RBP 2023/73
Incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging. Is een incident tot schorsing van executie nog mogelijk na het voltooien van die executie en moeten partijen in het incident worden gehoord?
HR 02-06-2023, ECLI:NL:HR:2023:840
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
2 juni 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma
- Zaaknummer
22/00408
- Conclusie
A-G mr. R.H. de Bock
- JCDI
JCDI:ADS715586:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Arbitrage
Burgerlijk procesrecht / Beslag en executie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:840, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑06‑2023
ECLI:NL:PHR:2022:1116, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑11‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑03‑2022
- Wetingang
Art. 3:303 BW; art. 87 lid 8, 279, 1066 Rv
Essentie
Incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging.
Is een incident tot schorsing van executie nog mogelijk na het voltooien van die executie en moeten partijen in het incident worden gehoord?
Samenvatting
Tussen een moeder en een zoon is een arbitraal vonnis gewezen over de opbrengst van de verkoop van een boerderij en enkele percelen. De zoon heeft het arbitrale vonnis doen betekenen en geëxecuteerd. De erven van moeder vorderen bij het hof vernietiging van het arbitrale vonnis en in afwachting daarvan schorsing van de executie. Volgens het hof had die schorsing middels een verzoekschrift moeten worden ingediend, maar omdat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.