Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.5
2.3.5 Uitoefening van de toegekende bevoegdheden 'in naam van' / Handelen 'in hoedanigheid'
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583610:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de vraag of een lasthebber in eigen naam handelt of in naam van zijn lastgever, HR 11 maart 1977, NJ 1977,521 (Stolte/Schiphoff), m.nt. GJS. Vgl. voor het procesrecht o.a. F.E. Vermeulen 2005, p. 167,l.k. en r.k. en HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 202 (Brink/ABN Amro), m.nt. H.J. Snijders.
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 11.
Denk aan een bewindvoerder, vereffenaar, executeur en curator. In het geval van de kwaliteitsrekening (art. 25 lid1 Wn en art. 19 lid 1 GDW) stelt de wet deze eis zelfs expliciet.
Zie HR 11 maart 1977, NJ 1977,521 (Stolte/Schiphoff), m.nt. GJS.
Zie voor pand o.a. Asser/Kortmann 2-1 2004, nr. 12 en 143 (p. 171); Bartels 2004, p. 165; Verdaas 2008a, nr. 347 en nr. 129 e.v. Dat de pandhouder in eigen naam handelt, volgt ook uit art. 7:19 lid 2 BW en art. 6:130 lid 2 BW. Zie voor vruchtgebruik o.a. Van Gaalen 2001, p. 219 en p. 219, nt. 92. Het volgt onder meer uit de regeling van gestanddoening van huur door de hoofdgerechtigde in art. 3:217 lid 3 t/m 5 BW en wordt bevestigd door art. 6:130 lid 2 BW.
Zie o.a. Kortmann & Faber 1996b, p. 141-142; Kortmann 1997b, p. 317; Bartels 2002, p. 588-589; Asser/Kortmann 2-1 2004, nr. 12 en 143; Bartels 2004, p. 163 e.v.; S.C.J.J. Kortmann in zijn noot (sub 3) onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 (Rabobank/Storm polder); en vgl. M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (lnv. 3, 5 en 6), p. 175. Het volgt ook uit art. 7:19 BW en art. 6:130 lid 2 BW. Volgens Kortmann is evenmin sprake van middellijke vertegenwoordiging. Zie Asser/Kortmann 2-12004, nr. 12. In de eerste helft van de vorige eeuw leefde nog de opvatting dat de beslaglegger optreedt als een vertegenwoordiger van de beslagene.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 589.
Zie r.o. 3.3, HR 8 september 2000, NJ 2000, 604 (Cento Nederland/Cento). Vgl. Rb. Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, 9 juli 2008, JOR 2009/31. Zie hierna nr. 136.
Zie r.o. 3.6.3, HR 8 september 2000, NJ 2000, 604 (Cento Nederland/Cento).
Vgl. o.a. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek3, p. 304;T.M., Parl. Gesch. Boek3, p. 468; Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3, p. 487, en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 610. Vgl. voorts Zeijlemaker 1949, p. 2 en p. 63 e.v.; Vander Ploeg 1945, nr. 147; Kleyn 2005. De bepalingen op grond waarvan de bewindvoerder bevoegd is om de rechthebbende in en buiten rechte te vertegenwoordigen geven geen regeling om trent de omvang van de aan de bewindvoerder toegekende bevoegdheden. Vgl. Kleyn 2005, p. 33; I. Jansen 1983, p. 18-19; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 567; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1166; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 436-437.
Zie over schakelbepalingen en vertegenwoordiging, Wessels & Meijer 1999.
Zie Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3, p. 485-486.
Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 567. De toevoeging dat de bewindvoerder in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende mag optreden, ontbreekt bij de andere regelingen van bewind (vgl. art. 1:441 lid 1 BW en art. 3.6.1.5 lid 1 Ontw.BW). Dit sluit echter niet uit dat de bewindvoerder ook bij deze vormen van bewind in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende kan handelen. Zie bijvoorbeeld, Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3, p. 485-486; Asser/De Boer 1 * 2010, nr. 1158; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 436-437 en nr. 436, nt. 667.
Zie o.a. Asser/Perrick 4* 2009, nr. 377 en 466. Aan art. 4:211 lid 2 BW dient geen betekenis te worden toegekend ten aanzien van de omvang van de bevoegdheden van de vereffenaar. Zie W.R. Meijer 2005, nr. 73.8; en Asser/Perrick 4* 2009, nr. 466.
Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 466,516, 520 en 524; vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 304. Art. 4:145 lid 2 BW heeft geen betrekking op de omvang van aan hem toegekende bevoegdheden. Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 353a. B.M.E.M. Schols 2007 verdedigt (m.i. ten onrechte) dat de executeur in naam van de erflater optreedt. Hoewel de executeur in het belang handelt van de overleden erflater, volgt daaruit niet dat de executeur ook in diens naam handelt. Het verdient bovendien niet de voorkeur om een overledene aan rechtshandelingen te binden (vgl. art. 3:77 BW).
Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 436, nt. 667.
Zie uitgebreid Kortmann & Faber 1996b met verdere literatuurverwijzingen. Zie voorts Asser 1996; Kortmann 1997b; Asser/Kortmann 2-1 2004, nr. 12; en De Boer 2004. Zie voor een overzicht van de verschillende opvatting hieromtrent, Verstijlen 1998, p. 87 e.v. Ten aanzien van het instellen van een Peeters/Gatzen-vordering wordt hetzelfde aangenomen. De curator treedt in eigen naam en in hoedanigheid op en handelt in het belang van de gezamenlijke schuldeisers.
Zie Kortmann 1997b, p. 317, nt. 6.
Voor de vraag in wiens naam de lasthebber de rechtshandelingen verricht, is zijn handelen bepalend, niet zijn verplichting daartoe. Zie M.v.T., Parl. Gesch. Boek 7, p. 355.
Onmiddellijke vertegenwoordiging komt voorts voor bij het bestuur van rechtspersonen (zie art. 2:45 lid 1 BW, art. 2:130 lid 1 BW, art. 2:240 lid 1 BW en art. 2:292 lid 1 BW); de vereffening van rechtspersonen (art. 2:23a lid 1 BW, en vgl. Asser/Maeijer 2-II 1997, nr. 165); en zaakwaarneming (art. 6:201 BW). De zaakwaarnemer is ook bevoegd om in eigen naam rechtshandelingen te verrichten ten behoeve van de belanghebbende. Zie o.a. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 406; en Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 127. De belanghebbende is alsdan gehouden om de kosten te vergoeden van een door de zaakwaarnemer aangegane overeenkomst (art. 6:200 lid 1 BW).Art. 7:424 BW is van overeenkomstige toepassing. Zie Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 127-128. Art. 3:110 BW is rechtstreeks van toepassing.
Zie hiervóór nr. 28 en 31.
56. De systematische analyse dient ook als doel om een inzicht te verkrijgen in de mechanismen en de rechtsgevolgen van het uitoefenen van andermans recht. Daarvoor is van belang of de derde de aan hem toegekende bevoegdheden in eigen naam of in naam van de rechthebbende uitoefent. Handelt de derde in naam van de rechthebbende, dan is sprake van onmiddellijke vertegenwoordiging.1 Of de derde in eigen naam of in andermans naam handelt, is met name van belang bij het verkrijgen van goederen en het aangaan van overeenkomsten. Degene in wiens naam de overeenkomst is aangegaan, wordt daarbij de partij. Degene in wiens naam een goed is ontvangen, wordt daarvan in beginsel de rechthebbende. Bij de uitoefening van andermans recht is het onderscheid minder van belang. De derde die in eigen naam andermans vordering int of andermans goed overdraagt, bewerkstelligt daardoor dezelfde rechtsgevolgen als wanneer hij in naam van de rechthebbende zou hebben gehandeld.
Als een persoon niet voor eigen rekening of niet in eigen belang rechtshandelingen verricht, maar voor andermans rekening en in andermans belang, handelt hij 'in hoedanigheid' (in een bepaalde kwaliteit, 'qualitate qua', 'q.q.'). Dit zal veelal aan derden kenbaar worden gemaakt. Voor het handelen in hoedanigheid is niet vereist dat de partij de naam noemt van de persoon voor wiens rekening hij handelt.2
Handelt een persoon in andermans naam, dan is voor derden altijd kenbaar dat hij in hoedanigheid handelt (bevoegd of onbevoegd). Een eis van onmiddellijke vertegenwoordiging is immers dat kenbaar is dat de vertegenwoordiger als zodanig handelt.3 De vraag of een persoon in hoedanigheid handelt, speelt derhalve met name in de gevallen waarin een persoon in eigen naam handelt. De persoon die op grond van een aanstelling of functie bevoegd is ten aanzien van andermans goed, zal meestal naar derden toe kenbaar maken dat hij ten behoeve van en/of voor rekening van een ander handelt.4 Als een derde in eigen naam voor andermans rekening of in andermans belang handelt, maar naar derden toe verborgen houdt dat hij voor andermans rekening of in andermans belang handelt, kan de wederpartij menen dat hij voor zich ('pro se'; voor eigen rekening en in eigen belang) handelt.5
In de parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt niet altijd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het handelen in andermans naam en het handelen in eigen naam. Als een persoon in eigen naam handelt, en daarbij kenbaar maakt dat hij in andermans belang handelt en de naam van de belanghebbende(n) noemt, wordt veelal aangenomen dat de derde in naam van degene(n) ten behoeve van wie hij handelt, dus als onmiddellijke vertegenwoordiger optreedt.6 Een dergelijke gelijkstelling is niet zonder meer juist. Een lasthebber kan bijvoorbeeld in eigen naam een overeenkomst aangaan en daarbij aangeven dat hij dat in het belang van en voor rekening van de lastgever doet. In dat geval handelt hij in beginsel toch echt in eigen naam.7
57. Hieronder wordt per rechtsfiguur nagegaan op de bevoegde derde in eigen naam handelt of in naam van de rechthebbende.
De pandhouder en de vruchtgebruiker oefenen als beperkt gerechtigden hun bevoegdheden in eigen naam uit.8 Ook de beslaglegger handelt in eigen naam.9
De (beheersbevoegde) deelgenoot die zelfstandig of met uitsluiting van andere deelgenoten bevoegd is, kan dit doen als onmiddellijk vertegenwoordiger van de gezamenlijke deelgenoten.10 Daarnaast kan hij ook in eigen naam rechtsgevolgen voor de gemeenschap bewerkstelligen, zoals het voeren van een procedure, zolang hij maar kenbaar maakt dat hij ten behoeve van de gemeenschap handelt. Maakt hij dat niet kenbaar, dan zou bij de wederpartij de indruk kunnen ontstaan dat de deelgenoot 'pro se' optreedt en dat hij alleen rechtsgevolgen ten aanzien van zijn aandeel wil bewerkstelligen.11 Ook kan aan een persoon als deelgenoot worden betaald, ook als de deelgenoot daarbij niet optreedt als onmiddellijke vertegenwoordiger van de gemeenschap.12 In de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt dat als rechtshandelingen zoals de stuiting der verjaring en een ingebrekestelling of de inontvangstneming van een betaling rechtsgevolgen willen hebben voor de gemeenschappelijke deelgenoten, de handelende deelgenoot in hoedanigheid en meer in het bijzonder in naam van de overige deelgenoten dient te handelen, maar dat het niet nodig is dat hij daarbij ook de namen van de andere gezamenlijke rechthebbenden noemt.13 In deze passage lijkt het handelen in eigen naam in hoedanigheid onvoldoende te zijn onderscheiden van het handelen in naam van de gemeenschap. Als een deelgenoot in eigen naam in zijn hoedanigheid van deelgenoot het gemeenschappelijke recht uitoefent, hoeft hij niet in naam van de gemeenschap te handelen. Hij dient alleen kenbaar te maken dat hij ten behoeve van de gemeenschap optreedt. Gaat een deelgenoot in eigen naam bevoegd een overeenkomst aan ten behoeve van de gemeenschap, dan worden de overige deelgenoten daardoor niet gebonden. Zij zijn op grond van art. 3:172 BW wel gehouden om bij te dragen tot de uitgaven die voortvloeien uit de overeenkomst die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap is verricht.14
De bewindvoerder handelt in beginsel in naam van de rechthebbende van het goed dat onder bewind is gesteld (art. 1:441 lid 1 BW, art. 3.6.1.5 lid 1 Ontw.BW en art. 4:172 lid 1 BW).15 De bepalingen van titel3.3 BW (volmacht) zijn van overeenkomstige toepassing (art. 1:442 lid 1 BW, art. 3.6.1.5a Ontw.BW en art. 4:172 lid 2 BW).16 In de parlementaire geschiedenis bij het bewind is opgemerkt dat de bewindvoerder ook in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende kan handelen. Als hij in eigen naam een koopovereenkomst aangaat ten behoeve van de rechthebbende, wordt de rechthebbende door de overeenkomst niet gebonden. In hun onderlinge verhouding draagt de rechthebbende wel bij in de kosten van de overeenkomst (de koopsom); en houdt de bewindvoerder bij de verkrijging van de gekochte zaak deze krachtens art. 3:110 BW direct voor de rechthebbende.17 Dat de bewindvoerder ook in eigen naam kan handelen volgt voor testamentair bewind ook uit art. 4:172 BW, dat bepaalt dat de bewindvoerder die, anders dan in de vorm van medewerking of toestemming, zijn taak uitoefent, bevoegd is de rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden.18
De rekeninghouder van een kwaliteitsrekening oefent de bevoegdheden in eigen naam en in hoedanigheid uit. Dit laatste volgt uit art. 25 lid 1 Wn dat als eis stelt dat de rekeninghouder bij het openen van de kwaliteitsrekening aangeeft dat hij de rekening in hoedanigheid opent.
De vereffenaar van een nalatenschap vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:211 lid 2 BW).19 Ook de executeur vertegenwoordigt gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:145 lid 2 BW).20 Goed verdedigbaar is dat ook de executeur en de vereffenaar, net als de bewindvoerder, de keuze hebben tussen middellijke of onmiddellijke vertegenwoordiging.21
De curator handelt krachtens aan hem op grond van de wet toegekende bevoegdheden in eigen naam en in hoedanigheid. Hij vertegenwoordigt noch de gefailleerde, noch de gezamenlijke schuldeisers.22 Dit uitgangspunt verdient nuancering bij het aangaan van overeenkomsten, in zoverre dat de rechten en de goederen die uit dien hoofde worden verkregen in het afgescheiden vermogen van de schuldenaar vallen,23 hetgeen veronderstelt dat de gefailleerde de partij bij de overeenkomst wordt. Van een handelen in eigen naam door de curator in zuivere zin is in deze gevallen geen sprake. In de (met name oudere) literatuur is het standpunt verdedigd dat de curator de gefailleerde vertegenwoordigt dan wel de gezamenlijke schuldeisers. Dat de curator ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers handelt en dat kenbaar maakt, wil echter niet zeggen dat hij ook in hun naam handelt. De curator oefent evenmin hun verhaalsrechten uit: hij heeft eigen bevoegdheden tot vereffening en verdeling op grond van de Faillissementswet. Hij handelt daarbij echter niet krachtens eigen recht, zoals een beperkt gerechtigde.
58. Bij lastgeving kunnen de lastgever en de lasthebber overeenkomen dat de lasthebber verplicht is om te handelen in eigen naam of in naam van de lastgever (art. 7:414 lid 2 BW).24 Verplicht de lastgeving de lasthebber om te handelen in naam van de lastgever, dan veronderstelt de lastgeving tevens een volmacht (art. 3:60 BW);25 verplicht de lastgeving de lasthebber om te handelen in eigen naam, dan volgt de toekenning van de bevoegdheden uit de lastgeving zelf.26
De stille cedent oefent zijn bevoegdheden als lasthebber uit in eigennaam. Anders dan de meeste hiervoor genoemde derden, zal hij aan de schuldenaar niet kenbaar maken dat hij voor rekening van en in het belang van de stille cessionaris handelt.