.90.Ook met betrekking tot deze zinsnede in art. 38 lid 5 MR 1992 geldt dat voor een rechtsklacht geen plaats is, zodat deze faalt.
4.53
De motiveringsklacht treft inhoudelijk geen doel. Het hof heeft de stelling van Fresch dat de strekking van art. 38 lid 5 MR 1992 meebrengt dat ook indien géén maximumbedrag is vastgesteld, die bepaling geldt voor alle besluiten ten aanzien van buiten het onderhoud vallende uitgaven,91.kennelijk verworpen. Dat behoefde geen nadere motivering.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑09‑2023
Ontleend aan de beschikking van het hof Amsterdam van 27 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3667 (hierna ook: de bestreden beschikking), rov. 2 en 3.1-3.1.8.
Zie de kadastrale kaart (prod. 26 bij beroepschrift). Het parkeerterrein (geel gearceerd) beslaat de kadastrale percelen 1913 en 1915. Gelijktijdig met het parkeerterrein is het naastgelegen terrein (perceel 1912) gesplitst in zeven bedrijfshallen met kantoren. De appartementseigenaren zijn verplicht eveneens eigenaar te zijn van twee parkeerplaatsen in de VvE (bestreden beschikking, rov. 3.1.4).
Zie de bestreden beschikking, rov. 3.7.1.
Volgens Fresch is zij op perceel 1493 (blauw gearceerd) thans doende nieuwbouw te realiseren (geheten Stock Amsterdam), terwijl zij op perceel 2150 (groen) in het verleden bedrijfsunits heeft gerealiseerd. Zie beroepschrift, nr. 2.2.
Akte van splitsing d.d. 8 september 1999 (prod. 5 bij inl. verzoekschrift).
KNB Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992 (prod. 4 bij inl. verzoekschrift).
Prod. 6 bij inl. verzoekschrift. In deze (van de VvE beheerder afkomstige en) aan Fresch gerichte uitnodiging staat als bij de beheerder bekend e-mailadres vermeld ‘info@freschrealestate.nl’.
Prod. 7 bij verweerschrift in eerste aanleg. Deze aan Fresch gerichte uitnodiging draagt als kop ‘Verzonden als E-mail.’
Volgens Fresch (procesinleiding nr. 2.5) heeft het hof in rov. 2 ten onrechte overwogen dat de feitenvaststelling van de kantonrechter op dit punt (rov. 1.6) niet in geschil was. Zij heeft in haar beroepschrift betwist dat de vergadering per e-mail d.d. 17 juni 2020 is verplaatst naar 2 juli 2020. Zie daarover hierna, alinea 4.2.
Notulen van 2 juli 2020, overgelegd als prod. 7 bij inl. verzoekschrift. Partijen zijn het erover eens dat het hek dient tot afscheiding van het parkeerterrein van het door Fresch ontwikkelde perceel 1493 (appelschrift nr. 2.3 en verweerschrift in appel nr. 12).
Zie prod. 9 bij verweerschrift in eerste aanleg.
Zie inl. verzoekschrift nr. 16, uitgewerkt in nrs. 17-20 resp. 25-27. Zie ook beroepschrift, nr. 2.3.
Beschikking van de rechtbank van 11 december 2020, rov. 6 en 9. Vgl. verweerschrift in eerste aanleg, nrs. 20-24; pleitaantekeningen zijdens de VvE d.d. 25 november 2020, nrs. 2-5.
Verweerschrift in eerste aanleg, nrs. 25-27.
De VvE heeft zelfstandige tegenverzoeken ingediend. Deze zijn in cassatie niet van belang en blijven hierna buiten beschouwing.
Aldus de weergave in de beschikking van de rechtbank van 11 december 2020, rov. 3. Vgl. inl. verzoekschrift nrs. 10-11, 17-18 en 28-29; pleitnota zijdens Fresch d.d. 25 november 2020, nrs. 4-7. Volgens de stellingen van Fresch is echter alleen de e-mail met de oorspronkelijke uitnodiging in het spamfilter terechtgekomen, en zijn de daarop volgende e-mails (met de nieuwe vergaderdatum resp. de notulen) überhaupt nergens aangetroffen (pleitnota, nrs. 5-6; vgl. beroepschrift nr. 2.5).
Rb. Amsterdam 11 december 2020, zaaknr: 8764746 EA VERZ 20-688.
Dit beroep op nietigheid ex art. 2:14 BW kan aan de orde worden gesteld in de onderhavige verzoekprocedure, zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275, JOR 2020/195 m.nt. K.A.M. van Vught, rov. 3.2.3.
Het hof heeft laten weten dat geen proces-verbaal kan worden afgegeven omdat er geen zittingsaantekeningen meer beschikbaar zijn. Zie ook procesinleiding, nr. 2.4.
Hof Amsterdam 27 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3667.
Bedoeld zal zijn: art. 5:130 lid 2 BW.
HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022, NJ 2019/448, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2019/214, m.nt. K.A.M. van Vught.
R.F.H. Mertens, GS Zakelijke rechten, art. 5:127 BW, aant. 1 (actueel t/m 6 maart 2020), begrijpt onder ‘de wijze van bijeenroeping’ als bedoeld in art. 5:112 lid 2 sub d BW mede de regeling van de oproeping. Hij noemt o.m.: de termijn van oproeping, wel of niet verplichte agendering en de adressen waarnaar de uitnodigingen moeten worden verzonden. Vgl. m.b.t. de op dit punt gelijkluidende bepaling van art. 2:27 lid 4 sub d BW in dezelfde zin Rensen, T&C BW, art. 2:41 BW, aant. 1, die erop wijst dat de wetgever het onderscheid tussen de begrippen ‘bijeenroeping’ en ‘oproeping’ niet altijd zuiver hanteert.
Met ‘bijeenroeping’ wordt bedoeld: ‘oproeping’. Zie Asser/Renssen 2-III 2022/115 jo. 112; C.H.C Overes, GS Rechtspersonen, art. 2:41 BW, aant. 2.
Wet van 20 oktober 2006 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter bevordering van het gebruik van elektronische communicatiemiddelen bij de besluitvorming in rechtspersonen, Stb. 2006, 525, i.w. 1 januari 2007 (Kamerstukken 30 019).
Kamerstukken II 2004/05, 30 019, nr. 3, p. 1-2 en 11 (MvT).
G.J.C. Rensen, ‘Ontwikkelingen in het verenigingen- en stichtingenrecht’, WPNR 2015/7072, p. 673.
Kamerstukken II 2004/05, 30 019, nr. 3, p. 1 (MvT).
Kamerstukken II 2004/05, 30 019, nr. 3, p. 11 (MvT).
Kamerstukken II 2004/05, 30 019, nr. 3, p. 12 (MvT).
Kamerstukken II 2004/05, 30 019, nr. 3, p. 2 (MvT). Genoemd wordt het voorbeeld van een kleine buurtvereniging, waarvoor de kosten van het toepassen van elektronische communicatiemiddelen te hoog zijn.
Dat is evenmin gebeurd ten aanzien van de per 1 januari 2007 ingevoerde artikelen 2:113 lid 4 en 2:223 lid 3 BW, die ook beginnen met het voorbehoud ‘Tenzij de statuten anders bepalen’.
Kamerstukken II 2005/06, 30 019, nr. 7, p. 4 (Nota n.a.v het verslag).
Asser/Rensen 2-III 2022/115; G.J.C. Rensen, ‘Ontwikkelingen in het verenigingen- en stichtingenrecht’, WPNR 2015/7072, p. 673; C.H.C. Overes, GS Rechtspersonen, art. 2:41 BW, aant. 3 (actueel t/m 24 mei 2019); R.G.J. Nowak, ‘Het wetsvoorstel elektronische communicatiemiddelen’, Ondernemingsrecht 2005/77, par. 3.4.
R.E. van Esch, ‘De elektronische algemene vergadering’, Computerrecht 2007/171, par. 2. Anders: T.J. van der Ploeg, ‘Elektronica in de relatie tussen stemgerechtigden en de rechtspersoon; naar een wettelijke regeling’, NTBR 2006/23, par. 3, alinea 12, volgens wie de statuten al ‘anders bepalen’ indien daarin is opgenomen dat oproeping ‘schriftelijk’ of ‘per brief’ moet gebeuren.
Vgl. Rb. Oost-Brabant 24 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4507, NJF 2017/405, rov. 5.5 (m.b.t. elektronisch stemmen).
MvT, p. 25, bij: Consultatie Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen,
Kamerstukken II 2009/10, 31 991, nr. 10.
Kamerstukken II 2009/10, 31 991, nr. 10 (Toelichting).
Handelingen II 2009/10, 31 991, nr. 78, p. 6680.
Zie voor de ‘schriftelijkheidseis’ art. 2:41 lid 2 (schriftelijk verzoek tot bijeenroepen) en art. 2:38 lid 4 BW (schriftelijke stemvolmacht), aan welk vereiste volgens het bij Wet van 20 oktober 2006 ingevoerde art. 2:41 lid 4 resp. art. 2:38 lid 5 wordt voldaan indien het verzoek/de volmacht elektronisch is vastgelegd.
Hier wreekt zich wellicht het feit dat art. 2:41 lid 5 BW spreekt van ‘bijeenroeping’, waar ‘oproeping’ bedoeld is. Vgl. art. 2:113 lid 4 en art. 2:223 lid 2 BW.
Handelingen II 2009/10, 31 991, nr. 78, p. 6681.
Mertens, GS Zakelijke rechten, art. 5:127 BW, aant. 1.
L.C.A. Verstappen e.a. (red.), Vervolg ‘Boek 5 BW van de toekomst’; Het ontwerpwetsvoorstel appartementsrechten, Den Haag: Sdu 2020, p. 62-63 en 70 (toelichting) en p. 80 (ontwerpwetsvoorstel).
Wijziging van Boek 2 en Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek met het oog op het aanpassen van de regels inzake de digitale algemene vergadering van privaatrechtelijke rechtspersonen en de regels voor digitale oproeping voor de algemene vergadering (keten-ID 13378). Het ontwerp-wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn te raadplegen via: Consultatie Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen, < Overheid.nl | Consultatie Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen (internetconsultatie.nl) https://www.internetconsultatie.nl/digiava/b1>.
MvT, p. 1, 10 en 17 e.v.
MvT, p. 2 en 22.
Voorstel van wet, art. I sub B. Ook wordt voorgesteld om de instemmingseis in de artikelen 2:113 lid 4 en 2:123 lid 2 BW te laten vervallen (art. I sub D resp. I).
MvT, p. 17 en 27.
Het ontwerp voorziet wel in een nieuwe bepaling (art. 5:127 lid 5 BW) waarmee de regeling van art. 2:38 leden 6-10 BW (elektronisch stemmen) van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de vve (voorstel van wet, art. II).
MvT, p. 4 (schema) en p. 17 (par. 3.3.1).
Met door mij aangebrachte onderstreping.
Met door mij aangebrachte onderstreping.
Met door mij aangebrachte onderstreping.
N.L.J.M. Rijssenbeek, De model-splitsingsreglementen toegelicht. Handleiding voor de praktijk (tweede druk), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht 2018, Art. 50, aant. 4 (p. 343).
Pleitnota d.d. 25 november 2020, nr. 5.
Vgl. F.M. Cassel-van Zeeland, GS Vermogensrecht, art. 3:37 BW, aant. 4.9.6; Asser/Sieburgh 6-III 2022/183; H.J. Snijders, ‘Het bereiken van een geadresseerde (per e-mail)’ (I) en (II), WPNR 2001/6444 en 6445.
Onder het kopje “Feiten” wordt in het beroepschrift (nr. 2.5) opgemerkt dat na controle van alle mailboxen van Fresch is geconstateerd dat de eerste oproepingsmail in het spamfilter zat, maar andere e-mails überhaupt niet zijn aangetroffen. Daaraan wordt in een voetnoot de gevolgtrekking verbonden dat de kantonrechter in rov. 1.6 ten onrechte heeft overwogen dat de vergadering per e-mail van 17 juni 2020 is verplaatst naar 2 juli 2020. Onder het kopje “Hoger beroep” staat naast de andere grieven echter geen tegen de feitenvaststelling gerichte grief.
De VvE heeft deze overgelegd, zie prod. 7 bij verweerschrift in eerste aanleg. Deze aan Fresch gerichte uitnodiging draagt als kop ‘Verzonden als E-mail.’
Zie o.m. pleitnota zijdens Fresch d.d. 25 november 2020, nr. 4; zittingsaantekeningen van de griffier d.d. 25 november 2020, p. 6, rechter kolom (‘verzoekster’), 3e regel van onderen; beroepschrift, nrs. 4.6 en 4.8; verweerschrift in appel, nr. 32 e.v.; aantekeningen mondelinge behandeling zijdens Fresch d.d. 7 december 2021, nr. 6.
Abusievelijk is vermeld: art. 5:131 BW.
De kantonrechter verwijst naar HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022, rov. 3.4 (aangehaald hiervoor onder 3.3).
Vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022, rov. 3.5.
Zie hiervoor onder 3.14.
Het middel verwijst naar T.J. van der Ploeg, ‘Elektronika in de relatie tussen stemgerechtigden en de rechtspersoon; naar een wettelijke regeling’, NTBR 2006/23, par. 3, alinea 13, voorlaatste volzin: “Ik meen dat het juister zou zijn in art. 2:41 lid 4 en lid 5 BW te formuleren: ‘De statuten kunnen bepalen’ in plaats van ‘Tenzij de statuten anders bepalen’.”
Zie over de argumenten voor deze constructie Kamerstukken II 2005/06, 30 019, nr. 7, p. 3 (Nota n.a.v. het verslag).
N.L.J.M. Rijssenbeek, De model-splitsingsreglementen toegelicht. Handleiding voor de praktijk (tweede druk), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht 2018, Art. 50, aant. 4 (p. 343).
Procesinleiding, p. 7, onderaan.
Vgl. Rijssenbeek, t.a.p: “Met name zal het bestuur zich ervan moeten vergewissen dat de eigenaars akkoord zijn met digitale verzending van de oproeping en daarvoor ook een digitaal adres hebben opgegeven.”
Appelschrift, grief 1, nrs. 4.8 en 4.13-4.17. Hierin zet Fresch o.m. uiteen dat de entiteiten binnen haar groep lid zijn van circa 250 vve’s en dat zij in verband met de interne organisatie en werkwijze de oproepen van die vve’s niet in een algemeen toegankelijke mailbox maar per post wenst te ontvangen. Zie ook aantekeningen mondelinge behandeling d.d. 7 december 2021, nr. 6.
Vgl. in het kader van art. 3:37 lid 3 BW: HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 (Centavos/Stichting Nieuwenhuis), m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.2.
HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022, rov. 3.5.
Zie prod. 8 bij verweerschrift in eerste aanleg.
Verweerschrift in eerste aanleg, nr. 23 en prod. 8; verweerschrift in appel, nrs. 33-34.
Verweerschrift in appel, nr. 34.
Zie ook hierna, onderdelen IV en VI.
Beide berichten zijn overgelegd als prod. 9 bij verweerschrift in eerste aanleg.
Verweerschrift in eerste aanleg, nrs. 25-27. De kantonrechter is aan de hiermee te onderbouwen grondslag (kennis van het besluit) niet toegekomen.
Verweerschrift in appel, nrs. 38-39.
Zie ook pleitnota in eerste aanleg zijdens Fresch d.d. 25 november 2020, nr. 6; beroepschrift, nr. 4.24.
Het middel verwijst naar prod. 10 bij brief van 13 november 2020.
Beroepschrift, nrs. 4.26-4.34.
Beroepschrift, nr. 4.27.
Evenals voor de ‘gewone’ vereniging, zie Asser/Rensen 2-III 2022/118.
Rijssenbeek, a.w., Art. 50, aant. 5 en 6 (p. 343-346).
HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022, rov. 3.4.
Art. 38 lid 5 MR 1992 luidt: “Besluiten door de vergadering tot het doen van buiten het onderhoud vallende uitgaven die een totaal door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaan, kunnen slechts worden genomen met een meerderheid van tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is, dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen. In een vergadering, waarin minder dan twee/derde van het in de vorige zin bedoelde maximum aantal stemmen kan worden uitgebracht, kan geen geldig besluit worden genomen.” Blijkens de notulen zijn van het totaal aantal stemmen (41) er 21 vertegenwoordigd (51,22%).
A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Kluwer 2019/64, p. 69.
Het middel verwijst naar Rb. Midden-Nederland 7 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2113, rov. 4.7.
Aanvullend beroepschrift, nr. 4.
Beroepschrift 23‑02‑2023
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
artikelen 426 e.v. Rv
1.1.
Verzoekster tot cassatie is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fresch Projectontwikkeling B.V., gevestigd en kantoorhoudend aan de Jacob Mossel-straat 2 te 2595 RH Den Haag, verder te noemen: Fresch. Zij kiest in deze zaak woonplaats aan de Zwartelaan 30 te Leidschendam-Voorburg ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. J. Streefkerk, die als zodanig Fresch vertegenwoordigt in deze cassatieprocedure.
1.2.
Verweerster in cassatie is de Vereniging van eigenaars Parkeerterrein Amstelland Business Center, statutair gevestigd te Diemen en kantoorhoudend aan de Aïdastraat 22 te 1183 PB Amstelveen, verder te noemen: de VvE. Zij heeft in vorige instanties woonplaats gekozen bij haar advocaat mr. J.D. Poot (Vast Advocaten), kantoorhoudend aan de Johan van Hasseltweg 2 B6 te 1022 WV Amsterdam.
1.3.
Fresch stelt cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 27 december 2022; zaaknummer: 200.288.187/01. Bij het aanbrengen van het cassatieberoep zal een exemplaar van het arrest worden geüpload, tezamen met de overige uitspraken in de onderhavige procedure.
Inleiding.
2.1.
Onderwerp van de onderhavige procedure is het procesrechtelijke verzoek van Fresch om de besluiten van de VvE d.d. 2 juli 2020 te vernietigen. In de kern berust het verzoek tot vernietiging erop — kort weergegeven — dat de oproeping voor de VvE-vergadering waar de besluiten zijn genomen niet voldeed aan de statutaire en wettelijke vereisten, waardoor de oproeping Fresch niet (tijdig) heeft bereikt en zij niet in de gelegenheid is geweest om ter vergadering haar standpunt kenbaar te maken, terwijl Fresch pas een paar maanden na die vergadering op de hoogte is geraakt van de besluiten.
2.2.
Namens Fresch is het verzoekschrift tot vernietiging van de (op 2 juli 2020 genomen) besluiten op 16 september 2020 ingediend bij de rechtbank Amsterdam, kamer voor kantonzaken. De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 11 december 2020 het vernietigingsverzoek van Fresch afgewezen althans Fresch niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Hiertegen heeft Fresch hoger beroep ingesteld bij beroepschrift d.d. 8 januari 2021 en aanvullend beroepschrift d.d. 11 januari 2021. Het hof Amsterdam heeft bij beschikking d.d. 27 december 2022 de rechtbank-uitspraak bekrachtigd, met veroordeling van Fresch in de proceskosten.
2.3.
Het procesdossier in feitelijke instanties bestaat uit de volgende stukken.
Eerste aanleg.
- 1.
Verzoekschrift Fresch 16 september 2020, met prod. 1 t/m 9.
- 2.
Brief Fresch aan rechtbank 13-11-2020, met prod. 10 t/m 12.
- 3.
Verweerschrift VvE 19-11-2020, met prod. 1 t/m 9.
- 4.
Brief Fresch aan rechtbank 23-11-2020, met prod. 13 t/m 20.
- 5.
Brief Fresch aan rechtbank 23-11-2020, met prod. 21.
- 6.
Incidenteel verzoek Fresh 25-11-2020, met pod. 22 t/m 24.
- 7.
Brief VvE 24-11-2020, met prod. 10 – 11.
- 8.
Pleitnota Fresch 25-11-2020.
- 9.
Pleitnotitie VvE 25-11-2020.
- 10.
Zittingsaantekeningen rechtbank 25-11-2020.
- 11.
Beschikking rechtbank Amsterdam 11-12-2020.
Hoger beroep.
- 12.
Hoger beroepschrift Fresch 08-01-2021, met prod. 25 -26.
- 13.
Aanvullend hoger beroepschrift Fresch 11-01-2021.
- 14.
V6-formulier Fresch 09-02-2021, met proces-verbaal eerste aanleg.
- 15.
Verweerschrift VvE 22-03-2021.
- 16.
V6-formulier Fresch 26-11-2021, met prod. 27.
- 17.
Aantekeningen mondelinge behandeling Fresch 7-12-2021.
- 18.
Aantekeningen ter zitting VvE 7-12-2021.
- 19.
Akte VvE 11-7-2022, met prod. 12 – 14.
- 20.
Antwoordakte Fresch, met prod. 28.
- 21.
Beschikking hof Amsterdam 27-12-2022.
2.4.
Zoals uit de opsomming van processtukken blijkt, heeft op 7 december 2021 een mondelinge behandeling bij het hof Amsterdam plaatsgevonden. In verband met de beschikking van het hof d.d. 27 december 2022 en het daartegen in te stellen cassatie-beroep is namens Fresch bij e-mail van 28 december 2022 aan het hof gevraagd om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 december 2021 met spoed toe te sturen. Hierop is door de griffie van het hof Amsterdam bij e-mail van 10 januari 2023 geantwoord, dat er geen zittingsaantekeningen meer beschikbaar zijn en er dus geen proces-verbaal kan worden afgegeven.
2.5.
Het hof heeft in rov. 2 van de bestreden beschikking overwogen dat de door de kantonrechter vastgestelde feiten onder 1.1 t/m 1.8 (beschikking 11 december 2020) niet in geschil zijn en door het hof als uitgangspunt worden genomen. Dit is evenwel niet geheel correct. Het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt sub 1.6 — dat de vergadering per e-mail d.d. 17 juni 2020 is verplaatst naar 2 juli 2020 — is door Fresch weersproken in alinea 2.5 van haar beroepschrift en noot 1 daarbij. De volgens de VvE verstuurde verplaatsingsmail d.d. 17 juni 2020 is nimmer in het geding gebracht.1.
Middel van cassatie.
Fresch voert tegen de beschikking van het hof Amsterdam d.d. 27 december 2022 het volgende middel van cassatie aan.
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in de beschikking is weergegeven, zulks op de volgende — in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen — gronden en redenen.
Cassatieklacht I.
3.1.
De eerste cassatieklacht richt zich tegen rov. 3.7.2 van de bestreden beschikking, in het bijzonder de passage waar het hof heeft overwogen — zakelijk weergegeven — dat het van toepassing verklaarde Modelreglement niet uitsluit dat de oproeping voor een VvE-vergadering, naast de verzending per post, ook per mail kan.
3.2.
Het Modelreglement is als prod. 4 bij het inleidend verzoekschrift d.d. 16 september 2020 overgelegd. In artikel 33 lid 8 is bepaald dat de oproeping voor de vergadering wordt verzonden ‘naar de werkelijke of, in overeenstemming met artikel 1:15 van het Burgerlijk Wetboek, de gekozen woonplaats van de eigenaars’. De werkelijke woonplaats is de woonstede in de vorm van een fysiek adres, hetgeen volgt uit artikel 1:10 BW.2. Dat geldt ook voor de gekozen woonplaats in de zin van artikel 1:15 BW. In de splitsingsakte (prod. 5 inleidend verzoekschrift) is hiervan niet afgeweken.
Dit brengt mee dat artikel 33 lid 8 Modelreglement in samenhang met het daarin genoemde artikel 1:15 BW in beginsel voorschrijft dat de oproeping aan het fysieke (al dan niet gekozen) adres gestuurd dient te worden. Het hof heeft dit blijkbaar miskend aangezien het hof zonder nadere overwegingen met betrekking tot artikel 2:41 lid 5 BW (zie daarover alinea 3.4 hierna) oordeelt dat het Modelreglement toezending van de oproeping per e-mail toestaat althans niet uitsluit. Aldus getuigt het oordeel van het hof in rov. 3.7.2 van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de begrippen ‘(werkelijke) woonplaats’ en ‘gekozen woonplaats’ in de zin van de artikelen 1:10 en 1:15 BW alsmede artikel 33 lid 8 Modelreglement.3.
3.3.
Indien en voor zover het Modelreglement geen ‘recht’ in de zin van artikel 79 lid 1 sub b RO is en de toepassing van de begrippen ‘woonplaats’ en ‘gekozen woonplaats’ in het Modelreglement niet kwalificeert als ‘recht’, heeft het hof in ieder geval ontoereikend gemotiveerd waarom het deze begrippen in het kader van de rechtsverhouding tussen de VvE en haar deelnemers zodanig uitlegt c.q. toepast dat daaronder ook een oproeping per e-mail zou vallen. Deze uitleg staat immers haaks op de bewoordingen van artikel 33 lid 8 Modelreglement en van artikel 2:41 lid 5 BW. Het hof heeft in het geheel niet inzichtelijk gemaakt hoe het tot zijn, van die bewoordingen afwijkende, uitleg is gekomen. In dit verband heeft te gelden dat gelet op het maatschappelijke belang van het Modelreglement, dat in de praktijk branche breed bij elke VvE wordt gebruikt, hoge motiveringseisen gesteld dienen te worden aan de uitleg van reglementsbepalingen.4.
3.4.
In de hier bestreden rov. 3.7.2 van de beschikking d.d. 27 december 2022 is het hof niet ingegaan op de consequenties van artikel 2:41 lid 5 BW. Indien de beschikking zo moet worden gelezen dat het wetsartikel volgens het hof niet relevant is voor de toepassing en uitleg van artikel 33 lid 8 Modelreglement, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting omdat in artikel 2:41 lid 5 BW — onder de daar vermelde voorwaarden — de mogelijkheid van oproeping langs elektronische weg wordt geopend wanneer de statuten daaraan niet in de weg staan. Zonder toetsing aan artikel 2:41 lid 5 BW kan ten aanzien van de oproeping derhalve niet worden afgeweken van de statuten c.q. het Modelreglement. Het hof heeft dit blijkbaar miskend.
Indien de beschikking zo moet worden gelezen dat artikel 2:41 lid 5 BW volgens het hof inhoudt dat alleen indien de statuten een expliciet verbod bevatten, de elektronische oproeping niet is toegestaan, getuigt dit evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting omdat uit de wetsbepaling juist voortvloeit dat de elektronische oproeping slechts is toegestaan indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen.5.
In alle gevallen heeft het hof (ongeacht zijn rechtsopvatting) zijn hier bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt om welke redenen de in artikel 2:41 lid 5 BW en/of het Modelreglement vermelde voorwaarden niet zouden gelden voor dan wel niet in de weg zouden staan aan de elektronische oproeping dan wel op grond waarvan de onderhavige oproeping zou voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden.
3.5.
Indien de hier bestreden overweging van het hof zo moet worden gelezen dat het hof wel (impliciet) heeft getoetst aan artikel 2:41 lid 5 BW en dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden van de wetsbepaling is voldaan, doordat het bewuste e-mailadres ([e-mailadres 1]) door Fresch ‘voor dit doel is bekend gemaakt’ aan de VvE, getuigt dit evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 2:41 lid 5 BW. Krachtens dit artikellid is immers een expliciete voorwaarde voor verzending van de oproeping langs elektronische weg (lees: per e-mail) dat het desbetreffende e-mailadres door het lid — in casu: Fresch — voor dit doel bekend is gemaakt. Met andere woorden: de voorwaarde houdt in dat Fresch als lid van de VvE specifiek met het oog op de oproepingen voor VvE-vergaderingen het vermelde e-mailadres bekend moet hebben gemaakt aan de VvE.6. Door de VvE is echter niet gesteld en door het hof is in de bestreden beschikking terecht niet overwogen laat staan vastgesteld, dat Fresch het e-mailadres [e-mailadres 1] specifiek met het oog op de oproeping voor de VvE-vergadering bekend zou hebben gemaakt.7.
3.6.
Indien de hier bestreden overweging zo moet worden gelezen dat artikel 2:41 lid 5 BW volgens het hof in casu niet aan de orde komt omdat Fresch naar 's hofs oordeel ‘al rond 9 juli 2020 op de hoogte was (gebracht) van de besluitvorming’ op 2 juli 2020, dan is dit oordeel c.q. deze overweging gebrekkig gemotiveerd. In de eerste plaats is feitelijk en juridisch onjuist dat Fresch rond 9 juli 2020 op de hoogte was van het VvE-besluit tot het plaatsen van een hekwerk, en is dát oordeel ontoereikend gemotiveerd; zie cassatieklacht III hierover. In de tweede plaats doet een latere wetenschap van Fresch omtrent het bestaan van het VvE-besluit niet af aan de wettelijke vereisten voor de oproeping, terwijl het hof niet inzichtelijk maakt waarom en hoe het niet-naleven van die vereisten als het ware gerepareerd kan worden doordat het VvE-lid later toevallig langs andere weg op de hoogte geraakt van (het bestaan van) het besluit.
3.7.
In rov. 3.7.2 van de bestreden beschikking heeft het hof overwogen dat de communicatie tussen Fresch en de VvE altijd per e-mail zou zijn verlopen met gebruikmaking van het vermelde e-mailadres, maar in de eerste plaats is dit onjuist (waarop Fresch terugkomt bij cassatieklacht II) en in de tweede plaats is ook wanneer van die beweerdelijke communicatie wordt uitgegaan, niet voldaan aan het wettelijke vereiste dat het e-mail adres door Fresch voor dat doel (oproeping van het bestuur voor de VvE-vergaderingen) bekend is gemaakt. Immers, het gebruiken van een e-mailadres is fundamenteel wat anders dan het voor een bepaald doel kenbaar maken van een e-mailadres.8.
3.8.
Nu deze passage in rov. 3.7.2 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en gebrekkig is gemotiveerd, kan de hierop voortbouwende inhoud van rov. 3.7.2 niet in stand blijven.
Cassatieklacht II.
4.1.
De tweede cassatieklacht richt zich tegen de passage in rov. 3.7.2, waar het hof heeft overwogen dat Fresch niet (gemotiveerd) heeft betwist dat de communicatie tussen haar en de VvE altijd per e-mail verliep, met [e-mailadres 1] als adres, en dat zij daartegen nooit bezwaar heeft gemaakt. Dit oordeel van het hof is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Fresch. Zij licht dit als volgt toe.
4.2.
Door de VvE is als prod. 8 bij haar verweerschrift in eerste aanleg één e-mail in het geding gebracht, waarin het adres [e-mailadres 1] voorkomt. Dat is echter niet een e-mail van Fresch aan de VvE, maar omgekeerd een e-mail van de VvE aan Fresch; deze is gedateerd op 14 januari 2020. Fresch heeft hierop bij monde van [naam 1] gereageerd op 15 januari 2020, vanuit het adres [e-mailadres 2].
De rechtbank heeft in rov. 10 van de eindbeschikking d.d. 11 december 2020 op basis van deze ene e-mail aangenomen dat de communicatie ‘steeds’ per e-mail zou hebben plaatsgevonden en dat Fresch het vermelde e-mailadres ‘zelf heeft opgegeven’.
Omdat dit volkomen onjuist is, heeft Fresch in hoger beroep bij grief 1 onder meer aangevoerd (i) dat Fresch het e-mailadres niet heeft opgegeven aan de VvE en (ii) dat het Fresch niet bekend is hoe de VvE aan het e-mailadres [e-mailadres 1] is gekomen.9. Daarnaast heeft Fresch uitdrukkelijk betwist, met onderbouwing van die betwisting, dat de communicatie steeds per e-mail zou hebben plaatsgevonden.10. Daarbij heeft Fresch erop gewezen dat de VvE zegge en schrijve één e-mail heeft overgelegd waarbij het adres [e-mailadres 1] is gebruikt.
Weliswaar heeft de VvE haar stellingen in dit opzicht gehandhaafd.11.
Maar daarop heeft Fresch bij monde van haar advocaat gereageerd op de zitting van 7 december 2021, door expliciet op te merken (i) dat Fresch nooit heeft ingestemd met het per e-mail toezenden van de oproeping, (ii) dat Fresch nooit voor dat doel een e-mailadres bekend heeft gemaakt, (iii) dat Fresch nimmer e-mails over VvE-vergaderingen heeft ontvangen behalve de ene mail die in de spam box terecht is gekomen én (iv) dat de oproeping voor de VvE-vergadering van 3 december 2019 evenmin per e-mail aan het adres [e-mailadres 1] is gestuurd. De VvE heeft deze stellingen van Fresch niet weersproken en al helemaal niet weerlegd.
Op de zitting van 7 december 2021 heeft de VvE bij monde van haar bestuurder, in antwoord op een vraag van een van de raadsheren van het hof Amsterdam, meegedeeld dat men het bewuste e-mailadres van de website van Fresch had gehaald.12.
4.3.
Tegen deze achtergrond is — zonder nadere toelichting en onderbouwing, die ontbreken — onbegrijpelijk hoe het hof tot zijn overweging c.q. oordeel is gekomen, (i) dat Fresch niet (gemotiveerd) heeft betwist dat de communicatie altijd per e-mail heeft plaatsgevonden, (ii) dat Fresch dit e-mailadres zelf heeft opgegeven en zelfs (iii) dat Fresch zelf ‘vanaf’ dit adres met de VvE zou hebben gecommuniceerd. Het hof heeft in rov. 3.7.2 op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn gedachtegang, op grond waarvan het hof het uitdrukkelijke verweer in het kader van grief 1 (beroepschrift alinea's 4.13–4.14) heeft gewogen en verworpen. Om deze redenen kan het hier bestreden oordeel niet in stand blijven.
Cassatieklacht III.
5.1.
De derde cassatieklacht heeft betrekking op rov. 3.7.2 van de bestreden beschikking, waar overwogen/geoordeeld is dat Fresch ‘al rond 9 juli 2020 op de hoogte was gebracht van de besluitvorming in de VvE vergadering van 2 juli 2020 met betrekking tot het plaatsen van een hekwerk’. Volgens de hier bestreden overweging zou deze wetenschap van Fresch zijn af te leiden uit het bericht van [betrokkene 1], Energiemissie B.V., die op de vergadering van 2 juli 2020 aanwezig is geweest en over het hekwerk zou hebben bericht aan Fresch. Deze overwegingen en deze gevolgtrekking van het hof zijn evenwel onjuist, onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Dit blijkt uit het navolgende.
5.2.
De VvE heeft in eerste aanleg naar voren gebracht dat Energiemissie B.V., een ander VvE-lid, op 9 juli 2020 aan de VvE heeft gemaild dat — volgens Energiemissie/[betrokkene 1] — Fresch heeft aangegeven dat om het hele terrein schanskorven zouden komen.13.14.
Naar aanleiding hiervan heeft Fresch op de zitting van 25 november 2020 bij de rechtbank expliciet opgemerkt dat zij van [betrokkene 1] niets heeft vernomen over ‘een vergadering, een besluit of een hek’.15. Als mogelijke verklaring voor de e-mail van Energiemissie aan de VvE heeft Fresch geopperd dat kennelijk door [betrokkene 1] bij Fresch is geïnformeerd naar eventuele plannen van Fresch met betrekking tot een vorm van afscheiding. Uit deze passage in de pleitnota valt niet af te leiden dat Fresch kort na 2 juli 2020 op de hoogte zou zijn gesteld van de inhoud van het besluit om hekwerken te plaatsen. Integendeel, Fresch heeft dit met zoveel woorden betwist.
In hoger beroep heeft Fresch wederom expliciet opgemerkt dat zij niet heeft vernomen — ‘ook niet van Energiemissie’ — dat er een vergadering was geweest en/of een besluit over een hekwerk was genomen.16.
De VvE heeft haar stellingen weliswaar gehandhaafd.17. Maar daaraan heeft zij niets nieuws toegevoegd. Meer dan een veronderstelling die de VvE heeft afgeleid uit de summiere e-mail aan haar, die niet van Fresch afkomstig was, houden deze stellingen van de VvE niet in. De e-mail van Energiemissie d.d. 9 juli 2020 aan de VvE bevat slechts één zin, luidende:
‘Jack en anderen, Fresh geeft aan dat om het hele terrein schanskorven komen’. 18.
Nu het verweerschrift in dit opzicht geen nieuws bevatte, behoefde Fresch daarop niet — nogmaals — te reageren bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 december 2021. Dat zou slechts een spreekwoordelijke herhaling van zetten opleveren.
5.3.
In het licht van het partijdebat en de betwistingen van Fresch schiet de motivering van 's hofs oordeel met betrekking tot de vermeende wetenschap van Fresch tekort. Het hof heeft zijn oordeel omtrent die wetenschap slechts onderbouwd met een verwijzing naar een éénregelige e-mail van een derde, welke e-mail dus niet afkomstig was van Fresch en waarvan de inhoud onduidelijk is zodat elke daaraan te verbinden gevolgtrekking louter speculatief is. Aldus zakt de motivering door de ondergrens van begrijpelijkheid, inzichtelijkheid, consistentie en logica. Daarom kan deze overweging niet in stand blijven, hetgeen moet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.
Cassatieklacht IV.
6.1.
Zoals Fresch hierboven heeft toegelicht bij de cassatieklachten II en III, zijn de daar bestreden oordelen van het hof ontoereikend gemotiveerd, onder meer omdat Fresch een en ander uitdrukkelijk heeft betwist. Gezien deze betwistingen had het hof hoe dan ook acht moeten slaan op het bewijsaanbod van Fresch in alinea 5.2 van het beroepschrift en in alinea 12 van de antwoordakte d.d. 27 juli 2022. Naast de specifieke onderwerpen die in de tweede volzin van het bewijsaanbod in alinea 5.2 beroepschrift zijn genoemd, heeft Fresch immers aangeboden om ‘al haar stellingen’ te bewijzen op alle daartoe geschikte manieren.
Om deze redenen had het hof het bewijsaanbod niet mogen passeren, althans niet zonder toelichting en onderbouwing die ontbreken, maar had het hof aan Fresch (tegen)bewijs moeten opdragen conform het aanbod. Het op deze wijze passeren van het bewijsaanbod dient te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.
Cassatieklacht V.
7.1.
De vijfde cassatieklacht richt zich tegen rov. 3.6 van de bestreden beschikking, waar het hof heeft geoordeeld (i) dat het plaatsen van een hekwerk in dit geval als onderhoud valt aan te merken en (ii) dat de VvE nimmer een maximum bedrag heeft vastgesteld voor het doen van uitgaven die buiten het onderhoud vallen, zodat volgens het hof niet een twee/derde vertegenwoordiging is vereist. Dit oordeel van het hof getuigt evenwel van een onjuiste rechtsopvatting c.q. uitleg en — in ieder geval — van een ontoereikende motivering.
7.2.
In rov. 3.5.2 en 3.6 van de bestreden beschikking staan de toepassing en uitleg van artikel 38 lid 5 van het Modelreglement centraal. Met betrekking tot uitgaven die buiten het ‘onderhoud’ vallen, bevat deze bepaling het voorschrift dat besluiten met betrekking tot dergelijke uitgaven in beginsel slechts genomen kunnen worden (1) met een meerderheid van tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen, en (2) in een vergadering waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen. In hoger beroep heeft Fresch naar voren gebracht dat het plaatsen van hekken niet valt aan te merken als onderhoud in de zin van artikel 38 lid 5 Modelreglement.19.
7.3.
Volgens ‘Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal’ is de hier relevante betekenis van het woord onderhoud (namelijk in de zin van onderhoud van zaken):
‘het in goede staat houden ervan’.
In deze betekenis gaat het dus om reeds aanwezige en bestaande zaken, die in goede staat worden gehouden. Een (nog) niet bestaande zaak kan dus niet ‘in goede staat’ worden gehouden; er is immers nog geen staat.
De omschrijving in Van Dale strookt met het algemene spraakgebruik, waarbij onderhoud van zaken uitsluitend betrekking heeft op reeds bestaande objecten. Het nieuw aanbrengen van elementen bij of aan zaken vormt in de regel dan ook geen onderhoud. Dergelijke elementen kunnen bijvoorbeeld worden aangebracht ter verfraaiing of ter beveiliging zoals het plaatsen van een nieuw, afsluitbaar hekwerk. De enkele omstandigheid dat de grens tussen onderhoud en niet-onderhoud wellicht niet steeds even scherp valt te trekken, is in dit verband niet relevant aangezien het in de onderhavige aangelegenheid erom gaat dat een redelijke uitleg (en toepassing) van artikel 38 lid 5 Modelreglement met zich meebrengt, dat het plaatsen van een nieuw hekwerk terwijl daar nooit een hekwerk aanwezig was, in ieder geval niet valt te kwalificeren als ‘onderhoud’.
Door in rov. 3.6 van de bestreden beschikking anders te oordelen, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 38 lid 5 Modelreglement. Voor zover dit reglement niet zou worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 lid 1 sub b RO, getuigt het oordeel van het hof in ieder geval van een onjuiste uitleg van het begrip terwijl dit oordeel bovendien ontoereikend is gemotiveerd aangezien daarbij het hof hierbij afwijkt van de taalkundige betekenis van het begrip; het hof heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe en op welke gronden het tot deze afwijkende uitleg c.q. dit afwijkend oordeel is gekomen.
7.4.
Evenzo heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de zinsnede ‘die een totaal door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaan’ als bedoeld in artikel 38 lid 5 Modelreglement. Immers, de omstandigheid dat de VvE in dit geval een dergelijk bedrag niet heeft vastgesteld, heeft niet tot gevolg dat het vijfde lid van artikel 38 Modelreglement niet van toepassing zou zijn op besluiten tot het doen van uitgaven die buiten het onderhoud vallen. Zoals de rechtbank Midden-Nederland met juistheid heeft overwogen, strekt de bepaling immers vooral ter bescherming van de belangen van eigenaren die niet aanwezig zijn bij de vergadering, wat betreft het doen van uitgaven voor niet-onderhoudsdoeleinden.20. De door het hof gehuldigde opvatting c.q. uitleg is strijdig met deze strekking van de bepaling. De opvatting c.q. uitleg van het hof is daarom onjuist en ontoereikend gemotiveerd, mede gezien het feit dat een nadere argumentatie en onderbouwing van het hier bestreden oordeel ontbreken. Aldus heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt, op grond waarvan het tot het bestreden oordeel is gekomen.
7.5.
Gegeven de toepasselijkheid van het voorschrift in artikel 38 lid 5 Modelreglement is het VvE besluit van 2 juli 2020 nietig, omdat niet het vereiste quorum aanwezig was. Ter vergadering is niet voldaan aan het vereiste dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen dat kon/kan worden uitgebracht, aanwezig was. Dit leidt tot nietigheid.21. Ook om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
Cassatieklacht VI.
8.1.
De zesde cassatieklacht heeft betrekking op de — door het hof onbehandeld gelaten — grief in hoger beroep, dat in de agenda behorend bij de oproeping voor de vergadering van de VvE niets is bepaald over het plaatsen van een hek.22. In dit verband heeft Fresch aangevoerd dat volgens artikel 33 lid 8 Modelreglement de oproeping de punten van de agenda dient te vermelden. Bij gebreke daarvan kunnen geen rechtsgeldige besluiten worden genomen, althans zijn die besluiten vernietigbaar. Het betoog van Fresch houdt in dat in de agenda bij de oproeping voor de VvE-vergadering slechts melding is gemaakt van de ‘afbakening en ophoging van de parkeerplaatsen c.q. parkeerterrein’; zie prod. 10 bij de brief van Fresch d.d. 13 november 2020 aan de rechtbank. De afbakening van een parkeerplaats of parkeerterrein is echter wat anders dan de afsluiting van het parkeerterrein door middel van een aaneengesloten hekwerk. Voor de uitleg van het taalkundige begrip ‘afbakenen’ verwijst Fresch naar alinea 4.33 van het beroepschrift, en naar alinea 8 van haar aantekeningen mondelinge behandeling. Kort en goed: afbakenen is niet afsluiten.
8.2.
Aangezien het plaatsen van een (afsluitend) hekwerk langs het parkeerterrein niet als zodanig vermeld is als agendapunt voor de VvE-vergadering, kon daarover geen geldig besluit worden genomen, althans niet een besluit dat niet meer vatbaar zou zijn voor vernietiging. Het verzoek tot vernietiging van Fresch dient derhalve alleen al om deze reden te worden toegewezen. Het desbetreffende onderdeel van grief 2 van Fresch dient te worden aangemerkt als een essentiële stelling en een essentieel onderdeel van de grief, die niet zonder toereikende motivering verworpen kon(den) worden.
8.3.
Indien deze agenda-kwestie volgens het hof niet meer aan de orde komt omdat Fresch naar 's hofs oordeel al rond 9 juli 2020 op de hoogte was (gebracht) van het besluit op 2 juli 2020, dan is dit oordeel c.q. deze overweging gebrekkig gemotiveerd. In de eerste plaats is feitelijk en juridisch onjuist dat Fresch rond 9 juli 2020 op de hoogte was van het VvE-besluit tot het plaatsen van een hekwerk, en is dát oordeel ontoereikend gemotiveerd; zie cassatieklacht III hierover. In de tweede plaats doet een latere wetenschap van Fresch omtrent het bestaan van het VvE-besluit niet af aan dit reglementsvereiste voor de oproeping, terwijl het hof niet inzichtelijk maakt waarom en hoe het niet-naleven van dit vereiste als het ware gerepareerd kan worden doordat het VvE-lid later toevallig langs andere weg op de hoogte geraakt van (het bestaan van) het besluit.
8.4.
Doordat het hof in de bestreden beschikking in het geheel niet heeft gerespondeerd op op deze grief en deze stelling, is de beschikking niet deugdelijk en niet toereikend gemotiveerd. Daarom kan de beschikking niet in stand blijven.
Conclusie.
Fresch verzoekt c.q. vordert op grond van de hierboven vermelde cassatieklachten, dat de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 27 december 2022 onder zaaknummer 200.288.187/01 vernietigt, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad juist acht, een en ander met veroordeling van de VvE in de kosten van het geding.
Leidschendam-Voorburg, 23 februari 2023.
mr. J. Streefkerk, advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑02‑2023
Inleidend verzoekschrift alinea 16 tweede gedachtestreepje, alsmede beroepschrift alinea 4.23 onderaan pagina 12/bovenaan pagina 13, en aantekeningen mondelinge behandeling d.d. 7 december 2021 (Fresch) alinea 2.
Zie inleidend verzoekschrift alinea 18 alsmede hoger beroepschrift alinea 4.7.
Aangezien het in artikel 1:10 en 15 BW respectievelijk artikel 2:41 lid 5 BW wettelijke begrippen betreft, is sprake van ‘recht’ in de zin van artikel 79 lid 1 sub b RO, zodat het oordeel over de betekenis van deze begrippen kwalificeert als een rechtsopvatting.
Vgl. Van der Voort Maarschalk & Knigge, in Van der Wiel (red.), Cassatie 2019, nr. 2.2 (slot).
In deze zin, enigszins impliciet: T.J. van der Ploeg, ‘Elektronica in de relatie tussen stemgerechtigden en de rechtspersoon; naar een wettelijke regeling’,NTBR 2006/23, alinea 13.
Zie beroepschrift alinea's 4.8–4.9, alsmede aantekeningen mondelinge behandeling 7 december 2021 alinea 6.
De VvE heeft slechts aangevoerd dat Fresch het e-mailadres als ‘contactadres’ zou hebben opgegeven (verweerschrift alinea 23) en dat de communicatie altijd per e-mail verliep (pleitaantekeningen alinea 3) — wat allebei onjuist is — maar dat is nog steeds wat anders dan dat Fresch het adres specifiek met het oog op de oproeping voor de VvE-vergadering zou hebben bekend gemaakt.
Nogmaals: het onderhavige e-mailadres is slechts een enkele maal in één richting is gebruikt, zulks met betrekking tot een heel ander ‘doel’ dan de oproeping voor een VvE vergadering; zie beroepschrift alinea 4.14.
Beroepschrift alinea 4.13.
Beroepschrift alinea 4.14.
Verweerschrift 22 maart 2021, alinea 34.
Nu het hof Amsterdam geen proces-verbaal van de zitting heeft kunnen verstrekken, zoals in alinea 2.4 hierboven is toegelicht, zal bij wijze van ‘hypothetische feitelijke grondslag’ uitgegaan moeten worden van de juistheid van deze weergave. Na verwijzing zal zo nodig bewijs geleverd kunnen worden; vgl. het bewijsaanbod in alinea 5.2 van het beroepschrift.
Verweerschrift VvE d.d. 25 november 2020, alinea 25.
Indertijd had Fresch het voorlopige plan om langs sommige gedeelten van perceel 1493 een lage afscheiding, ter hoogte van een paar decimeter, aan te brengen door middel van zogeheten schanskorven; dit zijn open rasters van gevlochten metaal die gevuld zijn met losliggende natuurstenen. Deze korven zouden niet aaneengesloten komen te liggen, zodat op diverse plekken ruimte voor toe- en uitgangen zou overblijven.
Pleitnota Fresch, alinea 6.
Beroepschrift, alinea 4.24.
Verweerschrift 22 maart 2021, alinea's 38–39.
Productie 9 bij verweerschrift VvE d.d. 19 november 2020.
Aanvullend beroepschrift, alinea 4; zie ook aantekeningen mondelinge behandeling 7 december 2021, alinea 10.
Rechtbank Midden-Nederland 7 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2113, zie in het bijzonder rov. 4.7.
Zie nogmaals het aanvullend beroepschrift alinea 4 en de aantekeningen mondelinge behandeling alinea 8.
Beroepschrift alinea's 4.26 t/m 4.34 alsmede aantekeningen mondelinge behandeling alinea 8.