HR, 28-03-2023, nr. 21/01795
ECLI:NL:HR:2023:475
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/01795
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:475, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Cassatie, Peek)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:3145
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:164
ECLI:NL:PHR:2023:164, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:475
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 21/01721, 21/01747, 21/01874, 21/01722, 21/01878 en 21/01895.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01795
Datum 28 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 april 2021, nummer 20-001132-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Samenhangende Peek. Cassatieberoep n-o.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01795
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 16 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en 10a, eerste lid van de Opiumwet’ veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01721, 21/01722, 21/01747, 21/01874, 21/01878 en 21/01895. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 22 september 2021 betekend. De gerechtelijke brief is op die dag uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] , [plaats] . In de schriftelijke volmacht bij de akte cassatie is dit als het adres van verdachte vermeld. Uit de informatiestaat SKDB-persoon van verdachte blijkt dat van de verdachte geen adres in Nederland bekend is. Als adres is ook in de SKDB-staat vermeld: [a-straat 1] , [plaats] . Met de verzending aan dat adres is voldaan aan de eis van art. 36e, derde lid, Sv.1.
4. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023