Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.2.2
13.2.2 Samenloop met zgn. fictieve aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458989:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Naar mijn mening bevat art. 24, tweede lid, Wet IB een tekstuele onvolkomenheid en is verzuimd tevens te verwijzen naar art. 68a Wet IB en art. 68aa Wet IB. Bij Wet van 17 juni 1998, Stb. 350, ingevolge welke wet per 24 juni 1998 - voor de juridische splitsing geldt een terugwerkende kracht tot 1 februari 1998 - de nieuwe wettelijke regeling terzake van de juridische fusie en de juridische splitsing in de fiscale wetgeving is ingevoerd, is verzuimd de aanhef van art. 24, tweede lid. Wet IB uit te breiden met een verwijzing naar art. 68a Wet IB (juridische splitsing) en art. 68aa Wet IB (juridische fusie). Strikt genomen betekent dit dat in de visie van de fiscale wetgever geen aanvullende heffing wegens inkomsten uit vermogen kan plaatsvinden als aandelen en winstbewijzen als gevolg van een juridische splitsing of een juridische fusie tot een zgn. fictief aanmerkelijk belang gaan behoren ex art. 68a, zesde lid. Wet IB of art. 68aa, zesde lid. Wet IB.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3. blz. 74-75.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 75.
In hoofdstuk 9, onderdeel 9.2.1 werp ik de vraag op of een bepaling als art. 24, tweede lid. Wet IB, gelet op HR 21 december 1977, BNB 1978/94 wel noodzakelijk is.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 75. Vgl. tevens de voorbeelden genoemd in T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime. Fiscaal Actueel, blz. 20-21, Kluwer, Deventer, 1997.
Tot mijn spijt heb ik moeten constateren dat de uitwerking van bovenvermeld voorbeeld in mijn: 'Opbrengsten van aandelen; het nieuwe regime geëvalueerd', academisch proefschrift, Rotterdam, 1999 waarin hetzelfde voorbeeld is opgenomen, niet juist is.
Blijkens HR 21 juni 1978, BNB 1978/207 kan een zgn. fictief aanmerkelijk belang niet leiden tot een verlies uit aanmerkelijk belang (zie hoofdstuk 9, onderdeel 9.3.3).
De tweede uitzondering op de rangorderegeling betreft het zgn. fictieve aanmerkelijk belang van art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB en krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde (zie hoofdstuk 9).1 Blijkens genoemde bepalingen worden de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen in geval van een fictief aanmerkelijk belang enkel tot het aanmerkelijk belang gerekend voor zover het de vervreemdingsvoordelen betreft. Zoals in hoofdstuk 9, onderdeel 9.3 is uiteengezet, bedraagt deze aanmerkelijkbelangheffing maximaal het vervreemdingsvoordeel dat aanwezig is op het moment dat de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen niet langer aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie voldoen. Voor de reguliere voordelen van tot een fictief aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of -schuldvorderingen is de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' aldus niet langer relevant. Deze vallen voortaan onder bron 'inkomsten uit vermogen'. In geval van aandelen en winstbewijzen betekent dit bijvoorbeeld dat de dividendvrijstelling van art. 42c Wet IB weer van toepassing is, waar dit onder de 'echte' of afgeleid-aanmerkelijkbelangpositie niet het geval was (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.3.1). Voorts zijn (financierings)kosten van de fictief aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen weer aftrekbaar van het inkomen tegen het normale tabeltarief van maximaal 60% in plaats van op de voet van art. 60 Wet IB tegen een tarief van 25% verrekenbaar met de overigens verschuldigde inkomstenbelasting.
Vervolgens diende een anticumulatiebepaling te worden opgenomen in de bron 'inkomsten uit vermogen' teneinde dubbele belastingheffing met de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' te voorkomen. Mogelijke dubbele belastingheffing doet zich immers voor als sprake is van een (rechts)handeling die zowel onder de categorie vervreemdingsvoordelen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' ^- in zoverre is de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' immers nog van toepassing op de fictief aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen en -schuldvorderingen - als onder de bron 'inkomsten uit vermogen' kan vallen. Hierbij kan met name worden gedacht aan de inkoop van tot een fictief aanmerkelijk belang behorende aandelen, de inkoop en afkoop van tot een fictief aanmerkelijk belang behorende winstbewijzen en de liquidatie van de vennootschap:
Inkoop van tot een fictief aanmerkelijk belang behorende aandelen (ter amortisatie) leidt immers zowel tot aanmerkelijkbelangheffing ex art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.1) als tot belastingheffing opgrond van de bron 'inkomsten uit vermogen' ingevolge HR 14 november 1956, BNB 1957/20;
Inkoop en afkoop van tot een fictief aanmerkelijk belang behorende winstbewijzen leidt eveneens tot aanmerkelijkbelangheffing op grond van art. 20a, zesde lid, onderdeel b, Wet IB (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.2) als ook tot inkomstenuitvermogenheffing op grond van art. 25, achtste lid, Wet IB. Hierbij is irrelevant of sprake is van winstbewijzen die door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. tijdelijke winstbewijzen, of winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen;
Liquidatie van de vennootschap leidt tot aanmerkelijkbelangheffing ex art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.3) en tot belastingheffing wegens inkomsten uit vermogen op basis van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB. De overige in art. 20a, zesde lid, Wet IB (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3) opgenomen fictieve vervreemdingen leiden niet tot belastingheffing wegens de bron 'inkomsten uit vermogen', zodat zich ten aanzien van deze fictieve vervreemdingen geen samenloop tussen de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit vermogen' kan voordoen. Teneinde genoemde ongewenste samenloop van belastingheffing wegens de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit vermogen' te voorkomen, bepaalt art. 24, tweede lid, Wet IB met betrekking tot aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die tot een fictief aanmerkelijk belang behoren dat de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt voorzover die inkomsten uitgaan boven hetgeen aan vervreemdingsvoordelen wordt genoten. De bron 'winst uit aanmerkelijk belang' gaat dus voor, zodat in zoverre ook het proportionele 25%-tarief van toepassing is op genoemde voordelen. Voor de bron 'inkomsten uit vermogen' resteert enkel een aanvullende heffing, waarop dan het voor een dergelijke heffing gebruikelijke tarief van toepassing is; veelal is dit het hoge bijzondere tarief van 45%.
Voorts heeft art. 24, tweede lid, Wet IB blijkens de wetsgeschiedenis tot doel om in geval van inkoop van aandelen, afkoop en inkoop van (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen en liquidatie van de vennootschap een aanvullende heffing mogelijk te maken op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen.2 De gedachte zou immers kunnen postvatten dat, nu in genoemde situaties belastingheffing plaatsvindt op basis van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang', niet meer zou kunnen worden toegekomen aan belastingheffing op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen'. De memorie van toelichting is hierin bijzonder duidelijk en stelt dat zonder uitdrukkelijke bepaling in art. 24 Wet IB er bij een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang geen mogelijkheid zou bestaan om over te gaan tot belastingheffing ter zake van inkomsten uit vermogen, hoewel bij een fictief aanmerkelijk belang de aanmerkelijkbelangwinst is gemaximeerd op een bedrag uit het verleden. Artikel 24, tweede lid, Wet IB voorkomt dit en bewerkstelligt tevens dat geen dubbele belastingheffing plaatsvindt.3,4 In de memorie van toelichting wordt ter toelichting op deze gecombineerde toepassing van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit vermogen' het volgende voorbeeld gegeven.5
Voorbeeld
Stel een belastingplichtige heeft een aantal aandelen in een vennootschap met een verkrijgingsprijs van ƒ 40 000. Het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal bedraagt ƒ 10 000. Op het tijdstip waarop eigenlijk aanmerkelijkbelangheffing had moeten plaatsvinden, bedroeg de waarde in het economische verkeer van deze aandelen ƒ 60 000. Op het tijdstip van inkoop bedraagt de waarde in het economische verkeer ƒ 90 000.
Met een doorschuifbepaling wordt de afrekening over de winst uit aanmerkelijk belang verschoven naar een tijdstip dat de aandelen worden vervreemd. Het tijdstip van inkoop is een dergelijk moment; op dat tijdstip bedraagt de winst uit aanmerkelijk belang ƒ 90 000 -/- ƒ 40 000 = ƒ 50 000. Ingevolge het bij beschikking vastgestelde bedrag bedraagt de winst uit aanmerkelijk belang echter maximaal ƒ 20 000 (te weten ƒ 60 000 -/- ƒ 40 000). De inkoop van aandelen is tevens aan te merken als een transactie die valt onder het regime van inkomsten uit vermogen. Als inkomsten uit vermogen wordt aangemerkt ƒ 90 000 -/-ƒ 10 000 = ƒ 80 000. Ingevolge artikel 24, tweede lid, Wet IB wordt deze heffing beperkt tot ƒ 60 000, omdat ter gelegenheid van dezelfde gebeurtenis reeds ƒ 20 000 wordt belast als winst uit aanmerkelijk belang.
Zou in bovenvermeld voorbeeld de inkoopprijs geen ƒ 90 000 hebben bedragen, doch slechts ƒ 50 000 (hetgeen tevens de werkelijke waarde van de ingekochte aandelen is, aangezien anders de correctiemaatregel van art. 20c, vierde lid. Wet IB toepassing vindt (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5)), dan zou belastingheffing wegens winst uit aanmerkelijk belang zijn opgetreden voor een bedrag van ƒ 10 000 (ƒ 50 000 -/- ƒ 40 000) en belastingheffing wegens inkomsten uit vermogen ter grootte van ƒ 50 000 -/- ƒ 10 000 = ƒ 40 000. Door de werking van art. 24, tweede lid, Wet IB wordt deze belastingheffing wegens inkomsten uit vermogen beperkt tot een bedrag van ƒ 30 000, aangezien een bedrag van ƒ 10 000 reeds als winst uit aanmerkelijk belang is belast.6 Zou de inkoopprijs minder hebben bedragen dan de verkrijgingsprijs voor de aanmerkelijkbelangregeling, bijvoorbeeld ƒ 30 000 (hetgeen wederom de werkelijke waarde is van de ingekochte aandelen), dan zou geen aanmerkelijkbelangheffing plaatsvinden7, doch louter belastingheffing wegens inkomsten uit vermogen ter grootte van ƒ 30 000 -/-ƒ10 000 = ƒ 20 000. Bij een lagere inkoopprijs dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal treedt noch belastingheffing op wegens winst uit aanmerkelijk belang noch wegens inkomsten uit vermogen.