Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.3.2.1
8.2.3.2.1 Huidig recht
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971942:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Sijmonsma 2017, p. 205, in het kader van de exhibitievordering ex artikel 843a Rv; en Groot 2015, p. 209-210 en p. 224 e.v., in het kader van het voorlopig getuigenverhoor.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2022, ARO 2022/118 (Cloud Solutions), r.o. 3.8: “Haar informatieplicht strekte zich in de gegeven conflictueuze situatie ook niet uit tot concurrentiegevoelige informatie, met dien verstande dat het in zoverre wel op de haar weg had gelegen om (…) AH Beheer voor zover mogelijk de desbetreffende informatie geschoond van concurrentiegevoelige of anderszins vertrouwelijke elementen te verstrekken.”
Vgl. HR 10 juli 2015, NJ 2016/50 (Schietincident Alphen a/d Rijn), waarover ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023, nr. 199a.
Vgl. HR 20 oktober 1995, NJ 1996/120 m.nt. J.M.M. Maeijer (Perrier/Marceau), r.o. 2.3, waarin de Hoge Raad overwoog dat Boek 2 BW niet in de weg staat aan het verzoek van een aandeelhouder tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.
Artikel 3:303 BW.
Ik begin bij de eerste twee subsidiaire grondslagen, de exhibitievordering en het voorlopige getuigenverhoor. Beide instrumenten zijn bewijsverrichtingen die dienen om bewijs te vergaren of veilig te stellen in het kader van een– mogelijke of reeds aanhangige – procedure. Het belang van de aandeelhouder bij de verlangde informatie van de vennootschap dient daarom (mede) verband te houden met zijn bewijspositie.1 Kort en goed, zal de verlangde informatie mede moeten dienen om de aandeelhouder in staat te stellen om zijn rechtspositie te bepalen en een eventuele vordering tegen de vennootschap te onderzoeken. Deze bewijsfunctie van de exhibitievordering en het voorlopig getuigenverhoor lijkt op het eerste gezicht de waarde van deze instrumenten voor de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder te beperken. Een aandeelhouder die ‘slechts’ toegang wenst te krijgen tot informatie waarop hij recht heeft, zal zich immers niet zonder meer op deze grondslagen kunnen beroepen. In de praktijk zal dit echter geen wezenlijke drempel opleveren voor het instellen van een dergelijke vordering.
Op grond van artikel 843a Rv kunnen partijen in kort geding, in een bodemprocedure of bij incident afgifte van, of inzage in, bescheiden van hun wederpartij vorderen of verzoeken. In de praktijk wordt dit veelal aangeduid als een exhibitievordering. Voor een dergelijke exhibitievordering gelden vier cumulatieve vereisten: (i) de partij van wie bescheiden worden gevorderd, moet over die bescheiden kunnen beschikken; (ii) de eisende partij moet een rechtmatig belang hebben bij de bescheiden; (iii) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen die de eisende partij aangaat; en (iv) de bescheiden moeten voldoende bepaald zijn. Als gezegd, zal het rechtmatig belang van de aandeelhouder erin zijn gelegen dat hij zijn rechtspositie wil bepalen, onder meer door vast te stellen of hem inderdaad relevante informatie is onthouden en te onderzoeken of daarin grond is gelegen voor het treffen van rechtsmaatregelen tegen de vennootschap of leden van de vennootschapsleiding. De vereiste rechtsbetrekking volgt uit artikel 2:8 BW, althans de potentiële onrechtmatige daad die volgt uit de schending daarvan. De aandeelhouder zal dan slechts nog voldoende concreet moeten omschrijven op welke bescheiden van de vennootschap zijn vordering ziet. De exhibitievordering wordt onder meer afgewezen indien (en voor zover) daarvoor gewichtige redenen zijn.2 Het ligt voor de hand bij de invulling van deze norm aansluiting te zoeken bij het ‘zwaarwichtig belang’-criterium waardoor het informatierecht van aandeelhouders wordt beperkt.
Ik zie twee belangrijke redenen om te kiezen voor artikel 843a Rv als (secundaire) grondslag voor de informatievordering. Ten eerste geeft het tweede lid van dit artikel de rechter uitdrukkelijk ruimte om te bepalen op welke wijze de relevante informatie dient te worden verstrekt.3 Ter illustratie wijs ik op de mogelijkheid van dataseparatie, waarbij de te verstrekken bescheiden eerst worden beoordeeld door een onafhankelijke derde, die vervolgens bepaalt tot welke bescheiden de eiser uiteindelijk toegang krijgt. Op die manier kan (bijvoorbeeld) concurrentiegevoelige informatie uit de te verstrekken bescheiden worden gefilterd. Overigens kan een verplichting daartoe ook worden afgeleid uit artikel 2:8 BW.4 Ten tweede kan artikel 843a Rv worden gebruikt om informatie van de vennootschap te verkrijgen die zich bij derden bevindt.5 Dit laatste vormt een uitzondering op het eerdergenoemde uitgangspunt dat een informatievordering steeds tegen de vennootschap zal worden ingesteld.
Op grond van artikel 186 Rv kan, in gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. Ook de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder kan worden aangemerkt als belanghebbende in vorenstaande zin.6 Ook hier geldt dat het belang van de aandeelhouder bij het kunnen vaststellen van zijn rechtspositie een voorlopig getuigenverhoor kan rechtvaardigen. Het processuele belang van de aandeelhouder bij dat voorlopig getuigenverhoor zal dan niet snel ter discussie staan.7 Het voorlopig getuigenverhoor kan met name van waarde zijn voor de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder in gevallen waar de relevante informatie niet op schrift is gesteld.