Parketnummer: 21-004963-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:3627.
HR, 18-11-2025, nr. 24/02211 J
ECLI:NL:HR:2025:1701
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2025
- Zaaknummer
24/02211 J
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Jeugdstrafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1701, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:3627
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:915
ECLI:NL:PHR:2025:915, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1701
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑12‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0358
Uitspraak 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Jeugdzaak. Ontucht met 15-jarig meisje door 17-jarige verdachte, art. 245 (oud) Sr. Strafmotivering (taakstraf, bestaande uit werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie) en taakstrafverbod, art. 77ma Sr. Kon hof oordelen dat toepassing van art. 77ma Sr strijd oplevert met art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK? O.g.v. art. 77ma.1.a (oud) Sr geldt als hoofdregel dat taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving gevangenisstraf van 6 jaren of meer is gesteld en dat ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit van slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Art. 77ma.2 Sr staat echter oplegging van taakstraf toe als naast taakstraf ook jeugddetentie, maatregel betreffende gedrag of maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd. Aan deze eis is, mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 77ma Sr, ook voldaan als jeugddetentie dan wel maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen overeenkomstig art. 77x Sr voorwaardelijk wordt opgelegd. Art. 77ma.2 Sr staat er dus niet aan in weg dat rechter, door te kiezen voor combinatie van taakstraf met geheel voorwaardelijke jeugddetentie, tot strafoplegging komt die op zichzelf geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Van die vrijheidsbeneming zal pas sprake kunnen zijn als veroordeelde aan deze voorwaardelijke jeugddetentie verbonden voorwaarde(n) niet naleeft. Daarbij zal niet-naleving van voorwaarde(n) alleen dan kunnen leiden tot vrijheidsbeneming als rechter daar o.g.v. art. 6:6:21 Sv (op vordering van OM) toe beslist. Bij beslissing op tul vordering kan rechter, gelet ook op de in art. 6:6:21.2 Sv genoemde mogelijkheid om i.p.v. tul van vrijheidsstraf te kiezen voor tul van taakstraf, maatwerk bieden. Dit mede in licht van het in art. 37.b IVRK geformuleerde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming alleen wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor kortst mogelijke passende duur. Gelet hierop verzetten art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK zich niet tegen toepassing van art. 77ma.1a (oud) en 77ma.2 Sr bij strafoplegging. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat toepassing van art. 77ma Sr in dit geval onverenigbaar is met art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02211 J
Datum 18 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nummer 21-004963-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 77ma van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 37, aanhef en onder b, en artikel 40 leden 1 en 4 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).
Het oordeel van het hof
2.2
Het hof heeft de verdachte voor “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig uren. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan en heeft tevens gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een destijds vijftienjarig slachtoffer. Verdachte had zich hiervan moeten onthouden, gelet op de jonge leeftijd van aangeefster. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid en de seksuele ontwikkeling van jeugdigen. Zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring, ondervindt aangeefster daadwerkelijk nog altijd last als gevolg van dit strafbare feit. Het hof rekent verdachte dit aan.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 april 2024 waaruit blijkt dat verdachte slechts een maal is beboet voor een totaal ander feit en dus niet eerder voor een soortgelijk feit met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Ook heeft het hof acht geslagen op de rapportages die over verdachte zijn opgesteld. Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 september 2023 blijkt dat verdachte, ondanks dat de zaak lang heeft stilgelegen, aan zijn toekomst heeft kunnen bouwen. Er is sprake van een positieve vrijetijdsbesteding en er komen geen psychosociale problemen naar voren. De Raad adviseert tot het opleggen van een werkstraf en is van mening dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf geen meerwaarde heeft.
Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat het goed met hem gaat. Hij heeft een vaste baan en sport veel.
Het hof ziet redenen om verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarbij weegt het hof mee dat aangeefster weliswaar vijftien jaar oud was, maar binnen enkele weken na het bewezenverklaarde zestien jaar is geworden. Daarnaast houdt het hof rekening met het feit dat de opsporing in deze zaak erg lang heeft stilgelegen en het bewezenverklaarde mede daardoor inmiddels vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het hof zal volstaan met de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uur. Die straf acht het hof passend, maar ook geboden gelet op de ernst van de normschending.
Artikel 77ma Sr bepaalt – voor zover hier van belang – dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, maar dat daarnaast jeugddetentie moet worden opgelegd voor het bewezen verklaarde feit. Het hof overweegt dat het jeugdstrafrecht nu juist wordt gekenmerkt door de bijzondere positie die het inneemt binnen het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder door het pedagogisch karakter daarvan. Het doel van het jeugdstrafrecht is (her)opvoeding en resocialisatie. De artikelen 77g en 77h Sr bieden de rechter een scala aan straffen en maatregelen om dat doel in een strafzaak van een individuele verdachte te verwezenlijken. Het jeugdstrafrecht is steeds maatwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de situatie van de verdachte en de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan. Toepassing van artikel 77ma Sr kan strijd opleveren met het bepaalde in artikel 37 lid 1, aanhef en onder b en art. 40 lid 4 van het Verdrag in zake de Rechten van het Kind (IVRK). Volgens deze artikelen zijn Staten verplicht om vrijheidsbeneming als uiterste maatregel te hanteren en moeten zij ervoor zorgen dat de strafrechtelijke aanpak van minderjarigen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat tot zowel hun omstandigheden als het strafbare feit. In het geval van verdachte, zou artikel 77ma Sr verplichten tot het opleggen van een jeugddetentie naast een werkstraf aan verdachte. Op deze wijze is een werkstraf geen alternatief meer voor vrijheidsbeneming. Dat jeugddetentie ook voorwaardelijk kan worden opgelegd, maakt dat niet anders. Als, verdachte opnieuw een strafbaar feit zou plegen, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke jeugddetentie daar weliswaar een reactie op, maar blijft zij wel het directe gevolg van – en daarmee onlosmakelijk verbonden met – de oorspronkelijk opgelegde straf. Ook kan toepassing van artikel 77ma Sr strijd opleveren met artikel 40 lid 1 van het IVRK. Dat artikellid bepaalt dat Staten minderjarigen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld voor een strafbaar feit zo te behandelen dat dit hun herintegratie en opbouwende rol in de maatschappij bevordert. Dit alles overziend, is het hof van oordeel dat de hierna op te leggen werkstraf aan verdachte in deze strafzaak als enige juiste interventie uit het jeugdstrafrecht aan hem moet worden opgelegd. Die straf komt naar het oordeel van het hof tegemoet aan alle belangen waar het hof bij het bepalen van een straf in deze zaak rekening mee heeft te houden.”
Juridisch kader
2.3.1
De volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 77ma (oud) Sr:
“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
(...)
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf, jeugddetentie, de maatregel betreffende het gedrag of de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd.”
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
2. In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
- Artikel 94 van de Grondwet:
“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.”
- Artikel 37, aanhef en onder b, IVRK, in de Nederlandse vertaling:
“De Staten die partij zijn, waarborgen dat:
b. geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur.”
“1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
4. Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit.”
2.3.2
Artikel 77ma Sr is ingevoerd bij de Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, Stb. 2013, 485 (hierna: Wet adolescentenstrafrecht). De geschiedenis van de totstandkoming van deze wet houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“4.3 De taakstraf
4.3.1
Algemeen
Aan de taakstraf komt in het jeugdstrafrecht een bijzondere plaats toe. Het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht komt in de uitvoering van deze straf tot uitdrukking. Ook het in het IVRK neergelegde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming ultimum remedium is, vindt met de beschikbaarheid van de taakstraf vertaling. De taakstraf biedt de mogelijkheid om de gevolgen van het negatieve gedrag van de jeugdige inzichtelijk te maken. Met de taakstraf kan de rechter een norm laten inslijten zonder dat daarbij sprake hoeft te zijn van vrijheidsbeneming. Het kan voor de ontwikkeling van het normbesef ook nuttig zijn een taakstraf herhaaldelijk op te leggen.
4.3.2
Beperking mogelijkheden opleggen taakstraf
(...) Het voorgestelde artikel 77ma Sr regelt dat niet enkel een taakstraf kan worden opgelegd bij een veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Deze beperking geldt voor gevallen waarin dat misdrijf bovendien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft gevormd. (...) Het is in zijn algemeenheid niet aangewezen dat op deze misdrijven in de strafrechtspleging met alleen een taakstraf wordt gereageerd. Een taakstraf, zo luidt het voorgestelde artikel 77ma, tweede lid, Sr, kan daarbij wel worden opgelegd naast jeugddetentie, een GBM of een pij-maatregel. Op de vormgeving, de verschillen die daarbij bestaan met de regeling voor volwassenen en de gevolgen daarvan wordt hieronder nader ingegaan.
4.3.3
Verschillen met de regeling voor volwassenen
De hier voorgestelde regeling verschilt op onderdelen van de regeling voor volwassenen. (...)
Een tweede verschil is dat in de regeling voor volwassenen bij de genoemde ernstige misdrijven een taakstraf kan worden opgelegd naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel (artikel 22a, derde lid, Sr). Voor jeugdigen is in dit verband in een ruimere regeling voorzien. De taakstraf kan hier ook worden opgelegd naast jeugddetentie of een pij-maatregel in de voorwaardelijke vorm. Ook kan de taakstraf worden gecombineerd met de GBM. Deze jeugdsancties hebben met elkaar gemeen dat in een verplicht kader (langdurige) behandelingen kunnen plaatsvinden. Van vrijheidsbeneming is slechts sprake wanneer de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt of niet meewerkt aan het programma. De voorgestelde regeling is zo in lijn met in het IVRK neergelegde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel wordt toegepast. Daarmee is minder goed verenigbaar dat vrijheidsbeneming als uitgangspunt wordt genomen, ook niet als onderdeel van een uitzondering op de hoofdregel die het opleggen van een taakstraf bij ernstige misdrijven uitsluit. Wanneer de taakstraf naast de genoemde kaders voor gedragsbeïnvloeding of behandeling wordt opgelegd, zal deze in de regel overigens bestaan uit een werkstraf. Gedragsinterventies gericht op educatie en op heropvoeding zullen dan deel uitmaken van de al dan niet voorwaardelijke jeugddetentie, pij-maatregel of GBM.
Tenslotte sluit artikel 22b Sr het opleggen van een taakstraf bij volwassenen uit in het geval van recidive. Het gaat dan om recidive voor een soortgelijk misdrijf, binnen vijf jaren na een eerdere veroordeling tot taakstraf. Kennelijk heeft het opleggen van deze taakstraf de recidive niet kunnen voorkomen. Van een nieuwe taakstraf hoeft dit resultaat dan ook niet te worden verwacht. Voor minderjarigen is een andere keuze gemaakt. Een recidiveregeling maakt van het voorgestelde artikel 77ma Sr geen deel uit. Reden hiervoor is dat minderjarigen, meer dan volwassenen, behoefte kunnen hebben aan herhaling van de straf, voordat een vollediger begrip ontstaat van de strafwaardigheid van het handelen. Daarvoor kan ook een meer praktische reden worden gegeven. Zoals hiervoor is aangegeven, kan de taakstraf bij jeugdigen ook bestaan uit een leerstraf. Denkbaar is dus dat bij eventuele recidive, de taakstraf een andere invulling zal hebben dan bij de eerste keer. Tenslotte wijs ik ook in dit verband op artikel 37, onderdeel b, van het IVRK. Ook wanneer een soortgelijk misdrijf opnieuw aanleiding geeft voor het opleggen van straf moet de wet voor het opleggen van straf aan minderjarigen ruimte te laten om opnieuw te bezien of vrijheidsbeneming kan worden voorkomen. In plaats daarvan kan met een andere sanctie(-combinatie) ook een adequate reactie op het misdrijf worden gegeven.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 3, p. 26-28.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht maakt dat een taakstraf, ook in het geval dat een ernstig misdrijf hiervoor de aanleiding vormt, met andere jeugdsancties zal worden gecombineerd. Daarbij kan het ook gaan om voorwaardelijke opgelegde sancties. Concreet betekent dit dat wanneer de rechter voor een afdoening met een taakstraf kiest, daarnaast op zijn minst een voorwaardelijke jeugddetentie of een voorwaardelijke behandelmaatregel wordt opgelegd. Dit onderstreept dat vrijheidsbeneming ten aanzien van jeugdigen ultimum remedium is. In het geval dat een overtreding van de voorwaarden plaatsvindt, kan dan onmiddellijk alsnog de straf of behandeling een aanvang nemen. De beperking van de mogelijkheden tot het opleggen van een taakstraf is zo dus ontworpen met inachtneming van de mogelijkheden tot het bieden van rechterlijk maatwerk.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 6, p. 27-28.)
- de memorie van antwoord:
“De leden van de SP-fractie vroegen aandacht voor de wijzigingen in de regeling voor het opleggen van de taakstraf. Zij vroegen om een nadere onderbouwing van de noodzaak van deze regeling, mede tegen de achtergrond van het rapport van Human Rights Watch over de recidive bij minderjarige zedendelinquenten. Met dit onderzoek ben ik bekend, zo beantwoord ik de vraag daarnaar van deze leden. Het is mij ook bekend dat de recidive bij (minderjarige) zedendelinquenten lager is dan bij andere delicten. Dit doet niet toe of af aan de redenen die voor dit onderdeel van het wetsvoorstel zijn gegeven. De leden hebben hiernaar in hun vraagstelling ook verwezen; er bestaat een parallel met de situatie die geldt voor volwassenen. De regeling tot inperking van de mogelijkheden tot het opleggen van een taakstraf in het jeugdstrafrecht deelt haar ratio met de regeling die voor volwassenen is getroffen. De regeling moet worden gezien tegen de achtergrond van de wens van deze regering om tot uitdrukking te brengen dat bij deze ernstige misdrijven, met het opleggen van enkel een taakstraf niet kan worden volstaan. Ook bij de berechting van jeugdigen geldt dit uitgangspunt. De taakstraf leent zich meer voor een afdoening van de lichtere delicten. De voorgestelde regeling brengt dit tot uitdrukking. Wel zijn in de vormgeving in dit wetsvoorstel enkele bijzondere accenten gelegd. Zo is de combinatie met voorwaardelijke vrijheidsbenemende sancties mogelijk gemaakt. Daarmee wordt in het voorstel met de jeugdigheid rekening gehouden. Ook brengt dat de voorgestelde regeling in overeenstemming met de verdragsrechtelijke verplichtingen die in dit verband gelden. Ik doel dan in het bijzonder op artikel 37 IVRK dat voorschrijft dat van vrijheidsontneming slechts in het uiterste geval sprake kan zijn. Van het verkleinen van de mogelijkheden tot het bieden van rechterlijk maatwerk is door de combinatiemogelijkheden met andere sancties geen sprake, zo merk ik op in antwoord op de vragen van deze leden. Daar komt nog bij dat bij de berechting van jongvolwassenen de mogelijkheden tot het bieden van rechterlijk maatwerk juist worden vergroot. Het alternatief voor hen is de toepassing van het gewone strafrecht. In dat geval kan bij deze ernstige misdrijven geen taakstraf worden opgelegd, tenzij deze met een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie zou worden gecombineerd.”
(Kamerstukken I 2013/14, 33498, nr. C, p. 18-19.)
2.3.3
Uit deze wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij de invoering van de Wet adolescentenstrafrecht heeft beoogd artikel 77ma Sr vorm te geven met inachtneming van de onder 2.3.1 genoemde bepalingen van het IVRK.
Het oordeel van de Hoge Raad
2.4.1
Op grond van artikel 77ma lid 1, aanhef en onder a, (oud) Sr – dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst – geldt als hoofdregel dat een taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Artikel 77ma lid 2 Sr staat echter de oplegging van een taakstraf toe als naast de taakstraf ook jeugddetentie, de maatregel betreffende het gedrag of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd. Aan deze eis is, mede gelet op de onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis, ook voldaan als de jeugddetentie dan wel de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen overeenkomstig artikel 77x Sr voorwaardelijk wordt opgelegd.
2.4.2
Artikel 77ma lid 2 Sr staat er dus niet aan in de weg dat de rechter, door te kiezen voor een combinatie van de taakstraf met een geheel voorwaardelijke jeugddetentie, tot een strafoplegging komt die op zichzelf geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Van die vrijheidsbeneming zal pas sprake kunnen zijn als de veroordeelde de aan deze voorwaardelijke jeugddetentie verbonden voorwaarde(n) niet naleeft. Daarbij zal de niet-naleving van de voorwaarde(n) alleen dan kunnen leiden tot vrijheidsbeneming als de rechter daar op grond van artikel 6:6:21 Sv – op vordering van het openbaar ministerie – toe beslist. Bij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging kan de rechter, gelet ook op de in artikel 6:6:21 lid 2 Sv genoemde mogelijkheid om in plaats van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te kiezen voor de tenuitvoerlegging van een taakstraf, maatwerk bieden. Dit mede in het licht van het in artikel 37, aanhef en onder b, IVRK geformuleerde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming alleen wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur. Gelet hierop verzetten artikel 37, aanhef en onder b, en artikel 40 leden 1 en 4 IVRK zich niet tegen de toepassing van artikel 77ma lid 1, aanhef en onder a, (oud) en lid 2 Sr bij de strafoplegging.
2.5
In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat toepassing van artikel 77ma Sr in dit geval onverenigbaar is met artikel 37, aanhef en onder b, en artikel 40 leden 1 en 4 IVRK. Dat oordeel getuigt – gelet op wat onder 2.4 is overwogen – van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jeugdzaak. Ontucht met een minderjarige, art. 245 (oud) Sr. Slagend middel over buiten toepassing laten van taakstrafverbod door het hof met beroep op het IVRK. De AG maakt algemene opmerkingen over het IVRK en relevante nationale wetgeving. Conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02211
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 28 mei 20241.wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1], advocaat-generaal, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over het (kennelijke) oordeel dat het taakstrafverbod van art. 77ma Sr in deze zaak buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met art. 37 lid 1 aanhef en onder b en art. 40 lid 1 en 4 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). Deze lijn is de afgelopen jaren vaker gevolgd in de feitenrechtspraak.2.Dit is de eerste keer dat deze kwestie aan de Hoge Raad wordt voorgelegd. Daarom maak ik, nadat ik het relevante deel van het arrest heb weergegeven (onder 2.2), een aantal algemene opmerkingen over het IVRK en over de relevante nationale wetgeving (onder 2.3-2.10). Vervolgens bespreek ik het middel zelf (onder 2.11-2.17).
Het arrest van het hof
2.2
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot dezelfde straf als die hem door de rechtbank is opgelegd, te weten een jeugddetentie voor de duur van één maand en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren subsidiair negentig dagen jeugddetentie.
De raadsman heeft verzocht om, indien het hof toekomt aan strafoplegging, rekening te houden met de impact die een jeugddetentie zou hebben op de baan van verdachte.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan en heeft tevens gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een destijds vijftienjarig slachtoffer. Verdachte had zich hiervan moeten onthouden, gelet op de jonge leeftijd van aangeefster. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid en de seksuele ontwikkeling van jeugdigen. Zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring, ondervindt aangeefster daadwerkelijk nog altijd last als gevolg van dit strafbare feit. Het hof rekent verdachte dit aan.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 april 2024 waaruit blijkt dat verdachte slechts een maal is beboet voor een totaal ander feit en dus niet eerder voor een soortgelijk feit met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Ook heeft het hof acht geslagen op de rapportages die over verdachte zijn opgesteld. Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 september 2023 blijkt dat verdachte, ondanks dat de zaak lang heeft stilgelegen, aan zijn toekomst heeft kunnen bouwen. Er is sprake van een positieve vrijetijdsbesteding en er komen geen psychosociale problemen naar voren. De Raad adviseert tot het opleggen van een werkstraf en is van mening dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf geen meerwaarde heeft. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat het goed met hem gaat. Hij heeft een vaste baan en sport veel.
Het hof ziet redenen om verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarbij weegt het hof mee dat aangeefster weliswaar vijftien jaar oud was, maar binnen enkele weken na het bewezenverklaarde zestien jaar is geworden. Daarnaast houdt het hof rekening met het feit dat de opsporing in deze zaak erg lang heeft stilgelegen en het bewezenverklaarde mede daardoor inmiddels vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het hof zal volstaan met de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uur. Die straf acht het hof passend, maar ook geboden gelet op de ernst van de normschending.
Artikel 77ma Sr bepaalt – voor zover hier van belang – dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, maar dat daarnaast jeugddetentie moet worden opgelegd voor het bewezen verklaarde feit. Het hof overweegt dat het jeugdstrafrecht nu juist wordt gekenmerkt door de bijzondere positie die het inneemt binnen het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder door het pedagogisch karakter daarvan. Het doel van het jeugdstrafrecht is (her)opvoeding en resocialisatie. De artikelen 77g en 77h Sr bieden de rechter een scala aan straffen en maatregelen om dat doel in een strafzaak van een individuele verdachte te verwezenlijken. Het jeugdstrafrecht is steeds maatwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de situatie van de verdachte en de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan. Toepassing van artikel 77ma Sr kan strijd opleveren met het bepaalde in artikel 37 lid 1, aanhef en onder b en art. 40 lid 4 van het Verdrag in zake de Rechten van het Kind (IVRK). Volgens deze artikelen zijn Staten verplicht om vrijheidsbeneming als uiterste maatregel te hanteren en moeten zij ervoor zorgen dat de strafrechtelijke aanpak van minderjarigen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat tot zowel hun omstandigheden ais het strafbare feit. In het geval van verdachte, zou artikel 77ma Sr verplichten tot het opleggen van een jeugddetentie naast een werkstraf aan verdachte. Op deze wijze is een werkstraf geen alternatief meer voor vrijheidsbeneming. Dat jeugddetentie ook voorwaardelijk kan worden opgelegd, maakt dat niet anders. Als verdachte opnieuw een strafbaar feit zou plegen, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke jeugddetentie daar weliswaar een reactie op, maar blijft zij wel het directe gevolg van – en daarmee onlosmakelijk verbonden met – de oorspronkelijk opgelegde straf. Ook kan toepassing van artikel 77ma Sr strijd opleveren met artikel 40 lid 1 van het IVRK. Dat artikellid bepaalt dat Staten minderjarigen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld voor een strafbaar feit zo te behandelen dat dit hun herintegratie en opbouwende rol in de maatschappij bevordert. Dit alles overziend, is het hof van oordeel dat de hierna op te leggen werkstraf aan verdachte in deze strafzaak als enige juiste interventie uit het jeugdstrafrecht aan hem moet worden opgelegd. Die straf komt naar het oordeel van het hof tegemoet aan alle belangen waar het hof bij het bepalen van een straf in deze zaak rekening mee heeft te houden.”
Algemene opmerkingen
2.3 -
- art. 3 lid 1 IVRK luidt:
“Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.”
- art. 37 aanhef en onder b IVRK luidt:
“De Staten die partij zijn, waarborgen dat:
[…]
b. geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur”.
- art. 40 lid 1 en 4 IVRK luidt:
“1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
4. Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit.”
- art. 94 Grondwet luidt:
“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
- art. 77ma Sr luidde tot 1 juli 2024:
“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf, jeugddetentie, de maatregel betreffende het gedrag of de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd.”3.
2.4
Het IVRK is op 8 maart 1995 voor Nederland in werking getreden4.en de invloed van dit verdrag is sindsdien gegroeid.5.Het verdrag bevat onder meer dwingende kaders voor de behandeling van jeugdige verdachten en voor de wijze van vervolging en berechting van hen. In 2019 bracht het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind zijn ‘General Comment No. 24 on children’s rights in the child justice system’ uit.6.Dit is een algemeen commentaar op de voor het jeugdstrafrecht relevante bepalingen uit het IVRK.7.Voor het jeugdstrafrecht zijn vooral art. 37 en 40 IVRK van belang.8.Binnen het IVRK bestaat geen hiërarchie van verdragsrechten. Dat betekent dat ieder specifiek verdragsrecht in relatie tot de andere rechten van het verdrag moet worden beschouwd.9.In dat verband is art. 3 IVRK relevant, waarin is bepaald dat elke overheidsbeslissing die betrekking heeft op kinderen rekening moet houden met het belang van het kind.10.De invulling van het ‘belang van het kind’ wordt binnen het jeugdstrafrecht nader bepaald door de uitgangspunten die worden geformuleerd in art. 40 lid 1 IVRK.11.
2.5
Art. 40 IVRK bevat standaarden voor de inrichting van het nationale jeugdstrafrecht. Het eerste lid van dit artikel vormt de grondslag voor een afzonderlijk systeem van jeugdstrafrechtspleging. Op basis daarvan moeten de verdragspartijen onder meer het recht erkennen van ieder kind op een wijze van behandeling waarbij rekening wordt gehouden met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving. Dit komt erop neer dat het jeugdstrafrecht de re-integratie (of: resocialisatie) van het kind moet stimuleren. Art. 40 lid 4 IVRK bepaalt verder dat er een verscheidenheid van regelingen beschikbaar moet zijn om te verzekeren dat de behandeling van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit. Strafoplegging moet dus voldoen aan het beginsel van proportionaliteit, ook wanneer daarmee bepaalde doelen worden nagestreefd, zoals de uiteindelijke re-integratie van het kind, de maatschappelijke veiligheid of vergelding.12.Art. 40 lid 1 en lid 4 brengen daarnaast mee dat het belang van de jeugdige en (in dat kader) het strafdoel van resocialisatie als belangrijkste overwegingen moeten gelden bij het bepalen van de strafoplegging.13.
2.6
Art. 37 IVRK is de belangrijkste bepaling van het verdrag als het gaat om de vrijheidsbeneming van jeugdige verdachten. In art. 37 aanhef en onder b IVRK is (onder meer) vastgelegd dat de verdragspartijen waarborgen dat vrijheidsbeneming slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur. In het kader van de strafoplegging betekent dit dat niet-vrijheidsbenemende sancties zoveel mogelijk de voorkeur verdienen. Wanneer toch een vrijheidsbenemende sanctie wordt opgelegd, moet deze, in het belang van het kind, worden beperkt tot de kortst mogelijke passende duur.14.In General Comment no. 24 merkt het Comité op dat verplichte minimumstraffen onverenigbaar zijn met het (in art. 40 lid 4 genoemde) principe van proportionaliteit en de (in art. 37 aanhef en onder b genoemde) verplichting vrijheidsbeneming als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur toe te passen. Rechters moeten de vrijheid hebben om de meest passende sanctie of interventie te bepalen.15.
2.7
Art. 94 Grondwet regelt de doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde. Hierin is bepaald dat nationale wettelijke voorschriften geen toepassing vinden als die toepassing onverenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepalingen.16.Art. 94 Grondwet verlangt daarmee een concrete toetsing van de rechter, gericht op de vraag of toepassing van het nationale wettelijke voorschrift in het voorliggende geval in strijd is met de betreffende verdragsbepaling(en).17.
2.8
In dat kader is van belang dat de strafrechter in Nederland bij de beslissing over de strafoplegging een ruime discretionaire bevoegdheid heeft, meestal de straftoemetingsvrijheid genoemd.18.De straftoemetingsbeslissing is in het Wetboek van Strafrecht van oudsher nauwelijks genormeerd, terwijl de rechter kan kiezen uit een grote verzameling aan uiteenlopende sancties, die vaak in verschillende modaliteiten kunnen worden opgelegd. De wet biedt de rechter daarbij een ruime bandbreedte bij het bepalen van de strafmaat.19.Als de rechter een sanctie voorwaardelijk oplegt, geldt automatisch de algemene voorwaarde dat de verdachte voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten mag plegen. De rechter heeft de optie daarnaast aanvullende bijzondere voorwaarden te stellen.20.Met de invoering van het ‘taakstrafverbod’ in art. 22b Sr (volwassenenstrafrecht) en in art. 77ma Sr (jeugdstrafrecht) bracht de wetgever echter een beperking aan op de vrijheid van de strafrechter. De wetgever wilde tot uitdrukking brengen dat een losse taakstraf bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven geen aanvaardbare reactie vormt.21.
2.9
Het eerste lid van art. 77ma Sr houdt in dat een taakstraf niet mag worden opgelegd bij een veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Het tweede lid van art. 77ma Sr maakt mogelijk dat een taakstraf in die gevallen wordt gecombineerd met de straf van jeugddetentie, een maatregel betreffende het gedrag of de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Anders dan in het volwassenenstrafrecht kunnen deze sancties in het jeugdstrafrecht ook voorwaardelijk worden opgelegd. Uit de wetsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat tot invoering van art. 77ma Sr heeft geleid, blijkt dat de regering op deze manier tegemoet wilde komen aan de verplichtingen uit het IVRK. De minister merkt op:
“De hier voorgestelde regeling verschilt op onderdelen van de regeling voor volwassenen. […] Een tweede verschil is dat in de regeling voor volwassenen bij de genoemde ernstige misdrijven een taakstraf kan worden opgelegd naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel (artikel 22a, derde lid, Sr). Voor jeugdigen is in dit verband in een ruimere regeling voorzien. De taakstraf kan hier ook worden opgelegd naast jeugddetentie of een pij-maatregel in de voorwaardelijke vorm. Ook kan de taakstraf worden gecombineerd met de GBM. Deze jeugdsancties hebben met elkaar gemeen dat in een verplicht kader (langdurige) behandelingen kunnen plaatsvinden. Van vrijheidsbeneming is slechts sprake wanneer de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt of niet meewerkt aan het programma. De voorgestelde regeling is zo in lijn met in het IVRK neergelegde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel wordt toegepast. Daarmee is minder goed verenigbaar dat vrijheidsbeneming als uitgangspunt wordt genomen, ook niet als onderdeel van een uitzondering op de hoofdregel die het opleggen van een taakstraf bij ernstige misdrijven uitsluit.”22.
2.10
Tot slot is van belang dat hoofdstuk 6 van boek 6 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is op in het jeugdstrafrecht opgelegde voorwaardelijke sancties. Dit betekent dat de rechter op vordering van het openbaar ministerie beslist over de eventuele tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel (art. 6:6:21 Sv). Zo’n vordering dient het openbaar ministerie in wanneer de verdachte een voorwaarde overtreedt en niet met een waarschuwing kan worden volstaan, zo is bepaald in art. 6:6:21 lid 3 Sv. Het staat de rechter vrij de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen. Ook kan hij de proeftijd en/of de bijzondere voorwaarden wijzigen (art. 6:6:19 Sv). Als het gaat om een voorwaardelijke opgelegde jeugddetentie kan de rechter een gedeeltelijke tenuitvoerlegging bevelen en/of de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie vervangen door de tenuitvoerlegging van een taakstraf (art. 6:6:21 Sv). Ook de rechter-commissaris die bevoegd is tot het nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen, staat het vrij de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen (art. 6:6:20 Sv).
De bespreking van het middel
2.11
De steller van het middel meent dat het kennelijke oordeel van het hof dat de toepassing van art. 77ma Sr onverenigbaar is met art. 37 lid 1 aanhef en onder b en art. 40 lid 1 en 4 IVRK, blijk geeft een onjuiste rechtsopvatting, dan wel niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voert hij in de kern aan dat art. 77ma Sr, anders dan het taakstrafverbod voor meerderjarigen in art. 22b Sr, de mogelijkheid geeft om een vrijheidsbenemende straf of maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen en dat het hof miskent dat de eventuele tenuitvoerlegging van zo’n voorwaardelijk opgelegde straf enkel kan plaatsvinden na hernieuwde rechterlijke tussenkomst, waarbij de rechter niet is gehouden de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. Daarbij merkt de steller nog op dat de rechter op grond van art. 77ma Sr niet verplicht is tot het stellen van bijzondere voorwaarden, en dus kan volstaan met oplegging van een voorwaardelijke straf onder de algemene voorwaarde zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten.
2.12
Het hof gaat in de strafmotivering in op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan, de persoon van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Verder benoemt het hof in dat kader het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit tot de veroordeling door het hof. Op basis daarvan komt het hof tot de conclusie dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur passend en geboden is. Het hof merkt vervolgens echter op dat art. 77ma Sr in dit geval bepaalt dat niet kan worden volstaan met een taakstraf, maar dat daarnaast ook jeugddetentie moet worden opgelegd. Ik begrijp de daaropvolgende overwegingen zo dat het hof van oordeel is dat toepassing van art. 77ma Sr in deze zaak daadwerkelijk onverenigbaar is met de een ieder verbindende onderdelen van het bepaalde in art. 37 aanhef en onder b en/of art. 40 lid 1 en/of 4 van het IVRK en dat het hof daarom beslist art. 77ma Sr buiten toepassing te laten.23.Het hof leidt uit de genoemde bepalingen, zo begrijp ik, de volgende normen af:
(i) De rechter is verplicht om vrijheidsbeneming als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur toe te passen (art. 37 aanhef en onder b IVRK).
(ii) De strafoplegging moet de herintegratie en opbouwende rol in de maatschappij van de jeugdige verdachte bevorderen (art. 40 lid 1 IVRK).
(iii) De strafoplegging mag het welzijn van de jeugdige verdachte niet schaden en moet in de juiste verhouding staan zowel tot zijn omstandigheden als tot het strafbare feit (art. 40 lid 4 IVRK).
2.13
Voor zijn oordeel dat art. 77 ma Sr buiten toepassing moet worden gelaten, geeft het hof als reden dat door toepassing daarvan een werkstraf geen alternatief meer is voor vrijheidsbeneming. Dat jeugddetentie ook voorwaardelijk kan worden opgelegd, maakt dat volgens het hof niet anders. Als de verdachte opnieuw een strafbaar feit zou plegen, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke jeugddetentie daar weliswaar een reactie op, maar blijft zij wel het directe gevolg van – en daarmee onlosmakelijk verbonden met – de oorspronkelijk opgelegde straf, zo merkt het hof op. Verder overweegt het hof in dit kader dat de werkstraf in deze strafzaak de enige juiste interventie uit het jeugdstrafrecht is. Die straf komt naar het oordeel van het hof tegemoet aan alle belangen waar het hof bij het bepalen van een straf in deze zaak rekening mee heeft te houden.
2.14
Art. 94 Grondwet brengt in deze zaak mee dat het hof moest nagaan of art. 77ma Sr een straf toestond die niet in strijd is met het IVRK. Uit het arrest blijkt niet dat was voldaan aan de voorwaarden voor een maatregel betreffende het gedrag (art. 77w Sr) of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (art. 77s Sr). Art. 77ma Sr verplichtte het hof daarmee op zijn minst tot de oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie (van minstens één dag), onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, met een korte proeftijd.24.
2.15
Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, kan een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie slechts ten uitvoer worden gelegd na schending van (een van) de daaraan gekoppelde voorwaarde(n) en op bevel van een (andere) rechter. Toepassing van art. 77ma Sr brengt bij overtreding van de voorwaarden dus niet automatisch vrijheidsbeneming mee. De rechter die definitief beslist over de vordering van het openbaar ministerie is gebonden aan de rechtstreeks werkende bepalingen van het IVRK en moet toetsen of tenuitvoerlegging daarmee niet in strijd is. Als dat nodig is om strijd met het IVRK te voorkomen, kan de rechter de vordering afwijzen of beslissen tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en deze beperken tot de kortst mogelijke passende duur. Ook kan deze rechter de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie vervangen door de tenuitvoerlegging van een taakstraf van corresponderende of kortere duur.
2.16
Bij deze stand van zaken vormt art. 77ma Sr naar mijn mening niet zo’n vergaande beperking op de straftoemetingsvrijheid, dat de toepassing daarvan in deze zaak zou leiden tot strijd met de genoemde onderdelen van het IVRK. Niet kan worden gesteld dat het hof het belang van de jeugdige verdachte en de noodzaak zijn of haar re-integratie te stimuleren niet meer als belangrijkste overweging kon meewegen bij het bepalen van de straf. De verplichte oplegging van een ten minste voorwaardelijke jeugddetentie (zonder bijzondere voorwaarden en met een korte proeftijd) verhinderde het hof ook niet een proportionele straf op te leggen. Zo’n toepassing van art. 77ma Sr is wat mij betreft ook niet onverenigbaar met het principe van vrijheidsbeneming als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur.
2.17
Het kennelijke oordeel van het hof dat de toepassing van art. 77ma Sr in het voorliggende geval onverenigbaar was met de genoemde (onderdelen van) bepalingen van het IVRK berust gelet op het voorgaande op een onjuiste rechtsopvatting.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2036, Rb. Noord-Nederland 8 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2366, Rb. Overijssel 27 mei 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2774 en RB Zeeland-West-Brabant 29 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7344. Zie P.J.H. ter Vrugt, ‘Kroniek Jeugdstraf(proces)recht’, FJR 2023/28, onder 4.
Gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 (Stb. 2024, 61).
Trb. 1995, 92, onder G. Voor de goedkeuringswet zie Stb. 1994, 862.
Zo constateerden Liefaard en Doek al in 2015. Zie T. Liefaard en J.E. Doek, ‘Kinderrechten in de rechtspraak: een internationaal perspectief’, FJR 2015/20. Zie nader M.R. Bruning, K.F.M. Klep & E.C.C. Punselie (red.), De invloed van 30 jaar Kinderrechtenverdrag in Nederland. Perspectieven voor de rechtspraktijk (Recht en Praktijk nr. PFR7), Deventer: Wolters Kluwer 2020.
Zie met betrekking tot het Comité art. 43-45 IVRK. Zie UN Committee on the Rights of the Child (CRC), General Comment No. 24 (2019) on children’s rights in the child justice system, CRC/C/GC/24, 18 september 2019 (hierna: General Comment no. 24).
Commentaren of oordelen van dit soort toezichthoudende comités zijn juridisch niet bindend, maar worden gezien als gezaghebbende aanbevelingen aan verdragsstaten. De nationale rechter kan deze gebruiken bij de interpretatie van verdragsbepalingen. Zie hierover de ‘Voorlichting over de facultatieve protocollen bij het VN-verdrag handicap en IVESCR en het 3e protocol bij het IVRK’ van de Raad van State van 29 juni 2022, onder b.
Zie over het IVRK en het jeugdstrafrecht onder meer J. uit Beijerse, Jeugdstrafrecht in theorie en praktijk, Boom: Den Haag 2025, p. 41-43 en T. Liefaard en Y. van den Brink, ‘Het internationale kader’, in: I. Weijers (red.), Jeugdstrafrecht in internationaal perspectief, Boom criminologie: Den Haag 2021.
Dit wordt ook wel een ‘holistische’ benadering genoemd. Zie Liefaard en Van den Brink, a.w. 2021, p. 126.
Volgens het Comité is het belang van het kind een materieel kinderrecht dat direct door kinderen zou moeten kunnen worden ingeroepen, een belangrijk interpretatiebeginsel en een procedurele waarborg, zie UN Committee on the Rights of the Child (CRC), General comment No. 14 (2013) on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration (art. 3, para. 1), CRC/C/GC/14, 29 mei 2013, par. 6.
Liefaard en Van den Brink, a.w. 2021, p. 134-135.
Liefaard en Van den Brink, a.w. 2021, p. 144 en General Comment no. 24, par. 76 en 78.
General Comment no. 24,par. 76: “Weight should be given to the child’s best interests as a primary consideration as well as to the need to promote the child’s reintegration into society.”
Liefaard en Van den Brink, a.w. 2021, p. 145 en General Comment no. 24, par. 73 en 77. Zie ook T. Liefaard, Deprivation of Liberty of Children in Light of International Human Rights Law and Standards (diss. Amsterdam VU), Intersentia: Antwerp/Oxford/Portland 2008, h.2.
General Comment no. 24, par. 78.
De Hoge Raad spreekt in plaats van ‘een-ieder-verbindendheid’ doorgaans van ‘rechtstreekse werking’ omdat onder ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 93 en 94 Grondwet grofweg hetzelfde wordt begrepen als onder het begrip ‘rechtstreekse werking’ binnen het Unierecht. Ik beschouw beide termen in deze conclusie als synoniemen.
Kamerstukken II 1979/80, 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 18-19. Vgl. J. de Wit, Artikel 94 Grondwet toegepast. Een onderzoek naar de betekenis, de bedoeling en de toepassing van de woorden ‘vinden geen toepassing’ in artikel 94 Grondwet’(diss. Rotterdam), Boom Juridische uitgevers: 2012, p. 298.
Vgl. HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, NJ 2023/130, m.nt. J.M. ten Voorde, r.o. 2.3.1.
Vgl. mijn conclusie van 14 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:476, onder 8.
Zie art. 14c Sr (volwassenenstrafrecht) en art. 77z (jeugdstrafrecht)
Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 4 en 26.
Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 27.
Als het hof zou vinden dat art. 77ma Sr buiten toepassing moet worden gelaten reeds omdat sprake kan zijn van strijd met (een ieder verbindende) bepalingen van het IVRK dan zou sprake zijn van schending van art. 77ma Sr en art. 94 van de Grondwet. Een nationaalrechtelijke bepaling mag namelijk pas buiten toepassing worden gelaten wanneer daadwerkelijk strijd is met een een-ieder-verbindende verdragsrechtelijke bepaling.
Art. 77y Sr stelt wel een maximum, maar geen minimum aan de vast te stellen proeftijd.
Beroepschrift 30‑12‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 21-004963-23
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2024, waarbij het Hof in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],
ter zake van — kort gezegd — het seksueel binnendringen bij een 15-jarige, een taakstraf heeft opgelegd voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Rekwirant kan zich met deze strafoplegging en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 77ma (oud) Sr en/of art. 37 aanhef en onder b IVRK en/of art. 40 lid 1 en/of lid 4 IVRK, aangezien het Hof, zoals hierna nader zal worden toegelicht, met zijn oordeel dat art. 77ma Sr in het onderhavige geval buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met art. 37 lid 1 aanhef en onder b en art. 40 lid 1 en 4 IVRK, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
1.
Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
‘Subsidiair
hij op 28 mei 2020 te [a-plaats], met [benadeelde], geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal
- —
de borsten, billen en vagina van die [benadeelde] betast/aangeraakt en beetgepakt en
- —
zijn penis in de mond van die [benadeelde] gebracht en gehouden en
- —
zijn penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en gehouden’
2.
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het Hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
‘Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een destijds vijftienjarig slachtoffer. Verdachte had zich hiervan moeten onthouden, gelet op de jonge leeftijd van aangeefster. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid en de seksuele ontwikkeling van jeugdigen. Zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring, ondervindt aangeefster daadwerkelijk nog altijd last als gevolg van dit strafbare feit. Het hof rekent verdachte dit aan.
(…)
Het hof ziet redenen om verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarbij weegt het hof mee dat aangeefster weliswaar vijftien jaar oud was, maar binnen enkele weken na het bewezenverklaarde zestien jaar is geworden.
Daarnaast houdt het hof rekening met het feit dat de opsporing in deze zaak erg lang heeft stilgelegen en het bewezenverklaarde mede daardoor inmiddels vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het hof zal volstaan met de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uur. Die straf acht het hof passend, maar ook geboden gelet op de ernst van de normschending.
Artikel 77ma Sr bepaalt — voor zover hier van belang — dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, maar dat daarnaast jeugddetentie moet worden opgelegd voor het bewezen verklaarde feit. Het hof overweegt dat het jeugdstrafrecht nu juist wordt gekenmerkt door de bijzondere positie die het inneemt binnen het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder door het pedagogisch karakter daarvan. Het doel van het jeugdstrafrecht is (her)opvoeding en resocialisatie. De artikelen 77g en 77h Sr bieden de rechter een scala aan straffen en maatregelen om dat doel in een strafzaak van een individuele verdachte te verwezenlijken. Het jeugdstrafrecht is steeds maatwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de situatie van de verdachte en de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan. Toepassing van artikel 77ma Sr kan strijd opleveren met het bepaalde in artikel 37 lid 1, aanhef en onder b en art. 40 lid 4 van het Verdrag in zake de Rechten van het Kind (IVRK). Volgens deze artikelen zijn Staten verplicht om vrijheidsbeneming als uiterste maatregel te hanteren en moeten zij ervoor zorgen dat de strafrechtelijke aanpak van minderjarigen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat tot zowel hun omstandigheden als het strafbare feit. In het geval van verdachte, zou artikel 77ma Sr verplichten tot het opleggen van een jeugddetentie naast een werkstraf aan verdachte. Op deze wijze is een werkstraf geen alternatief meer voor vrijheidsbeneming. Dat jeugddetentie ook voorwaardelijk kan worden opgelegd, maakt dat niet anders. Als verdachte opnieuw een strafbaar feit zou plegen, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke jeugddetentie daar weliswaar een reactie op, maar blijft zij wel het directe gevolg van — en daarmee onlosmakelijk verbonden met — de oorspronkelijk opgelegde straf. Ook kan toepassing van artikel 77ma Sr strijd opleveren met artikel 40 lid 1 van het IVRK. Dat artikellid bepaalt dat Staten minderjarigen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld voor een strafbaar feit zo te behandelen dat dit hun herintegratie en opbouwende rol in de maatschappij bevordert. Dit alles overziend, is het hof van oordeel dat de hierna op te leggen werkstraf aan verdachte in deze strafzaak als enige juiste interventie uit het jeugdstrafrecht aan hem moet worden opgelegd. Die straf komt naar het oordeel van het hof tegemoet aan alle belangen waar het hof bij het bepalen van een straf in deze zaak rekening mee heeft te houden.’
3.
De door het Hof aangehaalde artikelen, voor zover van belang, luidden ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt:
Art. 77ma (oud) Sr1.:
- ‘1.
Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
- a.
een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
(…)
- 2.
Van het eerste lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf, jeugddetentie, de maatregel betreffende het gedrag of de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd’
Art. 37 IVRK:
‘De Staten die partij zijn, waarborgen dat:
(…)
- b.
geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
(…)’
Art. 40 IVRK:
- 1.
‘De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving
(…)
- 4.
een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit.’
4.1
Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit was ten tijde van de pleegdatum strafbaar gesteld in art. 245 (oud) Sr, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving meer dan 6 jaren gevangenisstraf was gesteld. Hoewel het Hof dit in zijn overweging met betrekking tot de inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer niet met zoveel woorden zegt, volgt uit de verwijzing naar art. 77ma Sr dat het Hof voorts meende dat dit feit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft gemaakt. Gelet op hetgeen het Hof bewezen heeft verklaard, ligt dat ook in de rede. Dit brengt met zich mee dat art. 77ma (oud) Sr van toepassing was.
4.2
Het Hof overweegt vervolgens dat toepassing van art. 77ma Sr in strijd kan komen met art. 37 aanhef en onder b IVRK en art. 40 lid 1 en lid 4 IVRK. Dit omdat art. 77ma Sr in het geval van verdachte jeugddetentie naast de werkstraf zou voorschrijven, waardoor een werkstraf geen alternatief meer is voor vrijheidsbeneming. Dat de jeugddetentie eventueel voorwaardelijk opgelegd kan worden, maakt dit volgens het Hof niet anders, nu bij een eventuele tenuitvoerlegging van die straf de jeugddetentie dan nog steeds het directe gevolg is van en onlosmakelijk is verbonden met de oorspronkelijk opgelegde straf. Het Hof komt uiteindelijk tot het oordeel dat (enkel) een taakstraf, als enige juiste interventie in het jeugdstrafrecht, aan verdachte moet worden opgelegd.
Hoewel het Hof dit dus door het gebruik van het woord ‘kan’ niet met zoveel woorden zegt, meent rekwirant dat deze overwegingen bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan dat het Hof zich realiseerde dat art. 77ma Sr aan het opleggen van enkel een taakstraf in de weg stond, maar dat het meende dat toepassing van dit artikel in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk in strijd was met art. 37 aanhef en onder b en/of 40 lid 1 en/of lid 4 IVRK, waardoor in dit geval art. 77ma Sr buiten toepassing diende te blijven.
4.3
Naar de mening van rekwirant levert art. 77ma (oud) Sr, noch in zijn algemeenheid, noch in de onderhavige zaak, spanning op met art. 37 aanhef en onder b en/of art. 40 lid 1 en 4 IVRK. Dit artikel geeft immers, anders dan het taakstrafverbod voor meerderjarigen in art. 22b Sr, de mogelijkheid om een vrijheidsbenemende straf of maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit een bewuste keuze van de wetgever was, juist omdat anders sprake zou kunnen zijn van strijd met het IVRK. In de memorie van toelichting bij het wetvoorstel waarmee art. 77ma Sr werd ingevoerd2., wordt hierover onder meer opgemerkt:
‘De taakstraf kan hier ook worden opgelegd naast jeugddetentie of een pijmaatregel in de voorwaardelijke vorm. Ook kan de taakstraf worden gecombineerd met de GBM. Deze jeugdsancties hebben met elkaar gemeen dat in een verplicht kader (langdurige) behandelingen kunnen plaatsvinden. Van vrijheidsbeneming is slechts sprake wanneer de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt of niet meewerkt aan het programma. De voorgestelde regeling is zo in lijn met in het IVRK neergelegde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel wordt toegepast. Daarmee is minder goed verenigbaar dat vrijheidsbeneming als uitgangspunt wordt genomen, ook niet als onderdeel van een uitzondering op de hoofdregel die het opleggen van een taakstraf bij ernstige misdrijven uitsluit.’
En in de memorie van antwoord van 6 november 20133.:
‘Zo is de combinatie met voorwaardelijke vrijheidsbenemende sancties mogelijk gemaakt. Daarmee wordt in het voorstel met de jeugdigheid rekening gehouden. Ook brengt dat de voorgestelde regeling in overeenstemming met de verdragsrechtelijke verplichtingen die in dit verband gelden. Ik doel dan in het bijzonder op artikel 37 IVRK dat voorschrijft dat van vrijheidsontneming slechts in het uiterste geval sprake kan zijn.’
De rechter heeft ook binnen het kader van art. 77ma Sr dus de mogelijkheid om in voorkomende gevallen af te zien van onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van verdachte.
4.4
De overwegingen van het Hof omtrent een eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, maken dit naar het oordeel van rekwirant niet anders. Het Hof miskent daarmee dat tenuitvoerlegging daarvan enkel plaats kan vinden na hernieuwde rechterlijke tussenkomst en dat die rechter daarbij niet gehouden is de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De rechter kan er ook voor kiezen de proeftijd te verlengen of de vordering af te wijzen. Wijst de rechter de vordering wel toe, dan kan de rechter ook de tenuitvoerlegging van slechts een deel van de voorwaardelijk opgelegde straf bevelen, zodat in dat geval ook recht kan worden gedaan aan de in het IVRK neergelegde eis dat een eventuele vrijheidsbeneming ‘voor de kortst mogelijke passende duur’ dient te zijn. Indien de vordering tot tenuitvoerlegging gepaard gaat met vervolging voor een nieuw strafbaar feit, kan de rechter voor dat nieuwe feit, indien deze eveneens onder het bereik van art. 77ma Sr valt, opnieuw een geheel voorwaardelijke jeugddetentie of vrijheidsbenemende maatregel opleggen. In andere woorden, er zal zich nooit een situatie kunnen voordoen waarin een rechter op grond van art. 77ma Sr direct of indirect, dat wil zeggen via een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, gedwongen wordt tot een strafoplegging die daadwerkelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Uit de eerder genoemde memorie van toelichting blijkt dat ook dit precies is zoals de wetgever het heeft beoogd4.:
‘Tenslotte wijs ik ook in dit verband op artikel 37, onderdeel b, van het IVRK. Ook wanneer een soortgelijk misdrijf opnieuw aanleiding geeft voor het opleggen van straf moet de wet voor het opleggen van straf aan minderjarigen ruimte te laten om opnieuw te bezien of vrijheidsbeneming kan worden voorkomen. In plaats daarvan kan met een andere sanctie(-combinatie) ook een adequate reactie op het misdrijf worden gegeven.’
Art. 37 aanhef en onder b IVRK en art. 40 lid 1 en lid 4 IVRK gaan naar het oordeel van rekwirant niet zo ver dat het enkele feit dat een strafoplegging in de toekomst en onder bepaalde voorwaarden tot een vrijheidsbeneming zou kunnen leiden, maakt dat die strafoplegging reeds om die reden in strijd is met genoemde bepalingen. Een tegengestelde opvatting zou overigens met zich meebrengen dat ook de door het Hof opgelegde taakstraf strijdig is met genoemde bepalingen van het IVRK, nu ook deze taakstraf onder bepaalde omstandigheden, namelijk wanneer deze niet naar behoren wordt verricht, tot vrijheidsbeneming zou kunnen leiden. Ook deze vrijheidsbeneming zou dan, om aan te sluiten bij de woorden van het Hof, ‘het directe gevolg van — en daarmee onlosmakelijk verbonden met — de oorspronkelijk opgelegde straf’ zijn.
4.5
Voor zover het Hof zou hebben gemeend dat het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie, ook als die niet tot vrijheidsbeneming leidt, op zichzelf ook al in strijd zou kunnen komen met de door het Hof aangehaalde artikelen van het IVRK, brengt rekwirant nog het volgende naar voren.
Met betrekking tot art. 37 aanhef en onder b IVRK merkt rekwirant op dat in dit artikel niet is voorgeschreven dat jeugddetentie als zodanig slechts als uiterste maatregel mag worden opgelegd, maar dat het in dit artikel gaat om daadwerkelijke vrijheidsbeneming. Een geheel voorwaardelijke jeugddetentie houdt op het moment van de uitspraak juist géén daadwerkelijke vrijheidsbeneming in en hoeft daar zoals hiervoor uiteen is gezet ook niet zonder meer toe te leiden. In ieder geval niet zonder hernieuwde rechterlijke tussenkomst, bij welke gelegenheid de rechter de noodzaak van vrijheidsbeneming opnieuw in volle omvang kan toetsen en eventuele vrijheidsbeneming ook ‘voor de kortst mogelijke passende duur’ kan opleggen. Ook in zoverre levert art. 77ma Sr dus geen strijd op met art. 37 aanhef en onder b IVRK.
4.6
Met betrekking tot art. 40 lid 1 en lid 4 IVRK merkt rekwirant op dat voorwaardelijke jeugddetentie zoals gezegd op het moment van de uitspraak niet leidt tot vrijheidsbeneming van de minderjarige. Het enige dat de minderjarige op dat moment dus merkt van voorwaardelijke jeugddetentie, zijn de daaraan gekoppelde voorwaarden en de dreiging van (vervangende) vrijheidsbeneming indien hij die voorwaarden niet naleeft. De rechter heeft daarbij de mogelijkheid om aan de voorwaardelijke jeugddetentie enkel de voorwaarde te koppelen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig mag maken aan nieuwe strafbare feiten. Rekwirant vermag niet in te zien op welke manier het opleggen van een dergelijke voorwaardelijke straf, om aan te sluiten bij de woorden van art. 40 lid 1 IVRK, met het oog op de bevordering van herintegratie en de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving, op zichzelf problematisch of schadelijk zou kunnen zijn. Met die voorwaarde wordt immers van de minderjarige niets anders gevraagd dan wat te allen tijde van eenieder in Nederland wordt gevraagd, te weten het zich onthouden van het plegen van strafbare feiten.
4.7
Gelet op het bovenstaande is rekwirant van mening dat het Hof met zijn oordeel dat art. 77ma (oud) Sr in het onderhavige geval buiten toepassing gelaten moet worden wegens strijd met art. 37 lid 1 aanhef en onder b en art. 40 lid 1 en 4 IVRK, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
5.
Het arrest van het Hof staat niet op zich. Op 22 juni 2022 nam het Gerechtshof 's-Hertogenbosch een nagenoeg identieke beslissing5.. Ook rechtbanken hebben, al dan niet onder verwijzing naar voornoemd arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, om vrijwel identieke redenen art. 77ma (oud) Sr buiten toepassing gelaten6..
Rekwirant realiseert zich dat indien het Hof in onderhavige zaak naast de taakstraf een voorwaardelijke jeugddetentie van één dag zou hebben opgelegd, hetgeen het Hof op grond van art. 77i lid 1 onder a Sr kon doen, het zou hebben voldaan aan art. 77ma (oud) Sr. In zoverre is het onwaarschijnlijk dat toepassing van dit artikel door het Hof tot een wezenlijk andere uitkomst van de onderhavige strafzaak zou hebben geleid. Niettemin meent rekwirant gelet op genoemd patroon in de rechtspraak toch belang te hebben bij het cassatieberoep. Het is immers niet alleen in het belang van het Openbaar Ministerie, maar ook in het belang van de maatschappij als geheel, dat een rechter geen straf oplegt die de wet niet toelaat dan wel dat de rechter geen wetten op onjuiste gronden buiten toepassing laat.
Indien dit cassatiemiddel, of een onderdeel daarvan, doel treft, zal het bestreden arrest van 28 mei 2024 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 30 december 2024
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑12‑2024
Zie bijvoorbeeld Rb. Noord Nederland 8 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2366 en Rb. Amsterdam 25 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6188.