Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/9.3:9.3 Wijziging van omstandigheden
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/9.3
9.3 Wijziging van omstandigheden
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692087:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1952, ECLI:NL:HR:1952:AG1997, NJ 1953/642, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Voorste Stroom VII).
HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4691, NJ 1984/272, m.nt. W.C.L. van der Grinten.
HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4744, NJ 1984/802, m.nt. C.J.H. Brunner onder HR 27 januari 1984, NJ 1984/803.
Vgl. T.E. Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad, Rechtsvorderingen, aant. II.2.1.3.13.
Van Nispen 1978/254.
Van Nispen 1978/256. Ik ga in paragraaf 11.8 nader hierop in.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
537. Indien niet in de rechterlijke uitspraak een bepaalde termijn wordt opgenomen voor de werking van het verbod of bevel, of uit de aard van de veroordeling volgt dat die is uitgewerkt na uitvoering ervan, kan een wijziging van omstandigheden of het ontstaan van een rechtvaardigingsgrond leiden tot het vervallen van dat bevel. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het verbod of bevel in een dergelijk geval automatisch zal vervallen en dat, indien daarover verschil van mening tussen de betrokkenen ontstaat, een executiegeschil uitkomst moet bieden. In een arrest van 19 december 1952 overwoog de Hoge Raad in dit verband dat ervan uitgegaan moet worden dat een verbod vervalt wanneer na het vonnis een rechtvaardigingsgrond ontstaat waardoor de onrechtmatigheid van de bestreden handelingen vervalt.1 Ook in latere jurisprudentie heeft de Hoge Raad benadrukt dat een rechterlijk verbod wordt gegeven onder de veronderstelling dat de voor het geven van het verbod essentiële voorwaarden blijven bestaan. Wanneer die voorwaarden veranderen heeft dat invloed op de werking van het bevel of verbod. Een discussie daarover zal volgens de Hoge Raad in een executiegeschil moeten worden beslecht.2 In een arrest van 27 januari 1984, dat betrekking had op onrechtmatige publicaties, herhaalde de Hoge Raad dat de omstandigheden waaronder een bevel of verbod is gegeven bepalend zijn voor het voortduren daarvan. Als die omstandigheden zich zodanig wijzigen dat in het licht van de uitspraak moet worden aangenomen dat van onrechtmatig handelen geen sprake meer is, moet worden aangenomen dat een uitgesproken verbod niet langer geldt. 3
538. Een wijziging van omstandigheden of het opkomen van een rechtvaardigingsgrond kan er dus toe leiden dat een rechterlijk bevel of verbod komt te vervallen. Dat gebeurt dan automatisch, dus zonder nadere tussenkomst van een rechter. Daar is wat voor te zeggen: een bevel of verbod kan alleen worden uitgesproken als zich een (dreigende) schending van een rechtsplicht voordoet. Als door een wijziging van omstandigheden die (dreigende) schending van de rechtsplicht niet langer bestaat, verliest het bevel of verbod zijn fundament en kan het niet langer voortbestaan. Als dat wel zo zou zijn, zou het bevel of verbod immers gedrag verbieden dat niet langer onrechtmatig is.
539. De partij tegen wie het bevel of verbod is uitgevaardigd en die, anders dan zijn wederpartij, van mening is dat het is vervallen neemt vanzelfsprekend wel een risico door zonder rechterlijke tussenkomst te handelen alsof het bevel of verbod is vervallen. Op hem rust bovendien de bewijslast van zijn stelling dat er sprake is van hetzij een na het vonnis opgekomen rechtvaardigingsgrond, hetzij van feiten die om andere redenen meebrengen dat het bevel of verbod is vervallen.4 Indien hij het niet bij het rechte eind heeft, of in het bewijs niet slaagt, zal hij in de regel dwangsommen verbeuren. De veroordeelde partij doet er dan ook verstandig aan een rechterlijk oordeel uit te lokken alvorens over te gaan tot het verrichten van handelingen in strijd met het bevel of verbod. Dat kan hij doen door in een bodemprocedure een verklaring voor recht te vragen met betrekking tot die handelingen, maar hij kan ook, indien er een spoedeisend belang is, in kort geding een verbod tot het treffen van executiemaatregelen op basis van de eerdere uitspraak vragen. In dat laatste geval verkrijgt hij weliswaar slechts een voorlopig oordeel, maar dat zal toch enig houvast kunnen geven.
540. Van Nispen toonde zich in zijn dissertatie optimistisch over de situatie waarin een verbod of bevel uitsluitend op rechtmatigheidsoverwegingen is gebaseerd. Volgens hem zal er in dat geval tussen partijen ‘doorgaans geen controverse bestaan’ over de vraag of het verbod vervallen is.5 In de door Van Nispen genoemde gevallen van het inbreukverbod bij een aflopend octrooi of een ontruimingsbevel tegen iemand die daarna een huurovereenkomst weet te regelen, zal die controverse inderdaad in de regel niet bestaan, maar toch alleen indien over dat achterliggende feit geen verschil van mening bestaat. Bij een in kort geding toegestane afweging van de wederzijdse belangen ligt een en ander vanzelfsprekend nog genuanceerder. Van Nispen wijst er terecht op dat in een dergelijk geval niet kan worden aangenomen dat alleen een wijziging van de feitelijke constellatie leidt tot het verval van het verbod of bevel. Het is immers onzeker hoe de rechter in die gewijzigde feitelijke constellatie over de afweging van de wederzijdse belangen zou hebben gedacht.
541. Een wijziging van omstandigheden kan er ook toe leiden dat nakoming van het bevel of verbod onmogelijk wordt. Die situatie onderscheidt zich van de situatie waarin nakoming van een rechtsplicht al onmogelijk is op het moment dat de rechter moet oordelen. Op die laatste situatie ga ik in hoofdstuk 11 in. Wanneer een bevel of verbod al is gegeven, maar uitvoering onmogelijk wordt, heeft dat vanzelfsprekend in de eerste plaats gevolgen voor de mogelijkheid tot executie van de veroordeling. Indien nakoming blijvend onmogelijk wordt, zal echter ook het verbod zelf vervallen.6 Bij een tijdelijke onmogelijkheid hoeft van het vervallen van het bevel of verbod geen sprake te zijn. Dat kan ten uitvoer worden gelegd zodra de onmogelijkheid ten einde is gekomen. Denk aan het bevel om een boom om te zagen die onrechtmatige hinder veroorzaakt: als de boom door de bliksem wordt getroffen en omvalt zal het bevel daarmee zijn werking verliezen. Maar als het omzagen van de boom door weersomstandigheden slechts tijdelijk onmogelijk is, is er geen reden om aan te nemen dat het bevel bij een weersverbetering niet gewoon ten uitvoer kan worden gebracht.
542. Indien zich de situatie voordoet dat een wijziging van omstandigheden of het opkomen van een rechtvaardigingsgrond leidt tot het vervallen van een bevel of verbod, kan zich daarna natuurlijk de situatie voordoen dat de ‘oude situatie’ weer herleeft. De omstandigheden wijzigen opnieuw of de rechtvaardigingsgrond vervalt weer, waardoor de vroegere situatie weer ontstaat waarin sprake is van schending van een rechtsplicht. Wat betekent dit dan voor het eerder gegeven bevel of verbod? Hoewel het aantrekkelijk is aan te nemen dat dit automatisch herleeft, is dat niet juist. In de hiervoor genoemde jurisprudentie is sprake van het ‘vervallen’ van een bevel of verbod. Daarmee is het ten einde gekomen. Dat kan ook moeilijk anders omdat aan de schending van de rechtsplicht een einde kwam. Een vervallen rechterlijk bevel of verbod kan niet in algemene zin zonder rechterlijke tussenkomst weer herleven. Dat zou tot een te grote mate van rechtsonzekerheid leiden ten aanzien van de vraag wanneer een verbod nu wel of niet (voort)bestaat. Dat lijkt ongunstig voor de partij die over een bevel of verbod beschikt: hij kan het wel automatisch verliezen, maar niet automatisch weer verkrijgen. Dat de soep niet zo heet gegeten wordt als hij wordt opgediend, laten de volgende voorbeelden zien.
543. Laten we als eerste voorbeeld nemen de situatie waarin een huurovereenkomst wordt ontbonden wegens een betalingsachterstand. De huurder wordt bevolen de woning te ontruimen en ontruimd te houden. Het bevel tot ontruiming is uitgewerkt na de ontruiming, maar het bevel de woning ontruimd te houden werkt nog even door. Indien de huurder en de verhuurder vervolgens aanleiding zien een nieuwe huurovereenkomst te sluiten is er evident voor de huurder een geldige grondslag om de woning weer te betreden en is het bevel om de woning ontruimd te houden daarmee vervallen. De voorwaarde waaronder de rechter het bevel heeft opgelegd bestaat immers niet langer. Als de huurder daarna een nieuwe huurachterstand laat ontstaan zal de verhuurder niet kunnen terugvallen op het eerdere ontruimingsbevel. Dat is uitgewerkt en vervallen en kan niet zomaar herleven. Voor dat herleven bestaat hier ook geen rechtvaardiging: na de ontruiming heeft zich een hele nieuwe situatie voorgedaan die volledig los staat van de situatie waarover de rechter eerder had te oordelen. De verhuurder kan zich dus niet meer beroepen op het eerdere ontruimingsbevel en als hij opnieuw ontruiming wil bewerkstelligen zal hij een nieuw ontruimingsbevel moeten verkrijgen. Deze situatie roept eigenlijk weinig vragen op.
544. Een tweede voorbeeld laat een ander beeld zien. Twee buren die in onmin leven hebben over en weer het verbod gekregen door elkaars tuin heen te lopen, op straffe van een dwangsom. Een dergelijk verbod heeft, tenzij door de rechter anders is bepaald, werking voor onbepaalde duur, maar is gebaseerd op de premisse dat de buren naast elkaar wonen. Het verbod, dat persoonsgebonden is, zal in principe ten einde komen als een van beide buren verhuist. Ook dan is dat echter afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als de verhuizing tijdelijk is, bijvoorbeeld in verband met een detachering in het buitenland, is er geen rechtvaardiging om aan te nemen dat het verbod is vervallen wanneer terugkeer naar de woning plaatsvindt. De premisse waaronder het verbod is gegeven is immers niet opgehouden te bestaan, maar slechts onderbroken. Maar als de verhuizing als definitief is bedoeld, zal het verbod wel degelijk vervallen. En in een dergelijke situatie zal een rechtvaardigingsgrond om de tuin toch te betreden (bijvoorbeeld om tijdens de vakantie van de buren een inbreker te betrappen) evenmin leiden tot het vervallen van het verbod. Die rechtvaardigingsgrond doet immers geen (blijvende) afbreuk aan de premisse waaronder de rechterlijke uitspraak is gegeven.
545. De wijziging van omstandigheden kan dus leiden tot het vervallen van een bevel en verbod. Eenmaal vervallen zal een nieuwe rechterlijke uitspraak nodig zijn om tot een nieuw bevel of verbod te komen. De drempel die dit opwerpt is echter niet onoverkomelijk omdat de vraag of een bevel of verbod is vervallen in hoge mate van feitelijke aard is. In die gevallen waarin een bevel of verbod ondanks de wijziging van omstandigheden nuttig blijft in het licht van de rechterlijke uitspraak waarin zij is neergelegd, zal in de regel moeten worden aangenomen dat het niet is vervallen, maar is blijven voortbestaan.