Het klaagschrift in die zaak is bij de rechtbank ingekomen op 25 mei 2021, derhalve voor het moment waarop vonnis is gewezen in de strafzaak tegen [betrokkene 1] op 11 juni 2021.
HR, 07-02-2023, nr. 21/05152
ECLI:NL:PHR:2023:150
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-02-2023
- Zaaknummer
21/05152
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2023:150, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:487
Conclusie 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 552.3 Sv bevoegdheid tot kennisneming van het beklag. Het oordeel van de Rb dat zij bevoegd is tot kennisneming van het klaagschrift is niet begrijpelijk in het licht van de vaststelling over de dagbepaling van het klaagschrift, maar bij vernietiging heeft de klaagster onvoldoende belang. Het oordeel van de Rb dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de klaagster als eigenaar van de in beslag genomen auto moet worden aangemerkt is evenmin onbegrijpelijk. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/05152 B
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de klaagster
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 15 oktober 2021 het beklag van de klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een onder [betrokkene 1] in beslag genomen personenauto, merk Citroën C4 Cactus, met kenteken [kenteken 1], ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en N.A. de Kock, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat zij bevoegd is tot kennisneming van het beklag.
3.2
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)
Parketnummer: 16/292158-20
Rekestnummer: 21/1947Procesgang
Het klaagschrift is gericht tegen (het voortduren van) de inbeslagneming en strekt tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten: een personenauto, merk Citroën C4 Cactus, met kenteken [kenteken 1].
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen de verdachte [betrokkene 1] (met bovenvermeld parketnummer), van voornoemd klaagschrift en van het schriftelijk advies van de officier van justitie d.d. 11 mei 2021.
Nu het beslag onder [betrokkene 1] is gelegd, moet hij als belanghebbende worden aangemerkt in de zin van artikel 552a Sv. [betrokkene 1] is op de hoogte gebracht van het onderhavige klaagschrift, de behandeling in raadkamer en is gewezen op de mogelijkheid zelf de teruggave te vragen.
De rechtbank heeft op 8 september 2021 klaagster, haar raadsvrouw, de belanghebbende [betrokkene 1] en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. De rechtbank heeft toen bepaald dat de zaak moest worden aangehouden om [betrokkene 2] (een ander broertje van klaagster) als belanghebbende te horen.
De rechtbank heeft op 1 oktober 2021 de raadsvrouw van klaagster en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Klaagster is, alhoewel daartoe geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Wel is verschenen [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 2002 en wonende te [plaats] (broertje van klaagster), die was opgeroepen als belanghebbende.
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken:
1. onder [betrokkene 1], broer van klaagster, is op 16 november 2020 op voet van artikel 94 Sv in beslag in beslag genomen:
- een personenauto, merk Citroën C4 Cactus met kenteken [kenteken 1] (beslagnr. 2691957);
2. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] als verdachte (Opiumwet);
3. [betrokkene 1] is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 11 juni 2021 veroordeeld voor het handelen in harddrugs en het bezit van harddrugs (artikel 2 onder B en onder C van de Opiumwet). Bij vonnis van diezelfde datum is aan [betrokkene 1] de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 40.140,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
4. Op 23 juni 2021 heeft [betrokkene 1] tegen deze beide vonnissen hoger beroep ingesteld;
5. klaagster heeft gesteld dat zij eigenaar is van de in beslag genomen auto.
Standpunt van klaagster
De raadsvrouw van klaagster heeft ter toelichting op het klaagschrift - kort samengevat - aangevoerd dat de auto moet worden teruggegeven aan klaagster, omdat zij als eigenaar van de auto moet worden beschouwd. Als klaagster niet als eigenaar kan worden beschouwd, dan moet [betrokkene 2] als eigenaar worden beschouwd of [betrokkene 2] samen met klaagster. [betrokkene 1] heeft in ieder geval niets met de auto te maken. Dat [betrokkene 1] vaker in de auto is aangetroffen, komt omdat hij meer verdacht gedrag vertoont, waardoor hij vaker gecontroleerd wordt.
Standpunt belanghebbende [betrokkene 2]
De belanghebbende heeft betoogd dat de auto van zijn zus, klaagster, is en dat hij er gebruik van mocht maken. Hij betaalde de wegenbelasting en de verzekering voor de auto. Ook was hij mee met de aankoop van de auto.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ter zitting verzet tegen teruggave van de auto aan klaagster, nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat klaagster (of [betrokkene 2]) als eigenaar/rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt. De officier van justitie heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat er teveel onduidelijkheden in het verhaal van klaagster en haar broers zit.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van het beklag, nu het hoger beroep in de hoofdzaak is ingesteld nadat reeds (op 22 juni 2021 ) een dagbepaling voor de behandeling van het klaagschrift kenbaar was gemaakt door de rechtbank, derhalve nadat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang was gemaakt.
(…)”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, anders dan de rechtbank overweegt, de dagbepaling voor de behandeling van het klaagschrift niet op 22 juni 2021 kenbaar kan zijn gemaakt, nu het klaagschrift eerst op 4 augustus 2021 is ingediend, nadat in de hoofdzaak met parketnummer 16/292158-20 op 23 juni 2021 hoger beroep was ingesteld. Volgens de steller van het middel is uitgegaan van een verkeerde datum indiening/dagbepaling klaagschrift, met als gevolg dat art. 552, derde lid, Sv is geschonden. Verder wordt nog opgemerkt dat het door de raadsvrouw in raadkamer van 8 september 2021 ingenomen standpunt dat het klaagschrift was ingediend alvorens de vonnissen zijn gewezen, betrekking had op het klaagschrift van [betrokkene 3] dat gelijktijdig ter zitting werd behandeld.1.Dit klaagschrift had betrekking op een voorwerp dat eveneens in de strafzaak met parketnummer 16/292158-20 onder [betrokkene 1] in beslag was genomen. Een exemplaar van de beschikking op dat klaagschrift is door de steller van het middel aan de schriftuur gehecht.2.
3.4
Art. 552, derde lid, Sv houdt het volgende in:
“Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens of het bevel, bedoeld in de artikelen 125k en 125p, ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”
3.5
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het beklag, nu het hoger beroep in de hoofdzaak is ingesteld nadat reeds (op 22 juni 2021) een dagbepaling voor de behandeling van het klaagschrift kenbaar was gemaakt door de rechtbank, derhalve nadat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang was gemaakt. Laatstgenoemde overweging is door de rechtbank kennelijk ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1996, DD 96.336.3.In genoemde zaak deed zich de situatie voor dat conservatoir beslag was gelegd onder P en door B een klaagschrift op grond van art. 552a Sv was ingediend bij de rechtbank op 30 juni 1995. In de strafzaak tegen P was door de officier van justitie ter terechtzitting van 6 juli 1995 het voornemen tot een vordering a.b.i. art. 36e Sr medegedeeld. Op 6 juli 1995 worden P en B door de officier van justitie opgeroepen om op 14 september 1995 in de raadkamer van de rechtbank te worden gehoord. P wordt op 20 juli 1995 veroordeeld en stelt op 3 augustus 1995 hoger beroep in. De rechtbank verklaart zich op 29 september 1995 onbevoegd en beveelt doorzending van de stukken naar het hof. Het hof verklaart het beklag ongegrond na akkoordverklaring van de advocaat dat het hof de zaak zal afdoen om verdere vertraging te voorkomen. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank vóór of op 6 juli 1995 kennis heeft genomen van het klaagschrift en het nodige heeft verricht om de datum van behandeling van het klaagschrift te bepalen, waarmee de behandeling conform art. 552, derde lid, laatste volzin, (oud) Sv is aangevangen. Verder overwoog de Hoge Raad dat als een klaagschrift is ingediend bij de rechtbank waar de zaak wordt vervolgd, en die rechtbank met de behandeling van het klaagschrift is aangevangen, de omstandigheid dat in de strafzaak waarin beslag is gelegd hoger beroep is ingesteld niet afdoet aan de bevoegdheid van de rechtbank op het klaagschrift te beslissen.
3.6
Dat de rechtbank als uitgangspunt neemt dat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang is gemaakt op het moment dat een dagbepaling voor de behandeling van het klaagschrift kenbaar is gemaakt door de rechtbank, geeft in het licht van het voorgaande niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 552a, derde lid, Sv. Wel dringt zich de vraag of op het oordeel van de rechtbank over haar bevoegdheid begrijpelijk is gelet op de vaststelling die de rechtbank heeft gedaan omtrent de dagbepaling voor de behandeling van het klaagschrift.
3.7
Bij de zich aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich onder meer een ontvangstbevestiging van het in de onderhavige zaak op 4 augustus 2021 ingekomen klaagschrift (rekestnummer 21/1947). In genoemde ontvangstbevestiging wordt gerefereerd aan een door de raadsvrouw van de klaagster ingediend verzoek met betrekking tot het plannen (van de behandeling van het klaagschrift) op de zitting van 8 september 2021. Genoemd verzoek, gedateerd 4 augustus 2021, bevindt zich ook bij de stukken en houdt het volgende in:
“Onderwerp: tweemaal klaagschrift nieuw
Bijlagen: Klaagschrift [klaagster].pdf.html; klaagschrift [betrokkene 4].pdf
Geachte heer, mevrouw,
In bovenvermelde zaak treft u bijgaand aan een tweetal klaagschriften, namens [betrokkene 4] en [klaagster]. Zij klagen over het voortduren van het beslag (inmiddels conservatoir beslag) van geld/auto die in beslag zijn genomen in de zaak [betrokkene 1] parketnummer 16-292158-20. Deze zaak loopt in hoger beroep, is nog niet onherroepelijk.
Mijn verzoek is de klaagschriften te behandelen op de zitting van 8 september om 15.00 uur. Op deze zitting wordt het klaagschrift behandeld van [betrokkene 3]. [betrokkene 3] zit in hetzelfde schuitje als deze klagers. Zijn auto is in beslag genomen in de zaak met parketnummer 16-292158-20.
(Door klagers) Getekende exemplaren van het klaagschrift volgens zsm per post.
Hartelijk dank voor de aandacht.
Met vriendelijke groet,
(…)”
3.8
Bij de gedingstukken bevindt zich voorts de oproeping in beide zaken, gedateerd 30 augustus 2021, inhoudende dat genoemde klaagschriften - conform eerdergenoemd verzoek van de raadsvrouw van de klaagster - op 8 september 2021 te 15.00 uur door de raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland zullen worden behandeld.
3.9
Uit het voorgaande blijkt dat de klaagster in de onderhavige zaak op 30 augustus 2021 is opgeroepen en de behandeling van het klaagschrift zodoende op die datum is aangevangen, terwijl het hoger beroep in de straf-en ontnemingszaak van degene onder wie de auto in beslag is genomen op 23 juni 2021 reeds was is ingesteld.4.Dat betekent dat gelet op uitsluitend deze gegevens de rechtbank niet bevoegd was om op het onderhavige klaagschrift te beslissen. De vraag is of dit tot cassatie moet leiden. Ik meen van niet. De klaagster heeft mijns inziens onvoldoende belang bij vernietiging, omdat de raadsvrouw van de klaagster zich blijkens het onder 3.7 weergegeven verzoek op het standpunt heeft gesteld dat het onderhavige klaagschrift kan worden behandeld op de zitting waarop het klaagschrift van [betrokkene 3] wordt behandeld. De behandeling van dit klaagschrift zou kennelijk op 8 september 2021 te 15.00 uur door de raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland plaatsvinden, terwijl de dagbepaling voor de behandeling van dit klaagschrift blijkens de onderhavige beschikking kennelijk reeds op 22 juni 2021 kenbaar is gemaakt. Daarin ligt besloten dat is ingestemd met de behandeling van het onderhavige klaagschrift door de rechtbank.
3.10
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat hetgeen door de klaagster en [betrokkene 2] is gesteld, onvoldoende is om er zonder redelijke twijfel vanuit te kunnen gaan dat klaagster de eigenaar van de auto is, ontoereikend is gemotiveerd, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
4.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 8 september 2021 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw zegt - zakelijk weergegeven -:
[betrokkene 1] is slechts drie keer in de auto van cliënte gezien. Op basis daarvan kan niet worden volgehouden dat hij als feitelijk eigenaar moet worden aangemerkt. De auto staat op naam van klaagster. Zij heeft een deel van de aankoopprijs betaald en de rest is door haar vader betaald. Haar broer [betrokkene 2] betaalt de verzekeringspremie en de wegenbelasting. Hij maakte ook gebruik van de auto.
De rechter zegt:
Is de stelling dat klaagster eigenaar van de auto is, of is dat (ook) haar broer [betrokkene 2]? Is hij op de hoogte van het onderhavige klaagschrift?
De raadsvrouw zegt:
Duidelijk is in ieder geval dat [betrokkene 1] niet de eigenaar van de auto is. Ik weet niet of [betrokkene 2] van dit klaagschrift af weet, maar als de auto niet aan klaagster zou worden teruggegeven, dan dien ik vervolgens een klaagschrift in namens [betrokkene 2].
De belanghebbende [betrokkene 1] verklaart, zakelijk weergegeven:
De auto is niet van mij. Ik maak geen aanspraak op de auto. De auto moet aan mijn zus worden teruggegeven.
Klaagster verklaart- zakelijk weergegeven -:
De auto is van mij. Mijn broer [betrokkene 2] is mee geweest toen we de auto gingen kopen, samen met [betrokkene 5]. [betrokkene 2] had eerder ook voor mij op Marktplaats gezocht naar een Citroën C4. Hij heeft meer verstand van auto’s dan ik. Toen we de auto gingen kopen, ben ik inderdaad in de auto blijven zitten. De auto is na de koop door dat bedrijf op mijn naam gezet. Ik heb een eigen bedrijf, een taartenbakkerij. Het is de bedoeling dat [betrokkene 2] mijn rechterhand wordt in het bedrijf. Om die reden had ik de auto aangeschaft. Hij doet af en toe de inkoop van spullen voor mij en hij doet de bezorging van taarten. Mijn andere broer [betrokkene 1] heeft de auto maar twee keer geleend of zo. In de week dat de auto in beslag is genomen, had ik de auto zelf niet nodig. [betrokkene 2] maakte wel gebruik van de auto en hij heeft hem aan [betrokkene 1] uitgeleend. Ik wist daar niets van. Ik heb inmiddels een andere auto voor het bedrijf moeten kopen vanwege het beslag op deze auto.
De officier van justitie reageert - zakelijk weergegeven -:
De vraag is of vast staat dat klaagster eigenaar van de auto is. De gang van zaken bij de aankoop van de auto vind ik wel vreemd gegaan. Klaagster is toen in de auto blijven zitten. Klaagster zegt nu dat de auto door haar broer [betrokkene 2] gebruikt zou gaan worden en hij was bij de aanschaf van de auto aanwezig. Bovendien is het paspoort van [betrokkene 2] is in de auto aangetroffen. Klaagster gebruikte de auto niet. [betrokkene 2] kan er nu niets over zeggen en het is niet bekend of hij van deze zitting weet. Op de auto is conservatoir beslag gelegd onder de belanghebbende [betrokkene 1]. Er is op 13 en 16 september 2020 door de politie gezien dat hij deze auto gebruikte tijdens het dealen van verdovende middelen. Ik ga er vanuit dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] eigenaar van de auto zijn en niet klaagster. In de auto is het paspoort van [betrokkene 2] aangetroffen en geen enkel goed dat van klaagster zou zijn. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.
Klaagster zegt- zakelijk weergegeven -:
Binnen onze familie zijn we heel close. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn mijn broers en het is dan niet raar dat [betrokkene 1] ook af en toe in mijn auto reed. Ik heb er ook geen probleem mee als [betrokkene 2] mijn auto uitleent aan [betrokkene 1].
De raadsvrouw merkt op - zakelijk weergeven -:
Ik stel voor om de behandeling van de zaak aan te houden en [betrokkene 2] op te roepen als belanghebbende. Hij kan dan nadere uitleg geven over de aankoop van de auto en het gebruik daarvan door hem.
De officier van justitie reageert - zakelijk weergegeven -:
Ik kan instemmen met een aanhouding van de behandeling en het oproepen van [betrokkene 2] als belanghebbende.”
4.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 1 oktober 2021 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De rechter vraagt wie nu om teruggave van de auto vraagt.
De raadsvrouw zegt:
Klaagster en [betrokkene 2]. De auto moet worden teruggegeven aan klaagster of aan haar broertje [betrokkene 2]. De auto is eigenlijk van klaagster. De broer [betrokkene 1] heeft er in ieder geval niets mee te maken. De vorige officier van justitie probeerde de auto te koppelen aan [betrokkene 1] om teruggave van de auto te voorkomen, maar dat is niet juist.
[betrokkene 2] antwoordt op vragen van de rechter als volgt:
De auto is van mijn zus. Ik reed er wel eens in. Mijn zus had ook nog een andere auto. Dit was haar werk auto. Ze had een auto nodig om spullen te vervoeren voor haar werk. Ik was ook mee om de auto te kopen. Ik mocht er af en toe in rijden. Uit mijn hoofd gezegd heb ik er twee of drie keer in gereden. Mijn zus heeft er ook in gereden. En toen gebeurde het al met [betrokkene 1]. Ik had de auto aan hem uitgeleend. Dat gaat onder familie heel makkelijk. Ik wist niet dat hij er domme dingen mee ging doen.
Het klopt dat mijn paspoort in de auto lag.
Ik was dus mee toen mijn zus de auto kocht. Het klopt niet wat die verkoper heeft gezegd, dat zij buiten in de auto was blijven zitten. Zij was wel uitgestapt, maar ze was aan het bellen. Ze heeft de auto wel bekeken. Ik heb hem gekocht, ik heb nog een beetje afgedongen. Ik heb met cash betaald, dat geld was van mijn zus.
Mijn zus betaalde de auto en hij staat op haar naam. Maar ik betaal de wegenbelasting en de verzekering voor de auto. Ik ruil daarvoor mag ik er in rijden. Ik werkte op maandag en dinsdag voor mijn zus en had die auto daar dan voor nodig maar ik wilde ook privé gebruik maken van de auto, dus vond ik het redelijk dat te betalen.
Op vragen van de officier van justitie antwoordt [betrokkene 2] als volgt:
Voor het werk voor mijn zus kreeg ik een beetje geld.
Ze heeft haar bedrijfje al heel lang.
Ik hoor u zeggen dat die andere auto (een Peugeot) ook pas sinds kort was aangeschaft. U vraagt mij waarom er twee auto’s nodig waren.
Omdat er eentje voor privé gebruik was.
Bij de aanschaf van die Peugeot heb ik niet geholpen.
Mijn zus had niet per se twee auto’s nodig, maar ze betaalde hem wel.
U vraagt mij of ik vermoedde dat [betrokkene 1] de auto voor strafbare feiten gebruikte.
Ik had een beetje een vermoeden, maar ik wist niet in welke hoek ik het moest zoeken.
Op een vraag van de raadsvrouw van klaagster antwoordt [betrokkene 2]:
U vraagt mij wanneer mijn zus de auto gebruikte.
Dat weet ik niet meer, maar ze heeft hem zelf ook gebruikt voor haar werk.
Op vragen van de rechter antwoordt [betrokkene 2]:
Deze auto hadden we gekocht, zodat mijn zus en ik tegelijkertijd iets met de auto konden doen.
Mijn broer heeft de auto één à twee keer geleend.
Ik weet niet hoe vaak mijn zus in de auto heeft gereden.
De rechter geeft de officier van justitie het woord voor haar standpunt.
De officier van justitie zegt:
De vraag is of het buiten redelijke twijfel is dat klaagster of [betrokkene 2] eigenaar van de auto was. Klaagster heeft de auto aangeschaft, [betrokkene 2] betaalde naar eigen zeggen de verzekering en de wegenbelasting. Ik heb toch echt veel moeite met dit verhaal. Dat heeft te maken met de wijze waarop de auto is aangekocht: door [betrokkene 2] en een andere man, maar op naam van klaagster; de medewerker van de garage heeft gezegd: twee jongens kwamen de auto kopen, ik heb pas later een vrouw in de auto buiten gezien en het moest op haar naam. Dit is een vreemde gang van zaken. Klaagster zegt verder dat zij € 3.000,- voor de auto heeft betaald, maar volgens de factuur van de garage kostte de auto € 5.800,-. Dat is een dusdanig groot verschil dat je je daar niet in kan vergissen. Als je een auto betaalt, weet je toch hoeveel het je kost? Klaagster is voorts nooit in de auto aangetroffen. Er kan dus niet zonder twijfel worden gesteld dat klaagster eigenaar van de auto was. Dat zij gebruiker van de auto was is evenmin gebleken. Verder is in de auto het paspoort van [betrokkene 2] aangetroffen. [betrokkene 2] zou de verzekering en wegenbelasting betalen, maar dat blijkt nergens uit. Ook heb ik geen bewijsstukken gezien dat hij voor klaagster werkt. Verder heeft [betrokkene 2] wel geholpen met de aankoop van deze auto (de Citroën), maar niet met de aankoop van de Peugeot, terwijl hij zegt dat hij geholpen heeft, omdat vrouwen geen auto’s kunnen kopen. [betrokkene 1] daarentegen is wel vaak in de auto aangetroffen.
Er is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 94a lid 4 Sv.
Aan verdachte ([betrokkene 1]) zal mogelijk een ontnemingsmaatregel worden opgelegd.
De rechter geeft de raadsvrouw het woord voor haar standpunt.
De raadsvrouw zegt:
Zowel klaagster als [betrokkene 2] zijn als eigenaar van de auto aan te merken. De rechtbank hoeft geen keuze te maken. Ofwel klaagster is als eigenaar aan te merken, zodat de auto terug moet naar klaagster, ofwel [betrokkene 2] is als eigenaar aan te merken, zodat de auto aan hem moet worden teruggegeven, In ieder geval is het één van hen en moet de auto dus terug naar één van hen. [betrokkene 1] is in ieder geval niet als eigenaar aan te merken.
Ik hoor de officier van justitie zeggen dat [betrokkene 1] het meest in de auto is aangetroffen, maar dat komt omdat hij meer verdacht gedrag vertoont. Hij wordt daardoor vaker gecontroleerd. Ook als hij geen strafbare feiten pleegt.
Klaagster heeft gezegd dat de auto heel lang op een bedrijfsterrein heeft gestaan. Zij is in 2019 een taartenbedrijf gestart. Er zijn veel jongens in de familie, dus het was logisch dat zij voor haar gingen rijden met bestellingen. Van [betrokkene 2] heb ik een overzicht van zijn bankafschrift ontvangen waaruit de betalingen voor de wegenbelasting en de verzekering blijken. Ik laat u dat nu zien op mijn telefoon.
De raadsvrouw laat haar telefoon zien aan de officier van justitie en de rechter.
[betrokkene 2] heeft een screenshot gemaakt van zijn bankafschriften. Het gaat om bedragen die maandelijks van zijn rekening gaan. Je ziet alleen geen omschrijving.
[betrokkene 1] is drie keer in de auto aangetroffen.
[betrokkene 1] was niet bij de aankoop van de auto betrokken.
Aan de officier van justitie en de raadsvrouw wordt gelegenheid gegeven voor re- en dupliek.
[betrokkene 2] zegt:
De garageman zegt dat hij de vrouw alleen buiten in de auto heeft gezien, maar hij was zelf heel druk bezig met klanten, dus hij heeft niet gezien dat mijn zus ook mee is gegaan. Ik was toen samen met een vriend van mij, niet met mijn broer. Ik vind het allemaal heel vervelend voor mijn zus.”
4.4
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inhoudelijk
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat conservatoir beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat niet tegen klaagster is gericht. Klaagster is geen verdachte in de strafzaak. Nu klaagster stelt eigenaar/rechthebbende van de onder haar broer [betrokkene 1] in beslag genomen auto te zijn en om teruggave van de auto heeft verzocht, moet de rechtbank beoordelen of buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar/rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt.
Als dat het geval is, moet de rechtbank onderzoeken of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a lid 4 of lid 5 Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15). Dat laatste betekent dat de rechtbank (met inachtneming van het summiere karakter als hiervoor genoemd) moet beoordelen of feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren (verhaalsfrustratie), en dat de klaagster dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden (HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2746).
Naar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat klaagster als eigenaar van de in beslag genomen auto moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe dat de omstandigheden rondom de aankoop van de auto (door [betrokkene 2] en een vriend, niet door klaagster (die overigens ook een ander aankoopbedrag noemt dan op de factuur staat), de omstandigheid dat in de auto een identiteitsbewijs van [betrokkene 2] is aangetroffen en de omstandigheid dat [betrokkene 1], van alle drie, als enige meerdere keren in de auto is aangetroffen, terwijl de auto nog geen drie maanden in het bezit van de familie was. Hierdoor is het onduidelijk aan wie de auto feitelijk toebehoorde. Hetgeen door klaagster en [betrokkene 2] is gesteld, is onvoldoende om er zonder redelijke twijfel vanuit te kunnen gaan dat klaagster de eigenaar van de auto is. De rechtbank kan evenmin buiten redelijke twijfel vaststellen dat [betrokkene 2] als eigenaar van de in beslag genomen auto moet worden aangemerkt. [betrokkene 2] heeft immers zelf verklaard dat de auto niet aan hem, maar aan klaagster toebehoort.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
4.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de klaagster wel degelijk aanwezig was bij en ook op de hoogte was van de aankoop van de auto, maar dat zij [betrokkene 2] naar voren heeft geschoven om bij de balie de koop op haar naam en met haar geld af te wikkelen, zodat de omstandigheden waaronder de auto is aangekocht niet redengevend kunnen zijn voor het oordeel van de rechtbank. Ook het feit dat in de auto het identiteitsbewijs van [betrokkene 2] is aangetroffen zou niet redengevend zijn, omdat [betrokkene 2] voor de klaagster werkte en in dat kader gebruik van de auto maakte, hij de auto wel eens leende en ook klaagster er wel gebruik van maakte. Op de dag van de aanhouding van [betrokkene 1] had [betrokkene 2] de auto geleend van de klaagster en vervolgens weer uitgeleend aan [betrokkene 1]. Dat is de reden dat zijn identiteitsbewijs in de auto lag. Wat betreft het aantreffen van [betrokkene 1] in de auto wordt opgemerkt dat [betrokkene 1] op 13 en 16 september 2020 en de dag van de aanhouding (toen sprake was van pseudokoop) gezien is als degene die gebruik maakte van de auto, dat hij op al deze drie momenten aan het dealen was en dus verdacht gedrag vertoonde. Dat [betrokkene 1] in plaats van de klaagster driemaal in de auto is gezien is volgens de steller van het middel dan ook niet vreemd te noemen, nu de klaagster geen verdacht gedrag vertoont. Dat [betrokkene 1] drie keer gebruik zou hebben gemaakt van de auto zou derhalve evenmin redengevend zijn voor het oordeel van de rechtbank. In het licht van deze verklaringen over de aankoop van de auto en het gebruik van de auto, zou het oordeel van de rechtbank dat hetgeen de klaagster en [betrokkene 2] hebben gesteld onvoldoende is om er zonder redelijke twijfel vanuit te kunnen gaan dat de klaagster de eigenaar is van de auto, onbegrijpelijk zijn althans ontoereikend zijn gemotiveerd.
4.6
De rechtbank heeft geoordeeld dat op het moment van beoordeling van het klaagschrift niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de klaagster als eigenaar van de in beslag genomen auto moet worden aangemerkt, omdat onduidelijk is aan wie de auto feitelijk toebehoorde. In dat verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen i) de omstandigheden rondom de aankoop van de auto, ii) het in de auto aangetroffen identiteitsbewijs van [betrokkene 2] en iii) het feit dat degene onder wie de auto in beslag is genomen ([betrokkene 1]) als enige meerdere keren in de auto is aangetroffen. Over de omstandigheden waaronder de auto is aangekocht heeft de rechtbank vastgesteld dat de auto is gekocht door [betrokkene 2] en een vriend en niet door de klaagster (die - zoals door de officier van justitie is gesteld - overigens ook een ander aankoopbedrag noemt dan op de factuur staat). In verband met het meermaals aantreffen van [betrokkene 1] in de auto heeft de rechtbank vastgesteld dat de auto nog geen drie maanden in het bezit van de familie was. Dat de rechtbank vervolgens heeft geoordeeld dat hetgeen door de klaagster en [betrokkene 2] is gesteld onvoldoende is om er buiten redelijke twijfel vanuit te kunnen gaan dat de klaagster de eigenaar van de auto is, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de klaagster heeft verklaard dat zij inderdaad in de auto is blijven zitten toen de auto door [betrokkene 2] en [betrokkene 5] gekocht werd en door en namens de klaagster ook niet is betoogd dat zij in de auto heeft gereden, terwijl [betrokkene 2] ook niet weet hoe vaak zijn zus in de auto heeft gereden.
4.7
Het middel faalt.
5. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023
Het ging in die zaak om een personenauto, merk Mercedes Benz A200D, met kenteken [kenteken 2].
Vgl. voor een geval waarin het klaagschrift van de klaagster ter griffie van de Rechtbank was ontvangen, nadat hoger beroep is ingesteld in de strafzaak in het kader waarvan de personenauto in beslag is genomen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:148. De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat de Rechtbank op grond van art. 552a, derde lid, Sv niet bevoegd was tot kennisneming van het klaagschrift van de klaagster. Vgl. voor een geval waarin de Rechtbank zich terecht (gedeeltelijk) bevoegd achtte kennis te nemen van het klaagschrift voor zover dit betrekking had op de voorwerpen die op de voet van art 94a, tweede lid, Sv inbeslaggenomen waren HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9239, NJ 2006/628.