ABRvS, 27-10-2008, nr. 200801834/1
ECLI:NL:RVS:2008:BG7991, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
27-10-2008
- Magistraten
Mrs. H.G. Lubberdink, R. van der Spoel, B. van Wagtendonk
- Zaaknummer
200801834/1
- LJN
BG7991
- Roepnaam
Angola
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2008:BG7991, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27‑10‑2008
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8724, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 27‑10‑2008
Mrs. H.G. Lubberdink, R. van der Spoel, B. van Wagtendonk
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/45393 van de rechtbank 's‑Gravenhage van 7 februari 2008 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2002 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voor zover thans van belang, geweigerd om [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 2 september 2002 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 september 2003, verzonden op 23 september 2003, heeft de rechtbank 's‑Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 21 augustus 2006 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 22 januari 2002, geldig tot 1 januari 2004. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 februari 2008, verzonden op 14 februari 2008, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 maart 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1.
Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
Ingevolge het tweede lid vult de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden aan.
2.2.
In de grieven 1, 2 en 3 klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geschil is getreden, door te overwegen dat, zakelijk weergegeven, indien tijdig en op juiste wijze op het asielverzoek van de vreemdeling zou zijn beslist, aan haar, gelet op artikel 3.57 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar zou zijn verleend, welke steeds voor de duur van één jaar zou zijn verlengd en die, gelet op het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2003/64 (hierna: TBV 2003/64), niet kan worden ingetrokken, hetgeen betekent dat, uitgaande van de ingangsdatum van 14 juni 2001, eerst met ingang van 14 juni 2004 het niet verlengen van de verblijfsvergunning wegens de aanwezigheid van adequate opvang aan de orde zou zijn geweest, zodat het besluit om de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen voor een periode van 22 januari 2002 tot 1 januari 2004 niet in overeenstemming is met het in de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid en de minister deze afwijking van het beleid ten onrechte niet heeft gemotiveerd.
2.2.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2004 in zaak nr. 200306300/1; JV 2004/154), zijn door een bestuursorgaan vastgestelde beleidsregels geen recht in de zin van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb.
Uit de stukken, waaronder het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank, noch anderszins, kan worden afgeleid dat de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond bij de door de vreemdeling voorgedragen beroepsgrond inzake de einddatum van de haar verleende verblijfsvergunning is ingeroepen. Door de verenigbaarheid van het besluit van 21 augustus 2006 met het beleid, zoals dit is gewijzigd bij inwerkingtreding van het TBV 2003/64, ambtshalve, dat wil zeggen zonder dat partijen die verenigbaarheid aan de orde hebben gesteld, te onderzoeken, is de rechtbank buiten het geschil getreden. De grief slaagt.
2.3.
In grief 4 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de periode tussen de datum waarop voor de vreemdeling in theorie een opvangplaats beschikbaar is geweest in Angola en de datum waarop hij door middel van het besluit te kennen heeft gegeven de feitelijke terugkeer van de vreemdeling en de toegang tot een concrete opvangplaats ter hand te willen nemen, zodanig lang is, dat reeds hierom niet kan worden volgehouden dat vanaf 1 januari 2004 sprake was van adequate opvang in de zin van artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, zodat hij zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat de vreemdeling met ingang van die datum niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 in zaak nr. 200401880/1 (ter voorlichting voor partijen aangehecht) betoogt de staatssecretaris dat hij op basis van adequate informatie mag oordelen dat sprake is van adequate opvang in een bepaald land en dat niet reeds ten tijde van het besluit een concrete opvangplaats geregeld hoeft te zijn, maar dat dit geregeld moet zijn op het moment waarop de feitelijke terugkeer van een minderjarige wordt gerealiseerd, tenzij het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat aan de verplichting om een concrete opvangplaats te regelen kan worden voldaan. Dat die situatie zich na 1 januari 2004 zou hebben voorgedaan, kan, zo betoogt de staatssecretaris, in het licht van de Nederlandse betrokkenheid niet worden aangenomen. Dat er enige tijd is gelegen tussen het moment waarop adequate opvang beschikbaar moet worden geacht en het moment waarop dat ten aanzien van een bepaalde vreemdeling wordt geconstateerd, betekent dat evenmin, aldus de staatssecretaris.
2.3.1.
Ingevolge artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is voor aanwending van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), vereist dat naar het oordeel van de minister voor de alleenstaande minderjarige vreemdeling, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, ontbreekt.
In het TBV 2003/64, is, voor zover thans van belang, vermeld dat het opvanghuis Mulemba in Luanda (hierna: het tehuis) een gunstige uitzondering is op de naar lokale maatstaven gemeten slechte kwaliteit van andere opvanghuizen in Angola. In het kader van het project ‘Return and reintegration of Angolan asylum seekers from the Netherlands’ (hierna: het project) wordt via de Internationale Organisatie voor Migratie in het tehuis aan terugkerende alleenstaande minderjarige Angolezen tijdelijke opvang geboden met als doel hen zo snel mogelijk in de Angolese samenleving te integreren en definitieve opvang voor hen buiten het tehuis te regelen. Mede gelet daarop, wordt verwacht dat de doorstroming in het tehuis groot genoeg zal zijn om steeds aan terugkerende Angolese alleenstaande minderjarigen opvang te kunnen bieden. Op grond van het vorenstaande wordt in het TBV 2003/64 geconcludeerd dat in Angola voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen adequate opvang voorhanden is. Voorts is daarin vermeld dat bij de feitelijke terugkeer de toegang tot het tehuis of een andere concrete opvangplaats moet zijn geregeld.
2.3.2.
De minister heeft zich in het besluit van 21 augustus 2006 op het standpunt gesteld dat voor de vreemdeling met ingang van 1 januari 2004 adequate opvang in de vorm van het tehuis Mulemba beschikbaar is, nu niet is gebleken dat dit voor de vreemdeling niet adequaat is. De vreemdeling komt derhalve vanaf 1 januari 2004 conform het specifieke beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen niet langer in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in verband met artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, van het Vb 2000, aldus de minister.
2.3.3.
Blijkens het TBV 2003/64 heeft de staatssecretaris de verplichting op zich genomen om bij de feitelijke terugkeer de toegang tot Mulemba of een andere concrete opvangplaats te regelen. Uit het besluit van 21 augustus 2006 volgt dat de minister dit ook in zijn besluitvorming heeft betrokken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het enkele feit dat tussen de datum waarop voor de vreemdeling in theorie een opvangplaats beschikbaar is geweest in Angola en de datum waarop de minister te kennen heeft gegeven de feitelijke terugkeer van de vreemdeling en de toegang tot een concrete opvangplaats ter hand te nemen, een periode van twee en een half jaar is gelegen, niet dat het voor de minister op voorhand onmogelijk was aan voormelde verplichting te voldoen. Ook de omstandigheid dat de vreemdeling op 1 januari 2004 pas twaalf jaar oud was, kan niet tot die conclusie leiden. De grief slaagt.
2.4.
In grief 5 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister ten onrechte niet in zijn overwegingen heeft betrokken of de inmenging in het gezinsleven van de vreemdeling, gelet op artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is toegestaan, heeft miskend dat het in deze procedure over de ambtshalve beoordeling van de aanspraken van de vreemdeling in het kader van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen gaat en ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van bestaand gezinsleven in het licht van het wettelijk stelsel niet mogelijk is.
2.4.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 november 2004 in zaak nr. 200404333/1; JV 2005/13), kan een op de beperking gezinshereniging en gezinsvorming betrokken omstandigheid niet leiden tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier. Nu in deze procedure niet is gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning onder die beperking, doch aan de orde is een ambtshalve beoordeling van de aanspraken van de vreemdeling in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister terecht niet in zijn overwegingen heeft betrokken of de inmenging in het gezinsleven van de vreemdeling, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, is toegestaan. De grief slaagt.
2.5.
Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 augustus 2006 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.
2.6.
De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat zonder officiële nadere toezeggingen van de minister van Buitenlandse Zaken niet kan worden volgehouden dat het project wordt verlengd tot na 31 december 2005, zodat het maar de vraag is of voor haar adequate opvang in Angola beschikbaar is.
Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 augustus 2007 in zaak nr. 200702571/1; www.raadvanstate.nl), volgt uit een brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 25 augustus 2006 dat het project tot en met 31 december 2007 loopt. De minister heeft niet hoeven aannemen dat het ten tijde van het nemen van het besluit van 21 augustus 2006 op voorhand onmogelijk was om de vreemdeling voor 31 december 2007 in het tehuis onder te brengen en dat zij, eenmaal in het tehuis geplaatst, daar niet kon blijven.
2.7.
De vreemdeling heeft voorts in beroep aangevoerd dat in het tehuis slechts 20 bedden beschikbaar zijn, zodat het van de instroom afhangt in hoeverre er nog bedden beschikbaar zijn. Nu daarover geen duidelijkheid bestaat, kan niet worden gezegd dat adequate opvang in Angola aanwezig is.
Het in het TBV 2003/64 neergelegde beleid is, zoals de minister in het besluit van 21 augustus 2006 heeft vermeld, mede gebaseerd op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 31 oktober 2003. In dit ambtsbericht is, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, te lezen dat voor alle opvanghuizen geldt dat er een gebrek is aan middelen en ze altijd overbezet zijn, maar dat het tehuis met middelen uit Nederland is uitgebreid, zodat het beschikt over 20 extra bedden, een extra schoolgebouw, een keuken, een sportruimte en opvangmogelijkheden voor meisjes. Voorts heeft het tehuis volgens het TBV 2003/64, mede gelet op de doorstroming die de vereniging Mulemba beoogt, naar verwachting voldoende opvangcapaciteit. Gelet hierop heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het tehuis sprake is van adequate opvang en is van onduidelijkheid, als door de vreemdeling bedoeld, geen sprake. De beroepsgrond faalt.
2.8.
Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond dat de minister ten onrechte de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 22 januari 2002 heeft gesteld, komt de Afdeling niet toe. Over deze grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Het oordeel van de rechtbank dat van het besluit om eerst met ingang van 22 januari 2002 en niet met ingang van 14 juni 2001 een verblijfsvergunning te verlenen niet kan worden gezegd dat de minister hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen, staat dan ook in rechte vast.
2.9.
Gelet op het overwogene in 2.8., is het beroep van de vreemdeling gegrond en dient het besluit van 21 augustus 2006 te worden vernietigd.
2.10.
De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
- I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
- II.
vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 7 februari 2008 in zaak nr. 06/45393;
- III.
verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
- IV.
vernietigt het besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 21 augustus 2006, kenmerk 0106.13.2084;
- V.
veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. B. van Wagtendonk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink voorzitter
w.g. Zwemstra ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2008
91-473.
Verzonden: 27 oktober 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak