Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/1.4.2.4.1
1.4.2.4.1 De bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voor de jaarrekening
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS304080:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Westra (2009b), p. 38.
Conform de indeling gehanteerd door Beckman (2013).
Alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.
Schoonderbeek (1995), p. 163.
RJ 170.101.
Tenzij deze gezien de omvang van de vennootschap slechts beperkt openbaar gemaakt behoeven te worden (artikel 2:395a, 396 en 397 BW) of sprake is van een ontheffing (artikel 2:210 lid 7 BW) of toepassing van artikel 2:403 BW.
Zie artikel 2:360 BW voor de betreffende rechtspersonen.
Beckman (1995), p. 148.
Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (grote en middelgrote rechtspersonen) 2017, voorwoord. Tevens de heersende mening in de literatuur: Hoogendoorn (1994), p. 113-134 en Hoogendoorn (2006), p. 225-236. Anders: Dieleman (2003), p. 424 en Berk, Lodewijk & Veerman (2005), p. 10-16.
HR 10 februari 2006, JOR 2006, 94 (SOBI/KPN), r.o. 5.5.
Schilder (2008), p. 178.
Ter Hoeven (2005), p. 475-485.
Ernst & Young Handboek jaarrekening, Toepassing van de Nederlandse wet- en regelgeving en IFRS, 2011, p. 122.
Beckman spreekt in dit verband over het EU IFRS Regime, Beckman (2013).
De Jong (2002), p. 363.
Hijink (2010), p. 22.
Beckman (2013), p. 365/366.
Van Geffen (2010), p. 18.
Hijink (2010), p. 23.
Camfferman (2008), p. 55/56.
Camfferman (2008), p. 57.
Camfferman (2008), p. 55/56.
Verordening (eu) nr. 1174/2013.
Ooghe & Van Wymeersch, p. 411.
Voorts dienen bij toepassing van IFRS de volgende artikelen uit Titel 9 Boek 2 BW te worden nageleefd (artikel 2:362 lid 9 BW): ‘De rechtspersoon die de jaarrekening opstelt volgens de in lid 8 bedoelde standaarden, past van deze titel slechts de afdelingen 7 tot en met 10 en de artikelen 362, lid 6, een na laatste volzin, lid 7, laatste volzin en lid 10, 365 lid 2, 373, 379 leden 1 en 2, 380b, onderdeel d, 382, 382a, 383, 383b tot en met 383e, 389 leden 8 en 10, en 390 toe. Banken passen tevens artikel 421 lid 5 toe. Verzekeraars passen tevens artikel 441 lid 10 toe’.
Zie onder andere Van der Tas (2007), p. 586.
Ernst & Young Handboek jaarrekening, p. 122.
Ernst & Young Handboek jaarrekening, p. 122.
Camfferman (2008), p. 55/56.
HR 24 april 2009, LJN BG8790 (Spyker).
Hijink (2010), p. 460
De externe accountant dient te onderzoeken of de jaarrekening en de daarin door het bestuur gemaakte keuzes ten aanzien van bijvoorbeeld waardering en inrichting voldoen aan de bij en krachtens wet gestelde voorschriften. Met betrekking tot de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voor de jaarrekening, speelt het onderscheid tussen ‘Dutch GAAP’ en IFRS een rol.
Dutch GAAP
Dutch GAAP staat voor Dutch Generally Accepted Accounting Principles. Dutch GAAP heeft betrekking op de Nederlandse wettelijke voorschriften (titel 9 Boek 2 BW) en jurisprudentie inzake verslaggeving in combinatie met de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ). Titel 9 Boek 2 BW is van toepassing op naamloze en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, alsmede op de in artikel 2:360 BW opgesomde rechtspersonen en vennootschappen. Titel 9 Boek 2 BW wordt ook wel de grondwet voor de jaarrekening genoemd.1 In Titel 9 Boek 2 BW zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de externe financiële verslaggeving. Titel 9 bevat ten aanzien van de financiële verslaggeving voorschriften inzake:
de inrichting;
de openbaarmaking;
de accountantscontrole.
Ad i) de inrichting
Voor wat betreft de inrichting dient een onderscheid te worden gemaakt tussen algemene bepalingen, presentatie, consolidatie en waardering.2
Algemene bepalingen
Artikel 2:362 BW inzake de algemene vereisten voor de jaarrekening is de belangrijkste algemene bepaling. Dit artikel bevat onder andere het zogenaamde ‘inzichtvereiste’, inhoudende dat de jaarrekening een zodanig inzicht dient te geven van het vermogen en resultaat3 van de rechtspersoon dat daaromtrent een verantwoord oordeel kan worden gevormd. Artikel 2:362 BW wordt ook wel het ‘kapstokartikel’4 genoemd, omdat alle andere voorschriften van titel 9 Boek 2 BW er aan zijn opgehangen.
Voorts vereist artikel 2:362 BW dat de balans met de toelichting getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weergeeft. De winst- en verliesrekening met de toelichting dient vervolgens getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer te geven.
Indien dat noodzakelijk is voor het verschaffen van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht, wijkt de rechtspersoon van de in titel 9 genoemde voorschriften af. De reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, voor zover nodig onder opgaaf van de invloed ervan op vermogen en resultaat (artikel 2:362 lid 4 BW). Uit de mogelijkheid om af te wijken van de overige voorschriften van titel 9 Boek 2 BW blijkt de relevantie van het inzichtvereiste. Het inzichtvereiste komt aan het einde van deze paragraaf aan de orde.
Presentatie
Bij de presentatie zijn de indelingsvoorschriften van belang. Dit betreft materiële kenmerken voor de rubricering in de balans en winst- en verliesrekening. In dit verband is het Besluit modellen jaarrekening relevant, een krachtens titel 9 Boek 2 BW genomen AMvB. Hierin zijn algemene eisen voor de indeling van en toelichting op de jaarrekening opgenomen.
Consolidatie
Een rechtspersoon die hoofd van een groep is, is in beginsel consolidatieplichtig (artikel 2:406 lid 1 BW). Dit betekent dat de rechtspersoon verplicht is in zijn jaarrekening -naast een enkelvoudige jaarrekening- een geconsolideerde jaarrekening op te nemen. Een geconsolideerde jaarrekening is een ‘jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van de rechtspersonen en vennootschappen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen rechtspersonen en vennootschappen, als éé n geheel worden opgenomen’ (artikel 2:405 lid 1 BW). Omdat de geconsolideerde jaarrekening onder het begrip ‘jaarrekening’ van artikel 2:361 BW valt, is alle regelgeving die betrekking heeft op ‘de jaarrekening’ onveranderd ook op de geconsolideerde jaarrekening van toepassing. Daaruit volgt dat de enkelvoudige jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening gelijktijdig moeten worden opgemaakt (en vastgesteld). Titel 9 Boek 2 BW bepaalt ten aanzien van de consolidatie onder andere wanneer:
een rechtspersoon moet consolideren,
sprake is van een omvangafhankelijke vrijstelling, en
een uitzondering voor tussenhoudstermaatschappijen van toepassing is.
Voorts bevat titel 9 Boek 2 BW voorschriften omtrent de consolidatiekring en de inrichting van de geconsolideerde jaarrekening.
Waardering
Het belangrijkste artikel met betrekking tot de waardering is artikel 2:384 BW. Kort samengevat volgt hieruit: als grondslag voor de waardering van een actief en een passief komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde. In dit verband is het besluit actuele waarde relevant, een krachtens titel 9 Boek 2 BW genomen AMvB. Het voorzichtigheidbeginsel is van toepassing bij de toepassing van de waarderingsgrondslagen (artikel 2:384 lid 2 BW). Zo worden winsten slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Het uitgangspunt bij de waardering is continuïteit (artikel 2:384 lid 3 BW). Hierbij wordt de rechtspersoon geacht haar activiteiten in de voorzienbare toekomst te kunnen voortzetten zonder noodzaak of intentie tot liquidatie dan wel staking van alle bedrijfsactiviteiten.5
De bestuurder dient de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming te beoordelen bij het opmaken van de jaarrekening. De continuïteitsveronderstelling is dus de verantwoordelijkheid van het bestuur. Van de accountant wordt vervolgens in het kader van de wettelijke controle verwacht dat hij voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgt om de door het bestuur gehanteerde continuïteitsveronderstelling te evalueren/controleren (NV COS 570,6paragraaf 6). In paragraaf 4.4.3.1 wordt stilgestaan bij de rol van de accountant met betrekking tot de evaluatie/controle van de continuïteitsveronderstelling.
Ad ii) Openbaarmaking
Uiterlijk 12 maanden na afloop van een boekjaar dient een vennootschap haar financiële verslaggeving (artikel 2:394 jo. 2:392 BW)7 openbaar te maken door deze stukken (elektronisch) te deponeren bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De termijn van 12 maanden is opgenomen in artikel 2:394 lid 3 BW. Voor beursvennootschappen is sprake van een termijn van 4 maanden (artikel 2:101 BW jo. 5:25 c Wft). Voor BV’s die gebruik maken van de door artikel 2:210 lid 5 BW geboden optie, geldt een termijn van 10 maanden en 8 dagen.
Ad iii) de accountantscontrole
Een wettelijke controle van de financiële verslaggeving in de zin van artikel 2:393 BW is verplicht voor middelgrote en grote rechtspersonen welke onder Titel 9 Boek 2 vallen8 (zie paragraaf 1.4.2.2).
RJ
De RJ worden opgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving en zijn van belang met betrekking tot het hiervoor reeds aangehaalde inzichtvereiste. Het inzicht in vermogen en resultaat dient namelijk te worden gegeven volgens ‘normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd’ (artikel 2:362 lid 1 BW). De RJ geven invulling aan deze normen. Voor wat betreft de behandelde onderwerpen in de RJ wordt uitgegaan van de wettelijke regeling voor jaarrekening en jaarverslag. Verder worden de uitspraken van de ondernemingskamer en de Hoge Raad in de richtlijnen verwerkt, voor zover deze een algemeen karakter hebben.
De RJ worden door Beckman9 omschreven als: ‘Algemene tot ondernemers en accountants gerichte, niet tot enige bevoegdheid te herleiden, regels die binnen het raamwerk en met inachtneming van de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften dienen ter normering van de inhoud van de jaarlijkse financiele verslaggeving zowel in het kader van het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde beleid en de financiele weerslag ervan, als in het kader van publieke voorlichting’.
Ten aanzien van de RJ kan een onderscheid worden gemaakt tussen richtlijnen die stellige uitspraken betreffen en aanbevelingen. Aan stellige uitspraken is een extra gewicht toe te kennen. Verwacht mag worden dat van stellige uitspraken slechts zal worden afgeweken, indien daarvoor goede gronden zijn.10 De richtlijnen hebben echter geen kracht van wet en mogen daarom ook niet in strijd zijn met wettelijke bepalingen.
Een voorbeeld van een RJ met betrekking tot de inrichting van het eigen vermogen- 240.215:Indien eigen aandelen die de rechtspersoon of een dochtermaatschappij houdt of doet houden, worden overgedragen aan derden, dienen de opbrengsten hiervan rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen te worden gebracht. Hiervoor komen in aanmerking de overige reserves, of andere reserves in het eigen vermogen, mits de statuten dit toestaan. De opbrengst dient ten gunste te worden gebracht van die reserve waarop eerder de inkoop van deze eigen aandelen in mindering is gebracht. De onderstreepte tekst betreft een ‘stellige uitspraak’.
Volgens de Hoge Raad spelen de RJ een belangrijke rol bij de beantwoording van de ‘inzichtvraag’: ‘De voorschriften van deze Richtlijnen kunnen immers een belangrijk ori ë ntatiepunt en gezaghebbende kenbron vormen voor wat in het concrete geval als aanvaardbaar heeft te gelden. Ingeval de rechtspersoon bij het vaststellen van de jaarrekening is gekomen tot waarderingen die met deze voorschriften stroken, kan zulks een belangrijke aanwijzing vormen dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid aan de rechtspersoon moet worden gelaten bij haar keuze voor de waardering van bepaalde posten niet is overschreden’.11
Status Dutch GAAP
Voor beantwoording van de vraag wat de status is van Dutch GAAP is relevant dat er twee tegenpolen zijn als basis voor systemen van wet- en regelgeving: rule-based versus principle-based wet- en regelgeving. De eerste tracht door zoveel mogelijk regels het gewenste gedrag te bevorderen, de laatste juist door weinig regels maar met focus op relevante principes. 12Bij principle-based wet- en regelgeving is sprake van een niet al te grote mate van detail in combinatie met een derogatie- of suppletieverplichting.13 Een voorbeeld van rule-based regelgeving in corporate governance is de Sarbanes-Oxley-Act. Een voorbeeld van principle-based regelgeving is de Nederlandse Corporate Governance Code. De vraag of het systeem van de Dutch GAAP principle-based of rule-based is, is niet eenvoudig te beantwoorden. Ik volsta met op te merken dat het systeem van de Dutch GAAP meer principle-based is dan rule-based, maar het is ook weer niet volledig principle-based. Dit betekent dat er van regels kan worden afgeweken, maar dat dit alleen kan indien er gegronde redenen hiervoor zijn. Voor de wettelijke bepalingen is een afwijking zelfs alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is voor het inzicht, en dergelijke afwijkingen moeten dan ook worden toegelicht en onderbouwd (artikel 2:362 lid 4 BW). Afwijking van de RJ is daarentegen mogelijk indien daar goede redenen voor zijn. Dit biedt derhalve meer mogelijkheid voor afwijking. Een afwijking van de RJ hoeft niet in de jaarrekening te worden toegelicht.14
IFRS
IFRS ziet op internationale verslaggevingsstandaarden zoals door de Europese Commissie bij verordening (de IAS verordening) goedgekeurd en bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, ook wel EU IFRS15 genoemd.
In mijn onderzoek spreek ik meestal over IFRS, soms echter over IAS. Dat laat zich als volgt verklaren: IAS zijn de internationale standaarden voor de financiële verslaggeving uitgevaardigd door de IASC. De IASC is in 2000 opgevolgd door de IASB. De IASB heeft in april 2001 alle IAS overgenomen die door de IASC zijn uitgevaardigd. De sindsdien door de IASB vastgestelde standaarden noemt men echter IFRS.16
Ten aanzien van de hiervoor aangehaalde IAS verordening is het volgende relevant: dit betreft Verordening (EG) nr. 1606/2002 van 19 juli 2002. In de verordening is een mechanisme opgenomen op basis waarvan door de Europese Commissie geaccepteerde IFRS rechtstreeks door Europese beursvennootschappen in hun geconsolideerde jaarrekening dienen te worden toegepast.17
EU IFRS moeten door Europese beursvennootschappen met consolidatieplicht verplicht worden toegepast op hun geconsolideerde jaarrekening. Europese beursvennootschappen met consolidatieplicht mogen er daarnaast voor kiezen hun enkelvoudige jaarrekeningen in te richten volgens het EU IFRS regime. Dit laatste geldt tevens voor Europese beursvennootschappen zonder consolidatieplicht.18 Rechtspersonen waarvan aandelen niet op de beurs zijn genoteerd, mogen EU IFRS vrijwillig toepassen op zowel de enkelvoudige als de geconsolideerde jaarrekening (artikel 2:362 lid 8 BW). Het uitgangspunt is echter dat zij de Dutch GAAP toepassen. Een rechtspersoon met consolidatieplicht kan de enkelvoudige jaarrekening slechts volgens EU IFRS opstellen indien de geconsolideerde jaarrekening ook volgens EU IFRS is opgesteld (artikel 2:362 lid 8 BW).19
Europese beursvennootschappen moeten de EU IFRS toepassen met ingang van boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2005. Door de IAS-verordening is sinds 2005 sprake van uniformering van de inrichtingsvoorschriften voor geconsolideerde jaarrekeningen van Europese beursvennootschappen.20
Inrichting
EU IFRS bevatten voorschriften met betrekking tot de inrichting. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen algemene bepalingen, presentatie, consolidatie en waardering.
Algemene bepalingen
EU IFRS bevatten zowel standaarden over specifieke onderwerpen als algemene bepalingen die nader definiëren wanneer voldaan wordt aan EU IFRS. In IAS 1 wordt in dit verband het criterium ‘getrouw beeld’ (‘fair presentation’, IAS 1.15) geïntroduceerd. De toepassing van EU IFRS, met waar nodig aanvullende informatie, wordt geacht te leiden tot een jaarrekening die een getrouw beeld geeft. Indien dus wordt voldaan aan alle individuele voorschriften levert dit in de regel een ‘getrouw beeld’ op.21 Dit betreft een ‘getrouw beeld’ in de zin van de EU IFRS, afdeling 1 en 2 van titel 9 Boek 2 BW komen hier niet aan te pas.22 Hierbij wordt nog opgemerkt dat de EU IFRS voorschriften veel gedetailleerder zijn (ze beslaan circa 2700 pagina’s) dan de voorschriften van de Dutch GAAP.
Volgens Camfferman wekt bovenstaande de indruk dat sprake is van een wat mechanische kijk op het begrip ‘getrouw beeld’, maar dit wordt zijns inziens genuanceerd door het feit dat het toepassen van IFRS geen eenduidige zaak is. Dit volgt bijvoorbeeld ook uit IAS 1, waar onder andere een toelichting wordt gevraagd op de oordelen die het management zich heeft gevormd bij het toepassen van IFRS (IAS 1.125).23
Presentatie
In het EU IFRS regime is vooral IAS 1 van belang voor de presentatie. Hierin zijn inrichtingsvereisten opgenomen, maar ook het doel van de jaarrekening alsmede voorschriften omtrent de samenstellende delen van de jaarrekening (IAS 1.10).
Consolidatie
EU IFRS 1024 kent een eigen regeling omtrent de consolidatieplicht. De regeling komt er op neer dat indien een vennootschap (investor) de zeggenschap over een andere vennootschap (investee) heeft (oftewel: investee kan beheersen) de investor consolidatieplichtig is. Doordat andere begrippen worden gehanteerd onder Dutch GAAP en EU IFRS met betrekking tot de vraag welke vennootschap consolidatieplichtig is, kan een andere consolidatiekring onder beide regelingen ontstaan.
De investor heeft het vermogen om met bestaande rechten de relevante activiteiten van de investee te bepalen.
De investor wordt blootgesteld aan – of heeft aanspraken op – de variabele (netto) opbrengsten (zowel positief als negatief) uit de betrokkenheid bp de investee.
De investor kan de bestaande rechten daadwerkelpk uitoefenen om de (netto) opbrengsten te realiseren.
De IASB beschouwt de geconsolideerde jaarrekening als ‘primaire’ jaarstukken, die een andere strekking en ander doel hebben dan de enkelvoudige jaarrekening.
Waardering
Als grondslag voor waardering van vaste activa komt in aanmerking de verkrijging- of de vervaardigingprijs. Indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, mogen vaste activa ook worden gewaardeerd tegen reële waarde (fair value) (IAS 16 en 38). De jaarrekening wordt opgesteld op basis van het toerekeningsbeginsel (‘accrual basis’)(IAS 1.27). Bij hantering van dit beginsel worden de gevolgen van de transacties en andere gebeurtenissen opgenomen wanneer zij zich voordoen (en niet wanneer geldmiddelen worden ontvangen of betaald), rekening houdend met de periode waarop zij betrekking hebben.25 Er wordt -net als onder Dutch GAAP- uitgegaan van continuïteit (IAS 1.25).
Openbaarmaking en accountantscontrole
Indien EU IFRS worden toegepast, dient Titel 9Boek 2 nog steeds te worden nageleefd met betrekking tot de (enkelvoudige) jaarrekening voor zover het de openbaarmaking (artikel 2:394 e.v. BW), accountantscontrole (artikel 2:393 BW), bestuursverslag en Nederlandse Corporate Governance Code (afdeling 7) en overige gegevens (afdeling 8) betreft (artikel 2:362 lid 9 BW).26
Status EU IFRS
Er is discussie over de vraag of het systeem van de EU IFRS ‘rule-based’ of ‘principle- based’ is.27 Vast staat dat afwijkingen van specifieke regels niet of nauwelijks mogelijk zijn, alleen in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden die ervoor zorgen dat de jaarrekening in ernstige mate misleidend is (onder voorwaarden van uitgebreide aanvullende informatie IAS 1.19-24).28 Er is binnen de -zeer uitvoerige- voorschriften echter veel ruimte voor interpretatie door de ondernemingsleiding. Door de interpretatiemogelijkheden is mijns inziens meer sprake van een ‘principle-based’ benadering dan van een ‘rule-based’ benadering.
Volgens Ernst en Young zijn de EU IFRS meer ‘rule-based’29 dan ‘principle based’. Camfferman30 daarentegen is van mening dat de EU IFRS meer ‘principle based’ dan ‘rule-based’ zijn, vanwege de interpretatiemogelijkheden. Zoals hiervoor opgenomen, deel ik zijn mening.
De Spyker beschikking31 is een mooi voorbeeld van de interpretatiemogelijkheden. In deze zaak is een verzoek van de AFM tot herinrichting van de jaarrekening afgewezen omdat een redelijke uitleg van de IFRS en een redelijke toepassing daarvan, ertoe kunnen leiden dat de jaarrekening het vereiste inzicht verschaft en een getrouw beeld geeft van het vermogen en van het resultaat, ook als op enkele punten (van ondergeschikt belang) niet (geheel) aan IFRS is voldaan.
Onder andere Hijink heeft zich kritisch uitgelaten over deze beschikking. Ten eerste betwijfelt hij of de IFRS wel de door de OK “aangenomen beoordelingsvrijheid bieden”. Voorts is hij van mening dat een onwenselijke “cumulatie” ontstaat van voor de ondernemingsleiding bestaande “beoordelingvrijheid” met “beleidsvrijheid” voor de OK om een bevel te geven. De uitkomst is zijns inziens dan ook “al met al teleurstellend”.32