Rb. Rotterdam, 02-11-2022, nr. C/10/612606 / HA ZA 21-113
ECLI:NL:RBROT:2022:9543
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
02-11-2022
- Zaaknummer
C/10/612606 / HA ZA 21-113
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2022:9543, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 02‑11‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2022:3997, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 20‑04‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 02‑11‑2022
Inhoudsindicatie
vervolg op ECLI:NL:RBROT:2022:3997 / eisvermeerdering na tussenvonnis niet toegelaten / begroting schade / schatting schade / opschorting / ingangsdatum rente
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/612606 / HA ZA 21-113
Vonnis van 2 november 2022
in de zaak van
[eiseres01] ,
gevestigd te [vestigingsplaats01],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A.E. Broesterhuizen te Deventer,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
HOLLAND PROPERTY N.V. ,
gevestigd te Willemstad (Curaçao),
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. R. Sekeris te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres01] en HP genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 20 april 2022 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin vermelde processtukken;
- -
het verzoek van HP om tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis toe te staan, de reactie daarop van [eiseres01] en de afwijzing van het verzoek door de rechtbank;
- -
de akte na tussenvonnis, tevens akte houdende wijziging van eis van [eiseres01], met producties A tot en met S;
- -
de akte houdende uitlating van HP, met producties G42 tot en met G50;
- -
de antwoordakte van [eiseres01];
- -
de akte houdende uitlating van HP, met productie G51.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
het tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat HP aan [eiseres01] moet betalen € 228.404,90 aan openstaande facturen en € 28.017,- aan meerwerk in verband met de wijziging van het palenplan. Daarnaast is geoordeeld dat HP op een aantal punten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, waardoor vertraging in het werk is ontstaan. HP dient de daardoor veroorzaakte schade aan [eiseres01] te vergoeden. Geoordeeld is dat deze schade in ieder geval bestaat uit een niet gerealiseerde bezuiniging van € 21.305,-. [eiseres01] heeft gesteld dat zij door de vertraging nog andere schade heeft geleden, maar zij heeft deze schade voorafgaand aan het tussenvonnis onvoldoende concreet onderbouwd.
2.2.
[eiseres01] is in de gelegenheid gesteld om (de omvang van) de door haar gestelde schade nader te onderbouwen ten aanzien van (i) de extra kosten van de bouwplaats en steiger gedurende de vertraging in fase I van zestien weken, (ii) de extra kosten in verband met de prijsstijgingen over een periode van twintig weken, (iii) de extra kosten van de bouwplaats gedurende de vertraging als gevolg van de latere sloop van de kerk van twee weken en (iv) de extra kosten als gevolg van de vertraging in het verstrekken van gegevens met betrekking tot de belasting van de vloeren in fase II van veertien dagen.
in conventie en in reconventie
het tussenvonnis
2.3.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat [eiseres01] op twee punten is tekortgeschoten en dat HP als gevolg daarvan extra kosten heeft moeten maken. [eiseres01] moet de onderzoekskosten van BDA tot een bedrag van € 8.079,78 betalen. HP is bij het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te specificeren welke extra kosten zij heeft gemaakt naar aanleiding van (wat in het tussenvonnis is omschreven als) de eerste fout in de kalksteenwand.
in conventie
vermeerdering van eis
2.4.
[eiseres01] heeft haar eis na het tussenvonnis gewijzigd. De thans door haar gestelde schade wegens vertragingen en prijsstijgingen bedraagt in totaal € 286.278,26. Dit is substantieel meer dan de eerder op deze punten door [eiseres01] gestelde schade. Dat het in totaal gevorderde schadebedrag gelijk blijft, zoals [eiseres01] stelt, laat onverlet dat sprake is van een eisvermeerdering. Een deel van de door [eiseres01] bij dagvaarding gevorderde schade is in het tussenvonnis immers niet toewijsbaar geoordeeld.
Weliswaar is het thans gevorderde schadebedrag wegens prijsstijgingen iets lager dan bij dagvaarding gevorderd, maar als in aanmerking wordt genomen dat (a) [eiseres01] het aanvankelijk gevorderde bedrag heeft berekend over 28 weken en in het tussenvonnis een periode van 20 weken toewijsbaar is geoordeeld en (b) [eiseres01] thans stelt dat bij nader inzien geen sprake is van schade door prijsstijgingen in fase I, is de conclusie dat ook op dit punt materieel gezien sprake is van een vermeerdering van eis. Er wordt immers over een (veel) kortere periode bijna hetzelfde totaalbedrag gevorderd.
HP maakt gemotiveerd bezwaar tegen deze vermeerdering van eis.
2.5.
De vermeerdering van eis is in strijd met de goede procesorde. Dat [eiseres01] in het tussenvonnis in de gelegenheid is gesteld om haar schade concreter te onderbouwen en zij van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt, betekent niet dat er na het tussenvonnis nog ruimte is om op de betreffende punten (aanzienlijk) meer schade te vorderen dan [eiseres01] voorafgaand aan het tussenvonnis heeft gedaan. Het toelaten van de eiswijziging zou ernstig afbreuk doen aan het mede op begrenzing van het partijdebat in het vervolg van de procedure bij de rechtbank gerichte karakter van het tussenvonnis en het gerechtvaardigde belang van HP om zich na het voeren van verweer tegen de dagvaarding en na het tussenvonnis niet alsnog tegen een fors vermeerderde eis te hoeven verweren. [eiseres01] had voor aanvang van de procedure de beschikking over de gegevens om haar schade concreet te onderbouwen en een hoger bedrag aan schadevergoeding te vorderen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dat komt voor haar rekening en risico. De eisvermeerdering zal daarom niet worden toegestaan. De rechtbank zal dan ook beslissen op de onder 3.1 van het tussenvonnis weergegeven vorderingen van [eiseres01].
2.6.
Het voorgaande betekent dat in conventie, in aanvulling op de onder 2.1 vermelde bedragen, hoogstens toewijsbaar is aan vertragingsschade:(i) € 95.850,- aan extra bouwplaatskosten gedurende achttien weken (achttien maal de voorafgaand aan het tussenvonnis gevorderde € 5.325,- per week. Er is geen grond om dit bedrag of andere gestelde schadebedragen te vermeerderen met 10%, zoals [eiseres01] heeft gedaan, omdat een dergelijke opslag niet correspondeert met feitelijk geleden schade.);
(ii) € 2.311,86 aan extra kosten voor de steiger;(iii) € 40.631,50 aan extra kosten voor de bouwkraan, een kraanmachinist en inefficiëntie;
(iv) een bedrag wegens prijsstijgingen over een periode van 20 weken.
vertragingsschade door de tekortkomingen van HP
2.7.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat HP de door haar tekortkomingen veroorzaakte schade moet vergoeden. Voor de berekening van deze schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie waarin geen vertraging was ontstaan. Indien [eiseres01] door de vertraging extra kosten heeft moeten maken, kunnen deze kosten in beginsel als schade worden aangemerkt. Aan het aannemelijk maken van de schade door [eiseres01] mogen geen al te hoge eisen worden gesteld, omdat HP het [eiseres01] onmogelijk heeft gemaakt om te bewijzen wat er zonder de tekortkomingen van HP was gebeurd.
extra kosten voor de bouwplaats
2.8.
[eiseres01] heeft ter onderbouwing van deze kosten diverse overzichten en facturen overgelegd. De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres01] gedurende de periodes van vertraging de kosten onder het kopje “keten” extra heeft moeten maken, zodat deze kosten als schade toewijsbaar zijn. Indien geen sprake was van vertraging, hoefde [eiseres01] de keten immers niet langer te behouden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor de toiletunit, voor de keetjuffrouw en het verbruik op de bouwplaats. HP heeft deze posten ook niet weersproken. De kosten voor de keten bedragen in totaal over de vertragingsperiode van achttien weken € 5.862,41. De rechtbank acht het om diezelfde reden aannemelijk dat [eiseres01] extra kosten voor de beveiliging en bewaking van de bouwplaats heeft moeten maken. Deze kosten bedragen in totaal € 1.230,22. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze kosten niet daadwerkelijk zijn gemaakt. [eiseres01] heeft immers ook de facturen overgelegd. Dit deel van de gevorderde schade wordt dan ook toegewezen.
2.9.
[eiseres01] heeft op haar overzichten nog diverse andere posten opgenomen. Het is niet duidelijk waarom deze kosten schade als gevolg van de vertraging betreffen. Het lijkt erop dat [eiseres01] alle in de onderhavige periode gemaakte kosten als extra kosten voor de bouwplaats heeft aangemerkt. Dit blijkt onder meer uit het feit dat diverse materialen voor minder dan een maand zijn gehuurd. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de kosten voor de huur van bijvoorbeeld een aanhanger, portofoon of sloophamer voor één of twee dagen als extra kosten voor het handhaven van de bouwplaats moeten worden aangemerkt. Dat lijken geen doorlopende en onontkoombare kosten te zijn. Daarnaast bestaat de schade volgens de overzichten voor een aanzienlijk deel uit personeelskosten. [eiseres01] heeft onvoldoende uitgelegd hoe deze kosten zijn berekend, waarom het personeel gedurende de vertraging (volledig) moest worden doorbetaald en waarom het niet inzetbaar was op een ander project. De overzichten geven hier ook geen uitsluitsel over. Er worden voor het personeel per week wisselende urenaantallen genoemd, wat niet op een vaste betalingsverplichting duidt. Misschien wel op een wisselende inzetbaarheid elders, maar dat heeft [eiseres01] niet uitgelegd. De rechtbank zal bij de begroting van de schade daarom niet aansluiten bij de overzichten van [eiseres01].
2.10.
Het voorgaande neemt niet weg dat aannemelijk is dat [eiseres01] gedurende de periode van achttien weken extra kosten heeft moeten maken voor het huren van materieel en de inzet van personeel. Dat [eiseres01] een projectleider, een werkvoorbereider en een uitvoerder voor het project heeft vrijgemaakt, is op zichzelf aannemelijk. Doorlopende contracten voor de huur van materieel kunnen niet zomaar worden opengebroken en personeel kan niet altijd direct op een kostenefficiënte manier ergens anders worden ingezet. Dat geldt ook indien deze contracten met een aan [eiseres01] gelieerde onderneming zijn gesloten. Omdat [eiseres01] onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft om haar schade concreet te kunnen begroten en aannemelijk is dat zij vertragingsschade heeft geleden, zal de rechtbank de omvang van deze schade op grond van artikel 6:97 BW moeten schatten. De rechtbank ziet aanleiding om het totaal van de aan de vertraging toe te rekenen extra bouwplaatskosten van [eiseres01] voor personeel en materieel, onverminderd de onder 2.8 beoordeelde extra kosten, te begroten op € 5.000,- per week, dat is € 90.000,- over de totale periode van 18 weken.
2.11.
De overige door [eiseres01] opgenomen posten komen niet voor vergoeding aanmerking, omdat het niet duidelijk is waarom deze posten als schade moeten worden aangemerkt. [eiseres01] heeft immers niet uitgelegd waarom zij extra kosten voor transport, laden en lossen en reiskosten (anders dan personeelskosten) heeft moeten maken. De kosten voor de verzekeringen en bankgarantie zullen ook worden afgewezen, omdat in elk geval de kosten van een bankgarantie geen extra bouwplaatskosten zijn. [eiseres01] heeft niet eerder gesteld dat zij deze extra kosten heeft moeten maken en evenmin heeft zij voldoende onderbouwd dat zij daadwerkelijk extra kosten voor verzekeringen heeft gemaakt.
2.12.
HP heeft in haar laatste akte nog in algemene zin aangevoerd dat [eiseres01] zelf achterliep met haar werk en door de vertraging de gelegenheid had om dit in te halen. HP heeft dit standpunt onvoldoende toegelicht. Bovendien is in het tussenvonnis onder 5.13 al geoordeeld dat HP niet gemotiveerd heeft gesteld dat [eiseres01] de vertraging verdergaand had moeten beperken. Dit punt van HP wordt dan ook gepasseerd.
2.13.
De totale schade van [eiseres01] in verband met extra bouwplaatskosten komt gelet op 2.8 en 2.10 uit boven het in 2.6 onder (i) vermelde maximumbedrag, zodat bedoeld maximumbedrag toewijsbaar is.
extra kosten voor de steiger
2.14.
In het door [eiseres01] overgelegde kostenoverzicht worden gedurende acht weken extra kosten voor de steiger gerekend. [eiseres01] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij de steiger vijf weken langer moest laten staan vanwege de vertraagde werkzaamheden aan het dak. In het tussenvonnis is geoordeeld dat het ontbreken van een afschotplan tot drie weken vertraging heeft geleid. De rechtbank acht aannemelijk dat de steiger vanwege het aan HP toerekenbare ontbreken van een afschotplan drie weken langer moest blijven staan en dat hiermee kosten waren gemoeid. Gelet hierop is 3/5 deel van de bij dagvaarding onderbouwd gevorderde € 2.311,86 toewijsbaar, dat is € 1.387,12.
extra kosten aan de bouwkraan, kraanmachinist en inefficiëntie
2.15.
De gevorderde kosten voor de bouwkraan en kraanmachinist zullen worden afgewezen, omdat [eiseres01] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze schade is veroorzaakt door de te late verstrekking van gegevens in fase II. [eiseres01] heeft in de dagvaarding niet uitgelegd wat het verband is tussen deze tekortkoming en de gestelde schade. Zij is daarom in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld deze schade te onderbouwen, waarbij expliciet is opgenomen dat [eiseres01] in ieder geval dient uit te leggen waarom zij elke dag kosten heeft moeten maken voor de machinist. Deze toelichting is niet gegeven. [eiseres01] verwijst alleen naar het algemene overzicht van kosten op de bouwplaats, maar daaruit blijkt niet dat zij deze schade door de vertraging heeft geleden.
2.16.
De gevorderde inefficiëntie-schade zal eveneens worden afgewezen. [eiseres01] stelt alleen dat de werkvoorbereider, uitvoerder en projectleider zich niet volledig konden richten op de voortgang van het werk, niet verder konden met het werk en werden geconfronteerd met een wisseling van werkzaamheden. Deze zeer algemene informatie maakt niet aannemelijk dat de te late verstrekking van gegevens schade heeft veroorzaakt wegens inefficiëntie, terwijl [eiseres01] in het tussenvonnis expliciet is gevraagd uit te leggen waar de gestelde inefficiëntie uit bestaat.
prijsstijgingen
2.17.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres01] door de vertraging te maken heeft gehad met prijsstijgingen en dus extra kosten heeft moeten maken. Bij de begroting van de schade wordt echter niet aangesloten bij de berekeningen van [eiseres01]. [eiseres01] heeft de prijsstijgingen in eerste instantie berekend aan de hand van BDB-indexcijfers over de gehele aanneemsom, uitgaande van een vertraging van 28 weken. Zij heeft haar herziene berekening naar aanleiding van het tussenvonnis echter gebaseerd op de standaardregeling Risicoregeling Woning- en Utiliteitsbouw 1991 over de factuurbedragen van fase II (en niet langer ook van fase I), uitgaande van een vertraging van 20 weken. De laatste berekening gaat dus uit van een (veel) kortere periode, maar de uitkomst is vrijwel gelijk. Het is onduidelijk hoe dit komt en [eiseres01] heeft niet uitgelegd waarom zij na het tussenvonnis is overgestapt op een andere rekenmethode. Zij heeft ook niet aan de hand van concrete gegevens laten zien in hoeverre sprake was van prijsstijgingen wat betreft de daadwerkelijk later gekochte materialen voor het project. Omdat [eiseres01] onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft om haar schade op dit punt concreet te kunnen begroten en aannemelijk is dat zij vertragingsschade heeft geleden in de vorm van prijsstijgingen, zal de rechtbank de omvang van deze schade op grond van artikel 6:97 BW moeten schatten. De rechtbank ziet aanleiding om het totaal van deze kosten te begroten op 90% van 20/28 deel (omdat moet worden gerekend met 20 in plaats van 28 weken) van het bij dagvaarding gevorderde bedrag van € 85.950,87, wat neerkomt op € 55.254,13.
in conventie en in reconventie
nieuwe stellingen van HP
2.18.
HP heeft in haar laatste akte aangevoerd dat er geen grond voor schadevergoeding bestaat, omdat er geen sprake is van verzuim. HP heeft de aanwezigheid van het verzuim wat betreft de nakoming van haar verbintenissen niet eerder betwist, zodat daar in het tussenvonnis niet op is ingegaan. De rechtbank hoeft immers niet ambtshalve na te gaan of sprake is van verzuim. In dit geval was het voor HP bovendien blijvend onmogelijk om haar verbintenissen nog tijdig na te komen. De betreffende stelling van HP kan haar dus niet baten.
2.19.
HP voert voorts als verweren dat [eiseres01] haar niet tijdig heeft gewaarschuwd voor de vertraging en de daaruit voortvloeiende schade en dat [eiseres01] niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Van HP mocht worden verwacht deze verweren niet pas na het tussenvonnis te voeren, HP heeft op deze punten bovendien slechts algemene stellingen ingenomen zonder die concreet te onderbouwen. Deze verweren slagen dus niet.
expertisekosten IMd
2.20.
HP is in de gelegenheid gesteld om te specificeren welke extra kosten zij heeft gemaakt naar aanleiding van (wat in het tussenvonnis is omschreven als) de eerste fout in de kalksteenwand, omdat in het tussenvonnis een onderscheid is gemaakt tussen de direct na de fout van [eiseres01] gemaakte kosten en de verdere kosten in dit verband. Laatstgenoemde kosten komen volgens het tussenvonnis niet voor vergoeding in aanmerking, omdat HP nauw betrokken was bij het herstelplan.
De rechtbank ziet in de nadere toelichting van HP aanleiding om op dit punt terug te komen van het tussenvonnis, omdat haar eindvonnis anders op een onhoudbare feitelijke en juridische grondslag zou berusten. HP heeft nogmaals uitgelegd dat zij met [eiseres01] heeft meegedacht om kosten en tijd te besparen, maar dat dit niet wegneemt dat de verantwoordelijkheid voor (het herstel van) de fout van [eiseres01] en de daarmee gemoeide kosten bij [eiseres01] ligt. Deze toelichting is overtuigend en de rechtbank is daarom bij nader inzien van oordeel dat alle door HP in dit kader gemaakte kosten, in totaal € 6.008,40, voor vergoeding door [eiseres01] in aanmerking komen. [eiseres01] heeft niet voldoende onderbouwd gereageerd op het gemotiveerde betoog van HP dat de rechtbank op dit punt van haar beslissing in het tussenvonnis moet terugkomen.
conclusie
2.21.
HP dient aan [eiseres01] te betalen € 228.404,90 aan openstaande en vervallen facturen, € 28.017,- aan meerwerk, € 21.305,- aan schade vanwege de niet gerealiseerde bezuiniging, € 95.580,- aan extra bouwplaatskosten, € 1.387,12 aan extra steigerkosten en € 55.254,13 in verband met prijsstijgingen, in totaal € 429.948,15.
[eiseres01] dient aan HP te betalen € 14.088,18 aan expertisekosten.
2.22.
HP heeft haar betalingsverplichting ten aanzien van de facturen opgeschort. Gelet op het door [eiseres01] te betalen bedrag was slechts een opschorting van € 14.088,18 gerechtvaardigd. De rechtbank stelt vast dat HP dit beroep op opschorting na dit eindvonnis niet kan handhaven, omdat zij een vordering in reconventie heeft ingesteld. De rechtbank zal daarom in conventie in totaal € 429.948,15 aan hoofdsom toewijzen.
in conventie
rente en buitengerechtelijke incassokosten
2.23.
[eiseres01] stelt dat HP over de facturen de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de dag na die waarop betaling uiterlijk had moeten plaatsvinden, met de contractuele verhoging van twee procentpunten vanaf veertien dagen nadat [eiseres01] deze verhoging heeft aangezegd. HP voert daartegen aan dat in de aannemingsovereenkomst een betalingstermijn van 21 dagen na goedkeuring van de bouwdirectie is overeengekomen en dat niet is gesteld dat die toestemming voor (alle) facturen is gegeven. HP heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de betalingstermijnen van de facturen zijn verstreken. Het had op haar weg gelegen om concreet aan te voeren bij welke facturen deze termijn niet in acht zou zijn genomen. HP heeft voorts niet gesteld wanneer haar beroep op opschorting is ingegaan. Daar komt nog bij dat het bedrag ten aanzien waarvan HP zich op opschorting kon beroepen zeer gering is in verhouding tot het bedrag dat zij aan [eiseres01] is verschuldigd, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om te concluderen dat [eiseres01] vanwege het beroep op opschorting van HP geen aanspraak kan maken op betaling van rente. De rente zal daarom worden toegewezen zoals door [eiseres01] gevorderd.
2.24.
De gevorderde wettelijke handelsrente over het meerwerk zal eveneens worden toegewezen, omdat [eiseres01] heeft gesteld dat aan de vereisten is voldaan en HP daar geen verweer tegen heeft gevoerd. Over de toe te wijzen schadevergoeding is HP de wettelijke rente verschuldigd, te vermeerderen met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021.
2.25.
[eiseres01] maakt voorts aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten, omdat voldaan is aan de daaraan gestelde eisen. Deze kosten worden toegewezen tot een bedrag van € 3.854,30. Hierbij is uitgegaan van een toewijsbare hoofdsom van € 429.948,15, verminderd met het bedrag van € 14.088,18 ten aanzien waarvan HP zich op opschorting kon beroepen.
in reconventie
2.26.
Zoals reeds overwogen dient [eiseres01] € 14.088,18 aan HP te betalen. Dit bedrag zal worden toegewezen. De daarover gevorderde rente zal eveneens worden toegewezen, omdat HP heeft gesteld dat aan de vereisten van toewijzing daarvan is voldaan en [eiseres01] daartegen geen verweer heeft gevoerd.
2.27.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door [eiseres01] gelegde beslagen op te heffen. HP dient immers nog een fors bedrag aan [eiseres01] te betalen, zodat [eiseres01] een gerechtvaardigd belang bij het behoud van het beslag heeft. Het belang van HP weegt daar niet tegen op. Dit onderdeel van de vordering van HP wordt dan ook afgewezen.
in conventie en in reconventie
2.28.
HP wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De rechtbank stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] in conventie tot vandaag vast op € 90,62 aan dagvaardingskosten, € 4.200,- aan griffierecht en € 8.035,- aan salaris voor de advocaat (2,5 punten × tarief € 3.214,-), in totaal € 12.325,62. De proceskosten in reconventie aan de kant van [eiseres01] worden tot heden vastgesteld op € 2.212,50 aan salaris advocaat (2,5 punten × tarief € 1.770,- × factor 0,5). Het totaalbedrag aan proceskosten aan de zijde van [eiseres01] is € 14.538,12.
2.29.
Uit het arrest van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over de mede gevorderde nakosten.
2.30.
Dit vonnis wordt wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt HP om aan [eiseres01] te betalen € 228.404,90 (btw verlegd) aan openstaande en vervallen facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van deze facturen tot de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt HP om aan [eiseres01] te betalen € 28.017,- (btw verlegd) aan meerwerk, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt HP om aan [eiseres01] te betalen € 173.526,25 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf 4 december 2020 tot de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt HP om aan [eiseres01] te betalen € 3.854,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;
in reconventie
3.5.
veroordeelt [eiseres01] om aan HP te betalen € 14.088,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
in conventie en in reconventie
3.6.
veroordeelt HP in de proceskosten, aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vastgesteld op € 14.538,12, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
3.7.
verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M. Zuiderveld, griffier. Het is op 2 november 2022 uitgesproken in het openbaar.
3555/3194
Uitspraak 20‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van aanneming van werk. Is opdracht gegeven voor meerwerk? Zijn partijen tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst? Gelegenheid tot het onderbouwen van de schade.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/612606 / HA ZA 21-113
Vonnis van 20 april 2022
in de zaak van
AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ HEGEMAN B.V.,
gevestigd te Nijverdal,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A.E. Broesterhuizen te Deventer,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
HOLLAND PROPERTY N.V.,
gevestigd te Willemstad (Curaçao),
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Hegeman en HP genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 19 januari 2021, met 66 producties;
- -
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met 41 producties;
- -
de akte wijziging van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties A tot en met D en 67 tot en met 117;
- -
de pleitnotities van partijen voor de mondelinge behandeling op 4 februari 2022, van welke behandeling geen proces-verbaal is opgemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
HP is een beleggingsmaatschappij die onderdeel uitmaakt van de Van Herk Groep, waarin de exploitatie van vastgoed plaatsvindt. Hegeman is een aannemersbedrijf.
2.2.
HP is (grotendeels) eigenaar van het project Eglantier in Apeldoorn. Het project bestaat uit twee opeenvolgende fasen: (i) de verbouw, (deels) sloop en nieuwbouw van het kerkgebouw De Drie Ranken en (ii) de ver- en nieuwbouw van commerciële ruimten en dertig woningen.
2.3.
HP heeft aan Hegeman opdracht gegeven tot het realiseren van dit project. Hiertoe hebben partijen op 1 maart 2018 een aannemingsovereenkomst ondertekend.
2.4.
Hegeman is op 28 mei 2018 met het werk begonnen. De oplevering was beoogd voor eind maart 2019. Hegeman heeft fase I van het werk op 18 juli 2019 en fase II van het werk op 10 december 2020 opgeleverd.
3. Het geschil in conventie
3.1.
Hegeman vordert na wijziging van eis om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, HP te veroordelen aan Hegeman te betalen:
I. € 228.404,90 (btw verlegd) aan openstaande en vervallen facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de verschuldigde facturen tot aan de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 (datum dagvaarding) tot aan de dag van volledige betaling;
II. € 30.118,40 (btw verlegd) aan uitgevoerde bestekwijzigingen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;
III. € 306.947,24 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf 4 december 2020 tot aan de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;
IV. € 5.365,- aan buitengerechtelijke kosten;
V. de proceskosten en de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na het vonnis aan Hegeman dienen te zijn voldaan, bij gebreke waarvan HP over die kosten de wettelijke rente verschuldigd is.
3.2.
Aan vordering I en II legt Hegeman ten grondslag nakoming van de betalingsverbintenissen van HP uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en het door HP opgedragen meerwerk. Aan vordering III legt Hegeman ten grondslag de verbintenis van HP tot vergoeding van de schade van Hegeman door aan HP te wijten vertraging.
3.3.
HP doet ten aanzien van de nog te betalen facturen een beroep op opschorting. Zij betwist dat opdracht is gegeven voor meerwerk en dat dit meerwerk extra kosten met zich heeft gebracht. De vertraging in het project is volgens HP niet aan haar te wijten en zij is daarvoor dan ook niet aansprakelijk. HP betwist tot slot de hoogte van de gestelde schade.
HP concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Hegeman in haar vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van Hegeman, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten (met rente vanaf veertien dagen na het vonnis).
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt voor zover nodig in rubriek 5 verder ingegaan.
4. Het geschil in reconventie
4.1.
HP vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Hegeman te veroordelen tot betaling van € 191.073,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2020;
II. alle door Hegeman gelegde beslagen op te heffen;
III. Hegeman te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.
4.2.
HP legt aan haar vorderingen ten grondslag de verbintenis van Hegeman tot vergoeding van de schade die HP heeft geleden doordat Hegeman fouten heeft gemaakt in de uitvoering en vertraging in de oplevering heeft veroorzaakt.
4.3.
Hegeman betwist dat zij is tekortgeschoten en betwist op diverse punten de hoogte van de gestelde schade. De gestelde vertraging is aan HP zelf te wijten.
Hegeman concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van HP in haar vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van HP, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten (met bepaling dat deze kosten binnen twee weken moeten zijn voldaan en dat anders rente is verschuldigd).
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt zover nodig in rubriek 5 verder ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
5.1.
HP heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van Hegeman en de rechtbank ziet geen reden om deze wijziging in strijd te achten met de goede procesorde. De rechtbank doet dan ook recht op de gewijzigde, in 3.1 weergegeven eis.
Vordering I: Openstaande facturen van Hegeman
5.2.
Niet in geschil is dat HP een bedrag van € 228.404,90 aan facturen van Hegeman onbetaald heeft gelaten. Dit bedrag dient dus in beginsel alsnog te worden betaald.
Vordering II Meerwerk van Hegeman
5.3.
Partijen zijn een vaste prijs voor het project overeengekomen. HP is in beginsel dus alleen extra kosten aan Hegeman verschuldigd voor veranderingen in het overeengekomen werk waarvoor HP verantwoordelijk is en die tot meerkosten hebben geleid.
Wijziging palenplan
5.4.
Tussen partijen staat vast dat HP verantwoordelijk was voor het opstellen van het palenplan en dat het door haar opgestelde palenplan is gewijzigd. Partijen zijn het niet eens over de reden van deze aanpassing. Indien het plan is gewijzigd omdat het onuitvoerbaar was, zoals Hegeman stelt, dient HP de daarmee gepaard gaande extra kosten te betalen. Hegeman mocht er namelijk op vertrouwen dat HP een werkbaar plan zou opleveren. De waarschuwingsplicht van Hegeman gaat niet zo ver dat van haar mocht worden verwacht dat zij het palenplan op voorhand volledig zou doorrekenen. In de overeenkomst is weliswaar bepaald dat de kosten voor een door Hegeman gevraagd alternatief palenplan voor haar rekening komen, maar HP heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen daarmee ook het oog hebben gehad op de situatie die zich hier heeft voorgedaan.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft HP onvoldoende gemotiveerd betwist dat het palenplan is gewijzigd omdat dit niet op een verantwoorde manier uitvoerbaar was. Hegeman heeft gesteld dat een deel van de heipalen volgens het oorspronkelijke palenplan ter plaatse van het bestaande nutstracé of zeer dicht bij de belendingen van fase I moest worden geplaatst. De grondslag van de belendingen was niet geschikt om de geplande DPA-palen in te brengen. HP heeft niet uitgelegd waarom het plan toch kon worden uitgevoerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet op een verantwoorde manier mogelijk was. Gelet op deze onuitvoerbaarheid moest een nieuw palenplan worden opgesteld.
5.6.
De kosten van de wijziging van het palenplan en de met deze wijziging verband houdende meerkosten in de uitvoering komen gelet op het voorgaande voor rekening van HP, ook als zij daartoe niet expliciet en op eigen initiatief opdracht zou hebben gegeven. HP heeft niet weersproken dat in het nieuwe palenplan drie paaltypen zijn voorzien en dat daarom drie verschillende heistellingen noodzakelijk waren. Hegeman heeft deze kosten voldoende gespecificeerd in haar factuur. Hegeman is daarbij terecht uitgegaan van de prijzen in 2019. Partijen hebben immers pas in 2019 overeenstemming bereikt over de wijziging van het plan. HP moet het gevorderde bedrag van € 28.017,- dan ook betalen.
Bouwrijp maken van het terrein
5.7.
De gevorderde kosten voor het bouwrijp maken van de grond zullen worden afgewezen. Hegeman heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat HP daartoe opdracht heeft gegeven. De opdracht zou volgens Hegeman – in afwijking van de afspraak – mondeling zijn verstrekt, maar zij heeft niet geconcretiseerd hoe dat is gegaan. Daarnaast had de gemeente het terrein volgens HP al bouwrijp gemaakt. Hegeman heeft niet uitgelegd waarom het terrein niet goed was en wat voor extra werk zij heeft moeten verrichten. Dit blijkt ook niet uit een factuur of een specificatie.
Vordering III Schade door vertraging oplevering van fase I
Ontbreken van het afschotplan
5.8.
Volgens Hegeman is vertraging ontstaan doordat HP te laat een bruikbaar afschotplan heeft verstrekt. Niet in geschil is dat HP verantwoordelijk was voor het maken van dit plan. HP heeft bij de aanbestedingsstukken een afschotplan aangeleverd. HP heeft niet weersproken dat dit plan moest worden gewijzigd. Hegeman heeft dit naar het oordeel van de rechtbank tijdens de bouwvergaderingen in mei en juni 2018 voldoende kenbaar gemaakt. Volgens de verslagen van deze vergaderingen is toen gesproken over het dakafschot en zijn vragen opgeworpen over het afschot bij de Oversteek, met daarbij de opmerking dat [naam] hiermee aan de slag moet. Het had op basis hiervan voor HP redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het door haar aangeleverde afschotplan niet voldeed en moest worden gewijzigd. Dat geldt ook indien Hegeman pas op 19 oktober 2018 expliciet per e-mail om aanvullende informatie over het afschotplan heeft verzocht. HP heeft op 24 oktober 2018 een nieuw afschotplan verstrekt.
5.9.
HP is door de late verstrekking tekortgeschoten en dient de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. In het verslag van de bouwvergadering van 24 oktober 2018 staat dat de aannemer op dat moment drie weken achterloopt omdat hij is vastgelopen op het uitwerken van het dak met het dakafschot. Deze vertraging is dus het gevolg van de tekortkoming van HP. Hegeman heeft daar nog een week vertraging bij opgeteld omdat nog moest worden gewacht op de rest van het afschotplan. Zij wordt daarin echter niet gevolgd. Het gewijzigde afschotplan was mogelijk nog niet compleet, maar uit de verslagen van de bouwvergaderingen blijkt niet dat dit verdere vertraging heeft veroorzaakt. Daarin staat juist dat de start van de dakbedekkingswerkzaamheden onzeker is omdat de onderaannemer niet tijdig aan materialen kan komen. Daarom wordt uitgegaan van een vertraging van drie weken.
Nutsaansluiting
5.10.
Tussen partijen staat vast dat de realisatie van de nutsvoorzieningen moest plaatsvinden in week 11 van 2019. Deze werkzaamheden zouden worden uitgevoerd door (een aannemer van) Liander. HP was verantwoordelijk voor de planning daarvan. De werkzaamheden van Liander zijn echter pas in week 27 afgerond. HP is op dit punt dus tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
5.11.
HP voert als verweer dat de vertraging is te wijten aan Hegeman, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. Partijen zijn het erover eens dat de vertraging in de eerste plaats is veroorzaakt door het afkeuren van de ruimtes tijdens de voorschouw in week 12. HP heeft onvoldoende onderbouwd dat deze afkeuring haar niet kan worden toegerekend. In het verslag van de bouwvergadering van 18 maart 2019 staat dat Hegeman de steiger eind week 12 zou weghalen. Dat kan ook betekenen dat zij de steiger vrijdag aan het einde van de werkdag zou weghalen. HP mocht er dus niet zonder meer van uitgaan dat zij de voorschouw al eerder in die week kon laten plaatsvinden. HP heeft ter zitting aangevoerd dat is afgesproken dat de ruimte in week 12 op vrijdag vrij zou zijn, maar dat blijkt nergens uit en HP heeft ook niet nader geconcretiseerd waaruit zou volgen dat die afspraak is gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om HP op dit punt tot bewijslevering toe te laten, ook omdat de steiger niet het enige probleem bij de voorschouw was. Hegeman heeft onweersproken aangevoerd dat een te kleine mantelbuis was ingebracht, wat eveneens tot de verantwoordelijkheid van HP behoorde. Ook indien de steiger was weggehaald, zouden de ruimtes dus zijn afgekeurd, althans HP heeft het tegendeel onvoldoende onderbouwd.
5.12.
Partijen zijn het erover eens dat de verdere vertraging is veroorzaakt door capaciteitsproblemen bij Liander. Deze vertraging moet eveneens aan HP worden toegerekend. Zij was immers verantwoordelijk voor de planning van de realisatie van de nutsvoorzieningen, zodat planningskrapte bij de betreffende uitvoerders voor haar risico komt. HP is dan ook aansprakelijk voor de vertraging van zestien weken.
In een laat stadium door HP opgedragen bestekwijzigingen
5.13.
Hegeman stelt dat de in een laat stadium door HP opgedragen bestekwijzigingen een vertragende omstandigheid waren. Hegeman verbindt daar echter geen rechtsgevolgen aan en merkt slechts op dat het haar om die reden niet is gelukt om de vertraging verdergaand te beperken. Nu HP niet gemotiveerd heeft gesteld dat Hegeman de vertraging verdergaand had kunnen en moeten beperken, is dit punt voor de beoordeling niet relevant en zal het verder buiten beschouwing worden gelaten.
Schade
5.14.
Hegeman heeft door bovengenoemde tekortkomingen van HP een vertraging van zestien weken opgelopen. Hegeman heeft de vertraging van (drie plus zestien is) negentien weken naar eigen zeggen namelijk met drie weken kunnen beperken. HP dient de door de vertraging veroorzaakte schade te vergoeden. Bij de begroting van de schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie waarin geen vertraging was opgetreden. Hegeman stelt dat zij extra kosten heeft moeten maken voor de bouwplaats en de steiger. Zij heeft deze kosten echter vooralsnog niet voldoende onderbouwd. Zij heeft alleen verwezen naar de tussen partijen overeengekomen bezuiniging, maar die is niet zonder meer gelijk te stellen aan de daadwerkelijke extra kosten van Hegeman. Niet valt in te zien waarom de schade niet concreet (althans concreter) is te begroten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de omvang van de schade te schatten. Hegeman zal in de gelegenheid worden gesteld haar schade concreet te onderbouwen.
Kwaliteitsdiscussies
Dakbeschot
5.15.
De gevorderde kosten in verband met het ontbreken van een afschotplan zullen worden afgewezen. Hegeman zou door de late aanlevering een vertraging op het kritieke pad van uitvoering hebben opgelopen en kosten hebben moeten maken voor het opstellen van het voorstel voor het afschotplan. Hegeman heeft echter niet onderbouwd dat zij op dit punt kosten heeft moeten maken. Zij heeft niet uitgelegd wat voor werk zij heeft moeten uitvoeren en hoe lang zij daarmee bezig is geweest. Zij heeft ook geen factuur of specificatie overgelegd waaruit een en ander blijkt.
5.16.
De gevorderde kosten van de keuring van het dakbeschot zullen eveneens worden afgewezen. Nog los van het feit dat niet duidelijk is op grond waarvan HP deze kosten zou moeten betalen, volgt uit de keuring dat Hegeman onvoldoende maatregelen heeft getroffen om het dakbeschot te beschermen. Uit de keuring blijkt immers dat sprake is van vochtdoorslag en dat een anti-schimmelbehandeling moest plaatsvinden. Het enkele feit dat het dak niet onherstelbaar is beschadigd, doet aan deze schade niet af. Van Hegeman had als professionele aannemer mogen worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen om dergelijke beschadiging te voorkomen. Dat heeft zij niet gedaan. Er is dus terecht bezwaar gemaakt tegen de reguliere voortzetting van het werk en de keuring was nodig om de discussie hierover te beslechten. Niet valt in te zien waarom HP de kosten voor de keuring zou moeten betalen terwijl deze keuring heeft uitgewezen dat Hegeman onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van (vocht)schade aan het dak.
Plafond kerkzaal
5.17.
Dit deel van de vordering zal ook worden afgewezen. TBA heeft op verzoek van Hegeman een onderzoek uitgevoerd naar de afwerking van het plafond. Partijen hebben het rapport van TBA niet in het geding gebracht, maar uit de overgelegde e-mails blijkt dat is geconstateerd dat de afwerking van plafond niet (overal) voldoet aan de vlakheidseis. Hegeman heeft niet uitgelegd waarom het plafond toch zou voldoen aan het bestek. De rechtbank gaat er daarom van uit dat Hegeman op dit punt is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Dat HP uiteindelijk heeft besloten het plafond niet te laten herstellen, maakt niet dat de gemaakte onderzoekskosten voor haar rekening moeten komen. Deze kosten zijn immers gemaakt naar aanleiding van de tekortkoming van Hegeman en om de mogelijkheden tot herstel te onderzoeken. Hegeman heeft nog gewezen op de per e-mail gemaakte afspraak om op basis van ongelijk voor het onderzoek van TBA te betalen. Deze afspraak is, gelet op het oordeel van TBA, geen reden om de kosten bij HP in rekening te brengen.
Meerwerk brandscheiding
5.18.
De gevorderde kosten voor het meerwerk aan de brandscheiding zullen worden afgewezen. HP diende de uitwerking van de brandscheiding aan Hegeman te verstrekken. Hegeman stelt dat zij de uitwerking heeft gemaakt en daarbij op een ontwerpfout van HP is gestuit, wat door HP is betwist. Hegeman heeft niet onderbouwd dat zij dit werk heeft uitgevoerd. Er is geen door Hegeman gemaakte uitwerking in het geding gebracht, terwijl dit wel mogelijk moet worden geacht. Enige onderbouwing had wel van Hegeman verwacht mogen worden.
Niet gerealiseerde bezuiniging
5.19.
Partijen zijn overeengekomen dat een bezuiniging kon worden gerealiseerd indien Hegeman ten behoeve van een vervroegde start van fase II vier weken voor de oplevering van fase I zou kunnen beginnen met de sloop van (een deel van) het oude kerkgebouw. Die termijn is niet gehaald. HP heeft aangevoerd dat de eerdere oplevering niet kon plaatsvinden door de tekortkomingen van Hegeman, zodat de voorwaarde als vervuld moet gelden (artikel 6:23 BW). De rechtbank gaat daar niet in mee. Zoals reeds overwogen is de vertraging in fase I te wijten aan HP. Zij heeft niet onderbouwd dat de eerdere oplevering door fouten of kwalitatief slecht werk van Hegeman niet kon worden gehaald. Het is dus niet zo dat Hegeman de vervulling van de voorwaarde heeft belet. HP dient het overeengekomen bedrag dat Hegeman door de vertraging is misgelopen, € 21.305,-, dan ook te betalen. De daarover gevorderde opslag van tien procent zal worden afgewezen. Niet gesteld is immers dat partijen deze opslag zijn overeengekomen. Het enkele feit dat Hegeman de opslag anders naar eigen zeggen in rekening zou hebben gebracht, betekent nog niet dat daarvoor een grondslag bestaat.
Gevolgen latere start fase II
Extra bouwplaatskosten
5.20.
De gevorderde extra kosten voor de bouwplaats zullen worden afgewezen. De rechtbank begrijpt dat deze apart gevorderde kosten zien op de vertraagde terbeschikkingstelling van het werkterrein ten behoeve van fase II. Het is onduidelijk welke kosten Hegeman in dit verband specifiek heeft gemaakt, anders dan de in 5.19 bedoelde kosten. Zij heeft haar stelling op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd.
Doorberekening prijsstijgingen
5.21.
Hegeman stelt dat zij door de vertraging meer kosten heeft moeten maken vanwege prijsstijgingen. Indien deze kosten het gevolg zijn van de tekortkomingen van HP komen deze voor vergoeding in aanmerking. De stelling van HP dat een vaste prijs is afgesproken leidt niet tot een andere conclusie, omdat Hegeman in beginsel recht heeft op vergoeding van de schade die het gevolg is van tekortkomingen van HP in de nakoming van haar verbintenissen.
5.22.
Hegeman is in haar berekening uitgegaan van een vertraging van week 8 tot en met week 36. Zoals reeds overwogen, moet echter worden uitgegaan van een vertraging van zestien weken (zie 5.14) plus de niet vervroegde terbeschikkingstelling van vier weken aan het einde van fase I (zie 5.19), in totaal twintig weken. Deze vertraging is het gevolg van tekortkomingen van HP. Over deze periode van twintig weken moet worden berekend in hoeverre sprake was van prijsstijgingen. Eventuele prijsstijgingen zijn niet relevant voor de gehele aanneemsom. Een deel van de kosten was immers al gemaakt voordat de vertraging optrad. Hegeman zal in de gelegenheid worden gesteld nader te onderbouwen welke concrete schade zij over de betreffende periode heeft geleden door prijsstijgingen.
Vertraging als gevolg latere sloop kerk
5.23.
Hegeman kon na de oplevering van fase I niet beginnen met de geplande sloopwerkzaamheden. HP had de werkzaamheden goedgekeurd voor oplevering, maar de kerk weigerde vanwege gebreken aan de vloer mee te werken aan de oplevering en weigerde het te slopen deel van de kerk te ontruimen.
5.24.
HP heeft niet uitgelegd waarom deze vertraging niet aan haar kan worden toegerekend. Indien HP nog een discussie met de kerk had, komt dat in beginsel voor haar rekening. Dat is slechts anders indien het discussiepunt te wijten is aan Hegeman. HP heeft niet gesteld dat de sloop onmogelijk was vanwege de nog bestaande gebreken aan de vloer. Hegeman heeft daardoor twee weken vertraging opgelopen en heeft gedurende deze twee weken extra kosten voor de bouwplaats moeten maken. HP moet deze kosten vergoeden. Hegeman zal ook hier in de gelegenheid worden gesteld om nader te onderbouwen hoe hoog de daadwerkelijk gemaakte extra kosten zijn.
Vertraging gegevens met betrekking tot de belasting van de vloeren in fase II
5.25.
HP is tekortgeschoten in haar verplichting om gegevens met betrekking tot de belasting van de vloeren te verschaffen aan Hegeman. HP heeft op dit punt aangevoerd dat Hegeman deze berekeningen zelf moest uitvoeren. Dat heeft Hegeman ook niet ontkend. Het gaat haar om de informatie op basis waarvan de berekeningen konden worden gemaakt. De informatie over de belasting van de vloeren moet volgens Hegeman door de opdrachtgever worden verschaft. Die weet immers hoe de vloeren gebruikt zullen worden. HP heeft dit niet gemotiveerd weersproken en heeft ook niet uitgelegd hoe Hegeman anders aan deze gegevens moest komen. Aangezien deze informatie pas op 1 november 2019 is ontvangen, is een vertraging van veertien dagen opgelopen. HP dient de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.
5.26.
Hegeman heeft alleen in algemene zin gesteld waar haar schade uit bestaat. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld de schade nader te onderbouwen. Hegeman dient daarbij in ieder geval uit te leggen waarom zij elke dag kosten heeft moeten maken voor de kraanmachinist en waar de gestelde inefficiëntie uit bestaat.
in conventie en in reconventie
Opschorting
5.27.
HP stelt dat zij haar betalingsverbintenissen rechtsgeldig heeft opgeschort. Hegeman is volgens HP op diverse punten tekortgeschoten, in verzuim en gehouden de door haar veroorzaakte schade te vergoeden.
Voorafgaand aan de bespreking van de door HP gestelde (schade)posten, die zowel in conventie als in reconventie relevant zijn, wordt het volgende opgemerkt. Hegeman heeft aangevoerd dat aansprakelijk is voor gebreken die HP tijdens de oplevering heeft gezien of had behoren te zien. Het gaat in dit geval echter over door HP gestelde gebreken waarover partijen voor oplevering al discussie hebben gehad en kosten hebben gemaakt. Dit verweer van Hegeman gaat dus niet op.
Het beroep op opschorting zal bij het eventuele eindvonnis grotendeels worden afgewezen en dat geldt ook voor de vorderingen in reconventie. Daarbij is het volgende van belang.
Expertisekosten BDA
5.28.
HP heeft kosten moeten maken om vast te stellen of Hegeman het werk goed heeft uitgevoerd. Tijdens het bezoek van WMB op 10 december 2018 zijn vragen opgeworpen over de kwaliteit van de dakbedekking. In het verslag van de bouwvergadering van 19 december 2018 staat dat BDA een onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren naar de kwaliteit van de dakbedekking. Het is dus niet zo dat de discussie uitsluitend zag op de vraag of het werk conform het bestek is uitgevoerd, maar het onderzoek is (mede) uitgevoerd om de kwaliteit van het geleverde werk te beoordelen. Van Hegeman mag worden verwacht dat de door haar geleverde kwaliteit voldoende is, ook indien sprake is van een goedgekeurde wijziging van het bestek. BDA heeft vastgesteld dat sprake was van gebreken in de dakbedekking. Aangezien Hegeman niet tot herstel overging, was HP genoodzaakt haar gelijk via BDA aan te tonen.
5.29.
Hegeman dient daarom de met het onderzoek gepaard gaande kosten te betalen en in zoverre kan HP een beroep doen op opschorting. Hegeman dient naar het oordeel van de rechtbank de eerste vier facturen van in totaal € 8.079,78 te voldoen. HP heeft uitgelegd waar deze facturen betrekking op hebben en Hegeman heeft niet weersproken dat BDA die werkzaamheden heeft uitgevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat HP deze kosten niet aan BDA heeft betaald.
5.30.
De andere drie facturen (2019-00030 2019-00059 en 2020-00006) is Hegeman niet verschuldigd en in zoverre slaagt ook het beroep op opschorting niet. Deze facturen zien op het uitvoeren van controles en de opleveringsinpectie. Dit zijn geen werkzaamheden ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade. Bovendien valt niet in te zien waarom HP redelijkerwijs genoodzaakt was om deze controlerende taken over te dragen aan BDA. Zij heeft er alleen op gewezen dat de kerk geen vertrouwen meer had in de uitvoering. Indien de kerk van mening is dat HP niet in staat is haar controlerende taken goed uit te voeren, levert dat nog geen grond op om deze kosten door te berekenen aan Hegeman.
Expertisekosten COT
5.31.
Wat betreft de kosten voor het onderzoek naar de wanden van het kerkgebouw faalt het beroep op opschorting. Hegeman heeft onweersproken aangevoerd dat de muurafwerking bij de oplevering van fase I op 18 juli 2019 als discussiepunt is benoemd en dat zij dit aan haar onderaannemer zou voorleggen. HP heeft direct daarna echter zelf COT ingeschakeld om onderzoek te doen naar de wandafwerking. HP heeft niet uitgelegd waarom zij de reactie van Hegeman niet heeft afgewacht en waarom het noodzakelijk was om direct (in de bouwvak) over te gaan tot het inschakelen van een deskundige.
Expertisekosten Technoconsult
5.32.
Niet in geschil is dat er scheuren in de betonnen vloer zaten. Hegeman heeft naar aanleiding van het advies van TBA herstelwerkzaamheden aan de vloer uitgevoerd. Hegeman heeft onweersproken aangevoerd dat de vloer daarna nog enige tijd moest drogen en dat partijen hebben afgesproken dat de vloer beoordeeld zou worden nadat deze volledig droog was. Partijen zouden de vloer gezamenlijk na de bouwvak beoordelen. HP heeft de vloer echter al voor die tijd laten keuren door Technoconsult. Zij heeft niet uitgelegd waarom het redelijkerwijs noodzakelijk was om deze keuring te laten plaatsvinden. Het enkele feit dat er daarna opnieuw herstelwerk aan de vloer moest worden verricht, maakt niet dat het inschakelen van een deskundige was aangewezen. Hegeman heeft het werk daarna immers opnieuw conform het eerdere advies van TBA uitgevoerd, waarna de vloer akkoord is bevonden. HP kan deze expertisekosten dus niet bij Hegeman in rekening brengen en in zoverre komt HP ook geen opschortingsbevoegdheid toe.
Kosten voor afwerking vloer
5.33.
Hegeman diende op grond van het bestek een betonvloer met nabehandeling in de kerkzaal aan te brengen. In het verslag van de bouwvergadering op 29 augustus 2018 staat dat de vloer zal worden afgewerkt met een Ashford laag. Dit betekent dat Hegeman dit werk in beginsel diende uit te voeren. Partijen hebben volgens HP in afwijking hiervan afgesproken dat HP deze opdracht zou verstrekken en dat Hegeman de kosten daarvan zou dragen. Dat heeft HP echter onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet gesteld wanneer deze afspraak tot stand is gekomen en wat partijen precies hebben afgesproken. Enige toelichting had wel van haar verwacht mogen worden. Hegeman heeft immers een offerte voor het aanbrengen van de Ashford laag van haar onderaannemer van 5 december 2018 in het geding gebracht. Daarnaast kon HP ter zitting niet verklaren of de vloer door Hegeman van een bepaalde beschermlaag is voorzien. HP kan de door haar gestelde kosten voor het reinigen, impregneren en polijsten van de vloer dus niet op grond van de door haar gestelde afspraak bij Hegeman in rekening brengen en haar eigen betalingsverbintenissen in zoverre opschorten.
5.34.
HP heeft ook niet onderbouwd dat sprake is van minderwerk door Hegeman, zodat ook in zoverre geen recht op vergoeding of opschorting bestaat. Zoals reeds overwogen kon HP niet verklaren of Hegeman een beschermlaag heeft aangebracht. Hegeman heeft daarentegen wel een offerte in het geding gebracht. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat Hegeman dit werk niet conform het bestek heeft uitgevoerd en dat dus sprake is van minderwerk. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake. Aangezien Hegeman het overeengekomen werk heeft uitgevoerd, is van verrijking geen sprake. HP heeft mogelijk op verzoek van de kerk extra werkzaamheden verricht, maar dat geeft op zichzelf nog geen grondslag om deze kosten door te berekenen aan Hegeman.
Expertisekosten IMd
5.35.
Partijen zijn het erover eens dat in de kalkzandsteenwand een centreerstrip ontbrak en een verkeerd type kalkzandsteen was gebruikt. Het werk wijkt op dit punt dus af van wat in het bestek is overeengekomen. Deze fouten kunnen Hegeman naar eigen zeggen niet worden toegerekend, omdat HP had moeten zorgen voor juiste tekeningen. Hegeman heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd. HP heeft gewezen op het projectkwaliteitsplan, waarin staat dat de aannemer (dus Hegeman) verantwoordelijk is voor de constructietekeningen. Dit plan is aan de aannemingsovereenkomst gehecht. Hegeman heeft niet uitgelegd waarop zij baseert dat het aan HP was om de tekeningen op te stellen. Zij heeft weliswaar tijdens een bouwvergadering gezegd dat zij niet verantwoordelijk wil worden gehouden voor de berekeningen en tekeningen, maar die mededeling maakt nog niet dat partijen hierover een bepaalde afspraak hebben gemaakt. Het enkele feit dat de constructeur de tekeningen moest doorberekenen, maakt niet dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud daarvan volledig is verschoven. De kosten die HP heeft moeten maken naar aanleiding van voornoemde afwijking komen voor vergoeding in aanmerking en in zoverre slaagt ook het beroep op opschorting.
5.36.
Hegeman is na overleg met IMd en HP overgegaan tot herstel van de wand. Dit herstel bleek vervolgens niet afdoende. Aangezien IMd en HP nauw betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van deze herstelplannen, kunnen de daarna gemaakte kosten niet aan Hegeman worden toegerekend. HP heeft drie facturen overgelegd. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld welk deel van de kosten is gemaakt naar aanleiding van de eerste fout en voor vergoeding in aanmerking komt. HP zal in de gelegenheid worden gesteld dit nader te specificeren.
Kosten in verband met de riolering
5.37.
De kosten in verband met de riolering geven HP geen recht op opschorting. Hegeman heeft volgens HP met de gemeente afgesproken dat het tracé op de bouwplaats voor een bepaalde periode vrij zou zijn van obstakels, maar zij heeft het bestaan van deze afspraak niet onderbouwd en Hegeman betwist deze afspraak. Het is onduidelijk wanneer deze afspraak tot stand zou zijn gekomen en wat precies zou zijn afgesproken. Enige uitleg had op dit punt wel van HP verwacht mogen worden. Dat Hegeman mogelijk wist dat derden werkzaamheden op het terrein moesten uitvoeren, betekent nog niet dat zij had moeten begrijpen dat het terrein op een bepaald moment vrij moest zijn. Van een tekortkoming van Hegeman is dus geen sprake. Hegeman heeft ook niet onrechtmatig gehandeld. Zij wist immers niet dat het terrein vrij van obstakels moest zijn.
Kosten Klein Poelhuis
5.38.
HP kan geen aanspraak maken op opschorting in verband met de meerwerkkosten van Klein Poelhuis. Het zou gaan om de kosten als gevolg van de vertraging in de uitvoering van de werkzaamheden in de kerk. Het is onduidelijk waar deze kosten uit bestaan en waarom zij verschuldigd zijn. Voor zover de kosten aan de vertraging zijn te wijten, geldt dat deze vertraging, zoals reeds overwogen, is te wijten aan HP zelf. De gevolgen van de vertraging kunnen dus niet op het bordje van Hegeman worden gelegd.
5.39.
HP heeft er voorts op gewezen dat Hegeman verantwoordelijk was voor de planning en coördinatie van alle werkzaamheden. Hegeman had daarom volgens HP moeten voorkomen dat Klein Poelhuis onverrichter zake naar huis werd gestuurd. HP heeft echter onvoldoende onderbouwd dat Hegeman op dit punt een verplichting had. In de coördinatieovereenkomst staat weliswaar een algemene verplichting om de tijdstippen, volgorde en plaats van de uitvoering op elkaar af te stemmen, maar Hegeman heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat HP de contacten met Klein Poelhuis verzorgde. Dit blijkt ook uit de e-mail van 9 augustus 2019 van HP. Daarin heeft zij zowel Hegeman als Klein Poelhuis formeel op de hoogte gesteld van het feit dat de kerk niet kan worden ontkoppeld. HP heeft ook niet uitgelegd waarom Klein Poelhuis niet in staat was het werk uit te voeren. Problemen met de vloer in de kerk maken niet zonder meer iedere vorm van werkuitvoering onmogelijk. Het beroep op opschorting slaagt in zoverre niet.
Benodigd toezicht
5.40.
Hegeman is geen kosten voor extra toezicht verschuldigd. Het was aan HP om toezicht te houden op de uitvoering van het werk. De kerk wilde kennelijk een extra waarborg inbouwen door het inschakelen van WMB Bouwadvies omdat zij het door HP gehouden toezicht niet afdoende vond. HP heeft niet toegelicht waarom de financiële gevolgen van deze keuze van de kerk voor rekening van Hegeman moeten komen. HP doet het voorkomen alsof alle problemen aan Hegeman te wijten zijn, terwijl uit het voorgaande blijkt dat ook HP steken heeft laten vallen. De kosten voor WMB Bouwadvies kunnen dus niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, worden doorberekend aan Hegeman.
Het is onduidelijk waar de kosten voor de projectbegeleiding van Lubrinko op zien. HP heeft niet gesteld hoe die kosten tot stand zijn gekomen en wat Lubrinko concreet heeft gedaan. Ook die kosten kunnen dus niet worden doorberekend.
Schadevergoeding Mooiweer
5.41.
HP heeft aan Mooiweer een compensatie betaald tot de start van de bouw. Zij heeft deze compensatie vijf maanden langer moeten betalen, omdat de uitvoering van fase II pas is begonnen op 2 september 2019. Deze vertraging is dus gelegen in de latere oplevering van fase I. Zoals overwogen is deze vertraging niet zonder meer aan Hegeman te wijten, omdat HP zelf voor een wekenlange vertraging heeft gezorgd. HP heeft verder niet geconcretiseerd waar de door Hegeman veroorzaakte vertraging in gelegen zou zijn. De kosten als gevolg van de vertraging kunnen dus niet op Hegeman worden afgewenteld.
Schadevergoeding Chinees restaurant
5.42.
HP kan de gestelde schadevergoeding aan het Chinese restaurant niet bij Hegeman in rekening brengen of haar betalingsverbintenissen in verband hiermee opschorten. HP heeft naar eigen zeggen met het Chinese restaurant bepaalde planningsafspraken gemaakt. Zij heeft onder meer afgesproken dat het betreffende werk op 1 september 2019 zou worden opgeleverd, met een gefixeerde schadevergoeding van € 350,- per dag dat de oplevering na 1 september 2019 zou uitblijven. Niet in geschil is dat die datum niet is gehaald. De vertraging in fase I is echter ook te wijten aan HP zelf. Hegeman heeft in verband met deze post een aantal vertragende factoren gesteld die volgens haar zijn toe te rekenen aan HP en Hegeman heeft bovendien gesteld dat zij gedurende het project meermalen heeft gewezen op de (mogelijke) gevolgen van bepaalde beslissingen voor het Chinese restaurant. HP heeft daar nauwelijks op gereageerd. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de vertraging aan Hegeman te wijten is, zodat zij niet aansprakelijk is voor deze gestelde schade.
Kosten gewijzigd palenplan
5.43.
HP was verantwoordelijk voor het aanleveren van het palenplan. Zoals reeds overwogen was het oorspronkelijke palenplan praktisch onuitvoerbaar. De kosten voor het alsnog verkrijgen van een werkbaar plan dienen dan ook voor rekening van HP te blijven.
Samenvattend
5.44.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om de rechtbank op een aantal punten van een nadere toelichting te voorzien. Hegeman zal in de gelegenheid worden gesteld om (de omvang van) de gestelde schade op de volgende punten nader te onderbouwen:
- -
de extra kosten van de bouwplaats en steiger gedurende de vertraging in fase I van zestien weken (zie 5.14);
- -
de extra kosten in verband met de prijsstijgingen over een periode van twintig weken (zie 5.22);
- -
de extra kosten van de bouwplaats gedurende de vertraging als gevolg van de latere sloop van de kerk van twee weken (zie 5.24);
- -
de extra kosten als gevolg van de vertraging in het verstrekken van gegevens met betrekking tot de belasting van de vloeren in fase II van veertien dagen (zie 5.26);
HP zal in de gelegenheid worden gesteld om te specificeren welke extra kosten zij heeft gemaakt naar aanleiding van de eerste fout in de kalkzandsteenwand (zie 5.36). Partijen zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld om op elkaar te reageren.
5.45.
Uit dit vonnis blijkt hoe de rechtbank in een eventueel eindvonnis op de meeste punten zal oordelen. Het staat partijen vrij om alsnog te proberen tot een regeling te komen, waarmee zij de nodige tijd, kosten en (verdere) negatieve energie kunnen besparen. Als partijen daartoe aanleiding zien en meer tijd nodig hebben, kunnen zij de rechtbank vragen de hieronder te vermelden termijn(en) te verlengen.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 mei 2022 voor het nemen van een akte door beide partijen over de in 5.44 vermelde onderwerpen;
6.2.
bepaalt dat de zaak vier weken nadat beide partijen de in 6.1 bedoelde akte hebben genomen (of de termijn daarvoor ongebruikt hebben laten verstrijken) weer op de rol zal komen voor het nemen van een antwoordakte door beide partijen;
in conventie en in reconventie
6.3.
houdt iedere (verdere) beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M. Zuiderveld, griffier. Het is op 20 april 2022 uitgesproken in het openbaar.
3555/3194