Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/18.2:18.2 Inhoudelijke opzet deel III
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/18.2
18.2 Inhoudelijke opzet deel III
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298034:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
795. In deel I van dit boek heb ik, vanuit het uitgangspunt dat het vermogensrecht als doel heeft om de maatschappelijke welvaart te maximaliseren, geprobeerd een verklaring te vinden voor het automatisch aan vullen van subjectieve rechten. Daarvoor heb ik een aantal stappen gezet. Om te weten waarom het (automatisch) aanvullen van subjectieve rechten de maatschappelijke welvaart verhoogt (zie hoofdstuk 7), is het nodig om te weten hoe subjectieve rechten worden aangevuld (zie hoofdstuk 6). En om te weten hoe subjectieve rechten kunnen worden aangevuld, is het eerst nodig om eerst te weten hoe ze worden opgebouwd (zie hoofdstuk 5). Het opbouwen van subjectieve rechten is het gevolg van het bestaan van transactiekosten. Het recht zorgt ervoor dat dingen die gemiddeld geno men samen meer nut opleveren dan apart, bij elkaar gebundeld worden, zodat mensen niet steeds kosten hoeven te maken om ze te combineren (zie hoofdstuk 4). Subjectieve rechten bestaan uit juridische posities die we ten opzichte van elkaar innemen en die bepalen wat we in onze onderlinge verhouding mogen en kunnen (zie hoofdstuk 3). Het bij elkaar voegen van deze juridische posities (en de schaarse middelen waar zij op zien) verloopt via een min of meer vast stappenschema (zie randnummer 215). Daarin worden schaarse middelen samengevoegd tot rechtsobjecten en juridische posities samengevoegd tot subjectieve rechten. Aan de subjectieve rechten die op deze manier ontstaan, kunnen extra juridische posities worden toe gevoegd, zodat die er onderdeel van gaan uitmaken (zie paragraaf 6.2). Voor juridische posities die géén onderdeel kunnen worden van een subjectief recht, maar daar toch sterke samenhang mee vertonen, is een juridische truc nodig om de twee bij elkaar te houden. Als de overheid het wenselijk vindt dat iemand die een specifiek subjectief recht heeft daar bepaalde aanspraken bij verkrijgt, dan is het mogelijk om deze aanspraken direct toe te delen aan eenieder die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van dat specifieke subjectieve recht (zie paragraaf 7.5.3). In dat geval wordt de markt overgeslagen. Het is ook mogelijk dat de overheid de trans actiekosten verlaagt voor partijen in de markt om hun juridische posities uit te wisselen op een manier waarop juridische posities die gezamenlijk meer nut opleveren dan apart, bij elkaar gehouden worden. In dat geval bepaalt de overheid dat deze juridische posities automatisch bij elkaar gehou den worden (zie paragraaf 7.5.4). Het bijzondere aan zulke regels voor het automatisch aanvullen van subjectieve rechten is dat het de overheid is die deze regels oplegt, maar dat deze regels enkel werken wanneer alle betrokken partijen met deze regels akkoord (zouden moeten) gaan. Par tijen kunnen zelf ook besluiten om subjectieve rechten aan te vullen (zie paragraaf 7.5.5). Omdat zij er zeker van zijn dat alle bij de transactie betrok ken partijen met de transactie akkoord gaan, hebben zij daarbij meer vrijheid dan de overheid (die alleen kan overgaan tot het opleggen van regels voor het automatisch aanvullen van subjectieve rechten indien zeker is dat geen van de bij een dergelijke transactie betrokken partijen daardoor benadeeld wordt). De conclusie van deel I is dat alle manieren om subjectieve rechten aan te vullen er op hun eigen manier voor (proberen te) zorgen dat de maat schappelijke welvaart wordt verhoogd.
796. In deel II van dit boek heb ik gekeken naar de juridische regels die in het Nederlandse vermogensrecht gelden voor het aanvullen van subjectieve rechten. Daarbij heb ik dezelfde volgorde aangehouden die ik in deel I hanteerde bij het bespreken van de wijzen waarop subjectieve rechten kunnen worden opgebouwd en aangevuld. Dat betekent dat ik eerst heb gekeken naar het opbouwen en aanvullen van rechtsobjecten met extra schaarse middelen, hetgeen in het Nederlandse recht plaatsvindt door bestanddeelvorming (hoofdstuk 11). Vervolgens heb ik gekeken naar het opbouwen van subjectieve rechten met (extra) juridische posities die er onderdeel van worden, omdat de overheid dat bepaalt of omdat partijen dat afspreken (hoofdstuk 12). De overheid kan ook bepalen dat juridische posities die géén onderdeel worden van een subjectief recht, toch aan de subjectief gerechtigde toekomen door het subjectieve recht met deze juridische posities aan te vullen; dit gebeurt vooral door die partij een wilsrecht toe te kennen (hoofdstuk 13). Het opleggen door de overheid van het ‘automatisch’ aanvullen van subjectieve rechten met door partijen verschafte aanspraken gebeurt in het Nederlandse vermogensrecht door deze aanspraken als afhankelijke rechten (hoofdstuk 14), kwalitatieve rechten (hoofdstuk 15) of nevenrechten (hoofdstuk 16) aan te duiden. Als voorbeeld van het aanvullen van subjectieve rechten door partijen zelf, zonder dat de overheid daarbij betrokken is, heb ik aandacht besteed aan de mogelijkheid om garanties te verstrekken aan kwalitatief omschreven partijen (hoofdstuk 17).
797. In deel III bekijk ik in hoeverre het Nederlandse vermogensrecht uit deel II overeenstemt met wat men op basis van de uitgangspunten uit deel I zou verwachten. Ik wil de lezer daarbij van twee dingen overtuigen. Het eerste is dat het Nederlandse vermogensrecht prima in staat is om aan de uitgangspunten uit deel I te voldoen. Het tweede is dat de wijze waarop aan het Nederlandse vermogensrecht invulling wordt gegeven, er echter regelmatig voor zorgt dat geen recht wordt gedaan aan de uitgangspunten uit deel I. Elk van deze stellingen bespreek ik in een apart hoofdstuk. Daarna bespreek ik, in een afzonderlijk hoofdstuk, de implicaties die uit deze stellingen volgen.
798. In hoofdstuk 19 maak ik een vergelijking tussen de uitgangspunten die uit deel I voortvloeien en de mechanismen die in het Nederlandse vermogensrecht bestaan om subjectieve rechten op te bouwen en aan te vullen. De conclusie van deze vergelijking is dat het Nederlandse vermogensrecht (in theorie) prima kan voldoen aan de uitgangspunten uit deel I. Om dat te laten zien vat ik eerst de uitgangspunten samen die bij elkaar de rode draad van het theoretisch kader in deel I vormen. Vervolgens bekijk ik in hoe verre de mechanismen die in het Nederlandse vermogensrecht bestaan om subjectieve rechten op te bouwen en aan te vullen, al dan niet aan deze uitgangspunten voldoen. Deze evaluatie is vooral gericht op de functie van de verschillende figuren in het wettelijk systeem en is daarmee voor namelijk theoretisch van aard. Zo ga ik niet diepgaand in op specifieke juri dische regels die aan de verschillende mechanismen invulling geven, maar bekijk ik op een meer abstract niveau of er mechanismen bestaan die de functie vervullen die nodig is om aan de uitgangspunten uit deel I te voldoen. In plaats van bijvoorbeeld te kijken naar de specifieke invul ling die aan de regelingen voor afhankelijke rechten, kwalitatieve rechten of nevenrechten wordt gegeven, bekijk ik of – en in welke mate – deze regelingen het mogelijk maken om subjectieve rechten (automatisch) aan te vullen. Daarbij ga ik nog even voorbij aan de vraag of deze regelingen ook daadwerkelijk worden uitgelegd op een wijze die aansluit bij de uitgangspunten uit deel I.
799. In hoofdstuk 20 ga ik nader in op de vraag of de invulling, die in de Nederlandse doctrine wordt gegeven aan de verschillende juridische regelingen die ik in deel II besprak, overeenstemt met de uitgangspunten uit deel I. De conclusie van dit hoofdstuk is dat zulke overeenstemming zeker niet altijd bestaat. Om dat te laten zien presenteer ik een kort stap penplan om te bepalen hoe bepaalde aanspraken, waarvan in de literatuur wel wordt gesuggereerd dat ze ‘mee overgaan’ met een subjectief recht, moeten worden begrepen. Aan de hand van dit stappenplan laat ik zien dat de wijze waarop in de literatuur over zulke aanspraken wordt gesproken, niet altijd juist is. Voorbeelden die al in hoofdstuk 17 aan de orde kwamen zijn rechten uit bankgarantie en 403-verklaring. Het onjuist kwalificeren van deze aanspraken heeft praktische consequenties voor de manier waarop ze dienen te worden vormgegeven en voor de vraag of in een juridisch geschil kan worden betoogd dat ze al dan niet mee over zijn gegaan. Om de praktijk nog iets meer van dienst te zijn, heb ik het stappenplan zo opgesteld dat de lezer ook van nieuwe en/of niet in dit boek besproken aanspraken kan beoordelen hoe ze in het vermogensrechtelijk systeem passen en of ze mee overgaan met een subjectief recht.
800. In hoofdstuk 21 bespreek ik de implicaties van de overeenkomsten en verschillen tussen de uitgangspunten die voortvloeien uit deel I en de regelingen in het Nederlandse vermogensrecht die ik besprak in deel II. Dit hoofdstuk dient tevens als slotconclusie.