Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.3.3.2
4.3.3.2 Consumentenrecht
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS303404:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 26 oktober 2006, C-168/05, Jur. 2006, p. I-10421 (Mostaza Claro), pt. 35.
HvJ EU 26 oktober 2006, C-168/05, Jur. 2006, p. I-10421 (Mostaza Claro), pt. 38.
HvJ EU 6 oktober 2009, C-40/08 (Asturcom), Jur. 2009, p. I-9579 pt. 52.
Vgl. Verhoeven 2010, p. 85.
Verhoeven 2010, p. 86, die daarbij nog aantekent dat hiermee de consument wordt benadeeld die zijn schuld voldoet en het niet laat aankomen op een executiegeschil. Dat is juist, maar geldt in elke consumentenzaak waar de rechter bevoegd/verplicht is om tot ambtshalve toetsing of toepassing over te gaan.
In Nederland is het een ontbindingsrecht, zonder opgave van redenen: artikel 25 Colportagewet.
Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, Pb L 372 (31 december 1985), p. 31-33.
Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/ EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, Pb L 304 (22 november 2011), p. 64-88.
Vgl. HvJ EU 17 december 2009, C-227/08, Jur. 2009, p. I-11939 (Martin Martin), pt. 20-27.
HvJ EU 17 december 2009, C-227/08, Jur. 2009, p. I-11939 (Martin Martin), pt. 28.
158.
In de reeds besproken consumentenzaken nam het HvJ EU een zelfstandige plicht (en soms bevoegdheid) aan tot ambtshalve toepassing, zonder dat het daarvoor direct naar het nationale procesrecht keek. De zaken-MostazaClaro, -Asturcom en -Martín Martín vormen daarop een uitzondering, althans in die zin dat daarin een verwijzing naar het ‘openbaar belang’ volgde. Mostaza Claro en Asturcom hangen in zekere zin samen, omdat het in beide gevallen de Richtlijn oneerlijke bedingen betrof en het bovendien in beide gevallen om een beoordeling van een arbitraal vonnis ging.
159.
Mevrouw Mostaza Claro was bij arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling van een geldbedrag, omdat zij een uit een overeenkomst voor mobiele telefoniediensten voortvloeiende minimumabonnementsperiode niet in acht had genomen. Gedurende de arbitrageprocedure had mevrouw Mostaza Claro telkens inhoudelijk verweer gevoerd. Na het veroordelend arbitraal vonnis beriep zij zich voor het eerst op de oneerlijkheid van het in de overeenkomst opgenomen arbitragebeding en vorderde de vernietiging van het arbitraal vonnis voor een Spaanse overheidsrechter. Dat beroep op de oneerlijkheid van het arbitragebeding had mevrouw Mostaza Claro volgens de Spaanse arbitragewet echter te laat gevoerd.
Net als in Océano verwees het HvJ EU naar de doelstelling van de Richtlijn oneerlijke bedingen en oordeelde dat het doel – oneerlijke bedingen binden de consument niet – mogelijkerwijs niet kan worden bereikt wanneer de consument zich zelf op de oneerlijkheid van een beding dient te beroepen. Waar dat in Océano en de andere besproken consumentenzaken reeds leidde tot de aanvaarding van een bevoegdheid en/of plicht tot ambtshalve ingrijpen door de rechter, was dat in Mostaza Claro anders. Daar verwees het HvJ EU eerst naar Eco Swiss:
“Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld, dat wanneer een nationale rechter volgens de regels van zijn nationale procesrecht een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van strijd met nationale regels van openbare orde moet toewijzen, hij dat ook moet doen ingeval een dergelijke vordering is gebaseerd op schending van soortgelijke communautaire regels (zie in die zin arrest Eco Swiss, (…) punt 37).”1
Om vervolgens tot de slotsom te komen:
“De aard en het gewicht van het openbare belang, waarop de door de richtlijn aan de consument verschafte bescherming berust, rechtvaardigen bovendien dat de nationale rechter ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is en aldus het tussen de consument en verkoper bestaande gebrek aan evenwicht dient te compenseren.”2
Waar in de zaken-Océano en -Cofidis de plicht tot ambtshalve ingrijpen kennelijk een zelfstandige grondslag had, haakte het HvJ EU in de zaak-Mostaza Claro aan bij het gelijkwaardigheidsbeginsel en de rol van de openbare orde in de vernietigingsprocedure. De uitkomst werd ingegeven door het begrippenpaar ‘openbaar belang’. Wat is dat precies? Kennelijk iets dat in meerdere gedaanten en gradaties kan bestaan, gegeven de verwijzing naar de “aard en het gewicht” van dit openbare belang.
160.
Na Mostaza Claro volgden uitspraken in de zaken-Rampion en -Pannon. Het ging in die zaken ook om consumentengeschillen en in Pannon zelfs om een geschil dat ook onder de reikwijdte van de Richtlijn oneerlijke bedingen viel. In die zaken werd echter niet verwezen naar het ‘openbaar belang’. In de Asturcom-zaak, waar een exequatur was verzocht voor een arbitraal vonnis, volgde echter wederom een verwijzing naar het openbaar belang:
“Gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, dient derhalve te worden vastgesteld dat artikel 6 van deze richtlijn moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden.”3
In twee zaken waarin een arbitraal vonnis centraal stond, verwijst het HvJ EU dus naar het aan de Richtlijn verbonden ‘openbaar belang’ als ratio voor het ambtshalve ingrijpen. Wanneer een nationale rechter tot een dergelijk ingrijpen bevoegd is op grond van de in het geding zijnde openbare orde, is hij tot een dergelijk ingrijpen verplicht wanneer het de Richtlijn oneerlijke bedingen betreft. In deze zaken kan dus wederom een uitwerking worden waargenomen van het op het beginsel van loyale samenwerking steunende principe dat een nationale bevoegdheid onder invloed van het EU-recht verandert in een verplichting.4 Met de zaak-Asturcom is de reikwijdte van de plicht tot ambtshalve ingrijpen in consumentenzaken wederom uitgebreid. Die plicht tot ambtshalve toetsing geldt dus evenzeer in een executiegeschil.5
161.
Toch is een verwijzing naar het openbaar belang niet exclusief voorbehouden aan consumentenzaken waarin een arbitraal vonnis ter beoordeling voorligt, zo blijkt uit Martín Martín. In die zaak diende het HvJ EU zich uit te spreken over de vraag of de nationale rechter een buiten verkoopruimte gesloten overeenkomst ambtshalve nietig kan verklaren, omdat de consument niet is medegedeeld dat hij binnen zeven dagen na het sluiten van de overeenkomst het recht heeft om de overeenkomst zonder opgave van redenen op te zeggen.6 Dit recht werd de consument toebedeeld door artikel 5 jo. artikel 4 van de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten.7 Inmiddels wordt dit aspect geregeld door de artikelen 7 en 9 van de Richtlijn consumentenrechten.8
Het HvJ EU begon met het memoreren van het arrest-Van Schijndel. Ambtshalve optreden van de nationale rechter behoeft niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd plaats te vinden, behalve wanneer het openbaar belang zulks vereist. Het aan de orde zijnde deel van de Richtlijn is op een dergelijk openbaar belang gebaseerd, aldus het HvJ EU. De Richtlijn beoogt de consument te beschermen tegen de specifieke, aan buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten verbonden risico’s. Bij het afsluiten van dat type overeenkomsten bevindt de verkoper zich in een sterkere positie, omdat hij het initiatief tot het aangaan van de overeenkomst neemt, terwijl de consument niet de kans heeft gehad om zich te oriënteren op de prijs en de kwaliteit van concurrerende producten. Dit gebrek aan evenwicht beoogt de Richtlijn te herstellen door het opzeggingsrecht. Hiermee wordt voor de consument het belangrijkste nadeel weggenomen, namelijk dat hij zich niet heeft kunnen verdiepen in de prijs-kwaliteitverhouding van het product. Om de effectiviteit van het recht te waarborgen, dient de verkoper de consument in te lichten over het opzeggingsrecht. Pas op dat moment neemt de termijn van zeven dagen een aanvang. De informatieplicht is dus essentieel voor het nuttig effect van de aan de consument toebedeelde bescherming.9 Het HvJ EU stelde daarover het volgende:
“Deze bepaling raakt bijgevolg het openbaar belang dat kan rechtvaardigen dat de nationale rechter actief ingrijpt in de zin van de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak om het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de handelaar in het kader van buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten te compenseren.”10
Om de effectiviteit van de bescherming te garanderen, kan een beroep op schending van de informatieplicht niet aan de consument worden overgelaten. Immers, deze plicht is er nu juist om de consument te informeren over zijn recht. Als de consument bij verzuim van de verkoper om hem te informeren zelf deze schending van de informatieplicht naar voren moet brengen, wordt de bescherming op voorhand illusoir. De rechter kan deze schending dan ook ambtshalve vaststellen.
162.
Is openbaar belang hetzelfde als openbare orde? Om wat voor een soort openbare orde gaat het dan eigenlijk? Vormt het openbaar belang de grondslag voor de aanvaarding van de bevoegdheid en/of plicht tot ambtshalve ingrijpen door de nationale rechter met het oog op bescherming van de consument? Deze en andere vragen zullen voornamelijk in hoofdstuk acht worden besproken. Uit de in de volgende paragraaf te bespreken Pénzügyi-zaak zal blijken dat de openbare orde niet het beslissende criterium is voor de vraag of de rechter buiten de rechtsstrijd of zelfs buiten het dossier moet treden teneinde de consument te beschermen. Hiervoor vindt het HvJ EU wederom een zelfstandige grondslag in de effectieve bescherming van de consument.