Hof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2014, nr. 21-004971-12
ECLI:NL:GHARL:2014:1898
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
17-02-2014
- Zaaknummer
21-004971-12
- LJN
CA3061
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2014:1898, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑02‑2014
ECLI:NL:GHARL:2013:CA3061, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑06‑2013; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4038, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 17‑02‑2014
Inhoudsindicatie
Verzoek ex artikel 591 en 591a Sv
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
Pkn: 21-004971-12
Avnr: 1391-13 (591 en 591a Sv)
Het hof heeft gezien het op 24 juli 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
domicilie kiezende te [plaats], ten kantore van zijn raadslieden,
hierna te noemen verzoeker,
ingediend door [raadsman 1] en [raadsman 2], beiden advocaat te [plaats], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering voor de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten en een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfskosten, voor de schade die hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft geleden en in de kosten van de raadslieden, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 januari 2014 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mrs. [raadsman 1] en [raadsman 2] voornoemd.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.
OVERWEGINGEN
1.
Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 13 juni 2013 is verzoeker vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.
3.
Het verzoekschrift omvat kort samengevat de volgende posten:
a. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 12.058,27 in rekening gebracht door [raadsman 3];
b. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 223.016,63 in rekening gebracht door [raadsman 1] en [raadsman 2] voornoemd;
c. kosten in verband met het inschakelen van een deskundige die zich op verzoek van de verdediging heeft uitgelaten over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de betrouwbaarheid van het geheugen;
d. kosten in verband met het inschakelen van een deskundige op het gebied van communicatie met de media;
e. reiskosten gemaakt door verzoeker bestaande uit een bedrag van 1403,20;
f. verblijfskosten gemaakt door verzoeker bestaande uit een bedrag van 419,69;
g. een vergoeding van door verzoeker geleden schade ten gevolge van tijdverzuim bestaande uit een bedrag van 34.730,00;
h. een vergoeding van door verzoeker geleden schade in de vorm van rentederving
i. kosten van indiening van onderhavig verzoek, welke kosten niet nader zijn gespecificeerd maar ten aanzien waarvan verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten de forfaitaire bedragen overstijgen.
4.
De advocaat-generaal heeft volhard bij de eerdere schriftelijke conclusie, met dien verstande dat zij de onder a. genoemde kosten na de gegeven toelichting daaromtrent in raadkamer thans wel voor toewijzing vatbaar acht.
5.
De raadslieden hebben gepersisteerd bij het verzoek.
Verzoeken ex 591 Wetboek van Strafvordering
6.
Ingevolge artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.
7.
Het hof begrijpt verzoeker aldus dat de verzoeken tot vergoeding van de hiervoor onder c en d genoemde posten op de voet van artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering worden verzocht. Ten aanzien van die verzoeken overweegt het hof als volgt.
Van een advies door een deskundige op het gebied van communicatie met de media valt naar het oordeel van het hof niet in te zien welke betekenis een dergelijk advies heeft voor de beantwoording van de relevante vragen in de strafzaak waarin verzoeker verdachte was. De daarmee gemoeide kosten hebben naar het oordeel van het hof dan ook niet het belang van het onderzoek gediend.
Een deskundige die zich vanuit zijn expertise uitlaat over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de betrouwbaarheid van het geheugen zou van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de in het kader van een strafzaak relevante vragen. Het onderzoek door een dergelijke deskundige is echter op initiatief van verzoeker verricht en niet in het kader van de strafzaak bevolen door rechtbank of gerechtshof omdat de noodzaak daartoe is gebleken. Een verdachte staat het uiteraard vrij dergelijk initiatief te nemen, maar dat betekent niet dat een gewezen verdachte nadien zonder meer aanspraak kan maken op een vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. Nu van dat onderzoek ook na afronding van de strafzaak naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat er een noodzaak toe bestond met het oog op de in verband met die strafzaak door de rechtbank en het gerechtshof te beantwoorden vragen, komt het hof tot de slotsom dat de daarmee gemoeide kosten niet het belang van het onderzoek hebben gediend.
De op de voet van artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering verzochte kosten zal het hof dan ook afwijzen.
Verzoeken ex 591a Wetboek van Strafvordering
8.
Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
9.
De gevraagde reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de behandeling van de zaak door de rechtbank te Utrecht (inclusief de verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris aldaar) op respectievelijk 16 mei 2012, 3 september 2012, 6 september 2012, 18 oktober 2012, 22 oktober 2012, 24 oktober 2012, 9 november 2012 en 23 november 2012 en voor het bijwonen van de behandeling van de zaak door dit hof op respectievelijk 30 mei 2013 en 13 juni 2013 zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden:
- 8 maal een retour bus/NS 2e klasse [woonplaats]-Utrecht à € 24,70: € 197,60
- 2 maal een retour bus/NS 2e klasse [woonplaats]-Arnhem à € 42,80: € 85,60
Derhalve in totaal € 283,20
De in verband met het bijwonen van voornoemde behandelingen meer verzochte reis- en verblijfkosten, onder meer vanwege het gebruik van een ander vervoersmiddel dan het openbaar vervoer en vanwege een overnachting in een hotel, wijst het hof af. De reiskosten, die verzoeker ten behoeve van bezoeken aan het kantoor van zijn raadsman en van en naar een deskundige heeft gemaakt, vallen buiten het beslissingskader van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek zal in zoverre eveneens worden afgewezen.
10.
De door verzoeker gevraagde vergoeding wegens tijdverzuim zal worden afgewezen, omdat er bij verzoeker geen sprake is geweest van aantoonbare geconcretiseerde inkomstenderving vanwege het bijwonen van de behandeling van de zaak door de rechtbank en het hof en vanwege het bijwonen de behandeling in raadkamer van onderhavig verzoek door het hof. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker daardoor, dat wil zeggen door het bijwonen op zich, bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten die hij anders wel zou hebben verricht. Het hof begrijpt de door verzoeker gestelde inkomstenderving aldus dat deze zou zijn ontstaan doordat verzoeker vanwege zijn strafvervolging bepaalde functies en werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Dergelijke inkomstenderving komt echter niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.
11.
Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.
12.
Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat het openbaar ministerie uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de feiten waarvan verzoeker verdacht werd. Dat onderzoek heeft geleid tot een omvangrijk dossier waarvan een groot deel bestond uit telefoontaps. Vervolgens zijn in het kader van de behandeling bij de rechtbank meerdere getuigen gehoord ten overstaan van de rechter-commissaris. Nadat verzoeker door de rechtbank is vrijgesproken, is het openbaar ministerie in hoger beroep gegaan. Ook in hoger beroep is nader onderzoek verricht in de vorm van het horen van een getuige.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie grote inspanningen gerechtvaardigd achtte, hetgeen niet alleen volgt uit de omvang van het verrichte onderzoek maar bijvoorbeeld ook uit het feit dat het openbaar ministerie zich in eerste aanleg heeft laten vertegenwoordigen door twee officieren van justitie.
De verdediging heeft op het op haar beurt gerechtvaardigd geacht alle beschikbare telefoontaps uit te luisteren, nu slechts een selectie daarvan door het openbaar ministerie was uitgewerkt en die selectie een belangrijk onderdeel vormde van de door het openbaar ministerie aan de rechtbank en het gerechtshof voorgelegde bewijsconstructie. Voorts heeft de verdediging er voor gekozen om alle getuigenverhoren bij te wonen en sommige taken met twee advocaten te verrichten.
Het hof acht de door de verdediging verrichte extra werkzaamheden - die normaal gesproken alleen of in zijn geheel niet worden uitgevoerd - in een bijzondere zaak als de strafzaak waarin verzoeker verdachte was niet van dien aard dat deze als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de persoonlijke en maatschappelijke impact van onderhavige zaak voor verzoeker, alsmede het gewicht en de aandacht die het openbaar ministerie daaraan heeft gegeven. Bovendien is door zowel de verdediging als het openbaar ministerie veel tijd gestoken in het verkrijgen van duidelijkheid over de feitelijke toedracht, welke feitelijke toedracht blijkens het arrest van het hof cruciaal is gebleken. Dergelijk feitenonderzoek vergt doorgaans veel tijd. Zeker wanneer na dat feitenonderzoek slechts kan worden vastgesteld dat daarover onvoldoende helderheid bestaat, zoals het hof in deze zaak in het arrest van 13 juni 2013 heeft overwogen.
De verdediging heeft al met al net als het openbaar ministerie gekozen voor een arbeidsintensieve en daarmee kostbare aanpak. Gegeven het bijzondere karakter van de zaak, de opstelling van het openbaar ministerie daarin, de uitkomst van de zaak alsmede de autonomie die de verdediging tot op zekere hoogte toekomt, ziet het hof in casu echter geen aanleiding om de verdediging achteraf in de door haar gemaakte keuzes te beperken door matiging van de verzochte kosten.
13.
Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand een bedrag toekennen ter hoogte van het in dat verband verzochte bedrag van € 235.074,90 (inclusief BTW).
14.
Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,00 (inclusief BTW). Het hof ziet geen reden om van de landelijke aanbeveling af te wijken.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 235.898,10 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v. [begunstigde].
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. M. Otte, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2014.
Uitspraak 13‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Bevestiging vrijspraak meineed oud-rechter
Partij(en)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004971-12
Uitspraak d.d.: 13 juni 2013
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 november 2012 in de strafzaak tegen
[Verdachte]
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld voor wat betreft de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.W.J. Kerckhoffs, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Omdat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen, zal het hof – met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, nu de benadeelde partijen zich niet in hoger beroep hebben gevoegd, en voorts voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - het bestreden vonnis bevestigen. De aan die beslissing ten grondslag gelegde motivering is evenwel niet in al haar onderdelen juist. Daarom zal het hof de motivering van de rechtbank terzijde stellen. In plaats daarvan overweegt het hof als volgt.
Motivering van de vrijspraak
Het hof verwijst voor een beschrijving van de achtergrond van deze zaak alsmede voor een weergave van ter zake doende feiten en omstandigheden naar het vonnis van de rechtbank. Na vonniswijzing door de rechtbank is – voor zover voor de beoordeling van de bewijsvraag van belang - aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van verhoor van de raadsheer-commissaris van 23 mei 2013 inhoudende de verklaring van [getuige 1].
In de procedure in hoger beroep heeft het hof te oordelen over kort gezegd het volgende tenlastegelegde feit.
- 1.
Meineed voor wat betreft de volgende uitspraak (onder ede gedaan op 24 november 2010 nadat [verdachte] was gevraagd naar zijn privécontacten met [medeverdachte]):
‘[medeverdachte] en ik zijn altijd goede collega’s geweest, maar we hadden geen speciale vriendschap. Hij is geloof ik één of twee keer bij mij over de vloer geweest. Toen hij een nieuw huis had in Den Haag ben ik op zijn housewarming geweest. Verder gingen wij privé niet met elkaar om. We hadden zeg maar ook andere leefwerelden en netwerken.’
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van meineed dient eerst te worden vastgesteld wat de feitelijke toedracht is waarover men in de verondersteld meinedige verklaring heeft verklaard. Alleen dan kan namelijk worden gezegd dat een andersluidende verklaring in strijd met de waarheid is afgelegd. Daar waar in het civiele recht een bepaalde toedracht onder meer als vaststaand kan worden aangenomen indien daarvoor wettig bewijs is en tegenbewijs ontbreekt, dient in het strafrecht een bepaalde toedracht niet alleen wettig maar ook overtuigend te worden bewezen. Anders gezegd: om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging te hebben dat een bepaalde toedracht zich buiten redelijke twijfel heeft voorgedaan. Dat kan tot gevolg hebben dat de civiele rechter over een feitencomplex anders oordeelt dan de strafrechter.
Concreet betekent dat in onderhavige zaak dat eerst buiten redelijke twijfel als vaststaand moet kunnen worden aangenomen dat [medeverdachte] meer dan één of twee keer privé bij [verdachte] over de vloer is gekomen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Er zijn voldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat [medeverdachte] meer dan één of twee keer bij [verdachte] privé over de vloer is gekomen. Naast de verklaring van [getuige 2] (de voormalige echtgenote van [verdachte]) zijn dat de verklaring van [getuige 3] (de echtgenote van een voormalige collega van [medeverdachte] en [verdachte]) en enkele telefoontaps die steun zouden kunnen bieden aan de verklaring van [getuige 2]. Tegenover deze bewijsmiddelen staan echter de ontkennende verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] en de verklaring van [getuige 1] (de dochter van [getuige 2] en stiefdochter van [verdachte]) die een bevestiging inhoudt van die beide ontkennende verklaringen. Daarbij komt dat [getuige 2] zich in haar verklaringen niet consequent zeker heeft getoond over het aantal malen dat [verdachte] bij [medeverdachte] over de vloer zou zijn gekomen, terwijl zij in haar verklaringen ook geen onderscheid maakt tussen collegiale contacten van [verdachte] met meerdere collega’s en privé-contacten waarbij uitsluitend [medeverdachte] aanwezig was. Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] en [medeverdachte] niet gezamenlijk zitting hadden in de Haarlemse rechtbank, zodat de verklaring van [getuige 2] dat [medeverdachte] na laat geworden zittingen met [verdachte] meekwam ook niet zonder meer voor de hand ligt. Daarnaast stelt het hof vast dat [getuige 3] niet uit eigen waarneming verklaart over het aantal malen dat [medeverdachte] bij [verdachte] over de vloer zou zijn gekomen, maar slechts over sociale contacten tussen beiden in (breder) rechtbankverband. Ten slotte volgt uit het dossier dat [verdachte] en [medeverdachte] destijds werkzaam waren bij een rechtbank waarin alle leden elkaar kenden, de onderlinge verhoudingen niet alleen collegiaal, maar ook in meer of mindere mate vriendschappelijk waren en men in wisselende samenstellingen van rechters en hun partners sociale activiteiten ontplooide. Uit de verklaringen van als getuige gehoorde rechters die daar destijds werkzaam waren volgt echter niet eenduidig dat [verdachte] en [medeverdachte] daar gezamenlijk aan meededen, laat staan dat zij privé meer bij elkaar over de vloer kwamen dan de keren waarover zij hebben verklaard.
Het hof kan ten aanzien van dit tenlastegelegde feit slechts vaststellen dan dat onvoldoende helderheid bestaat over de feitelijke toedracht en meer in het bijzonder over de frequentie waarin [medeverdachte] bij [verdachte] over de vloer kwam. Het dossier biedt grond voor een alternatieve duiding van de toedracht en die duiding kan zeker niet als minder waarschijnlijk worden aangemerkt dan het door het openbaar ministerie geschetste scenario. Nu de feitelijke toedracht niet kan worden vastgesteld, kan ter zake dit feit niet tot het oordeel gekomen worden dat [verdachte] daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard, laat staan dat hij dat opzettelijk heeft gedaan. Daarom spreekt het hof [verdachte] van dit feit vrij.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep – met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en voorts voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr M. Otte, voorzitter,
mr H. Abbink en mr R.H. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,
en op 13 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.