Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/12.4.4
12.4.4 Stelplicht en bewijslast
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS504726:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie A-G LANGEMEIJER in zijn conclusie (sub 2.3) vóór HR 5 december 2003 (Braam c.s./Stichting Standvast Wonen), NJ 2004, 75: 'Wanneer de [desbetreffende partij] de gestelde feiten ontkent en (...) zijn ontkentenis onderbouwt met andere feiten — in de s.t. wordt dit een 'nee, want... '-verweer genoemd —, heeft dit niet tot gevolg dat de [desbetreffende partij] daarmee de bewijslast naar zich toehaalt. (...).' [tekst en cursief toegevoegd]; zie in dezelfde zin diens conclusie (sub 2.16) vóór HR 1 oktober 2004 (De Faunabescherming/ Provincie Ftysl NJ 2004, 679, m.nt. TK.
Vgl. Hoge Raad 21 februari 1913 (Offermeier/Portheine), NJ 1913, 584, W 9481, m.nt. EMM en ook SANDERS (diss.), blz. 208.
Vgl. 1-11( 27 juni 1997 (Schelhaas/Delta Lloyd Verzekeringsgroep), NJ 1998, 147, m.nt. HJS (zij het wél met betrekking tot een verzoekschriftprocedure); vgl. ook art. 85-86 Rv.
Zie voor de vraag of de wederpartij rechtsgeldig is vertegenwoordigd bijvoorbeeld de conclusie van A-G STRIKWERDA vóór HR 10 november 2006 (Aquvex Trade/Likom Products), LJN AY7918 (zie www.rechtspraak.nl), zij het met betrekking tot een forumkeuzebeding.
Zie ASSER, Bewijslastverdeling, no. 245; het gaat dan om feiten en omstandigheden rondom de totstandkoming van de overeenkomst die een bepaalde uitleg aannemelijk maken.
Vgl. HR 9 december 1994 (Janssen/Zeeuws Vlaamse Gieterij c.s.), r.o. 3.7, NJ 1995, 197 '(...) maar dat de bewoordingen van deze bepaling voorshands de door [de partij die zich op de bepaling beriep] op dit stuk verdedigde uitleg zodanig aannemelijk maakten dat het op de weg van [de wederpartij] lag daartegen tegenbewijs te leveren.' [tekst geschrapt en toegevoegd]; vgl. eveneens HR 10 maart 1995 (Vlooienmarkt Midden-Holland/Groenten- en Fruitveiling 'De Kring'), r.o. 3.5.3, NJ 1995, 550, m.nt. PAS (beide ontleend aan ASSER, Bewijslastverdeling, no. 245) (zie ook 4.2.2 sub d).
ASSER, Bewijslastverdeling, no. 48.
Als gezegd, is daartoe een bewijsaanbod niet nodig, doch ook 'niet mogelijk', in die zin dat wel wordt verlangd dat de desbetreffende partij het schriftelijk bewijs zelfstandig in het geding brengt en toelating van het bewijs niet afwacht (zie HR 27 juni 1997 (Schelhaas/Delta Lloyd Verzekeringsgroep), NJ 1998, 147, m.nt. HTS); vgl. ook art. 85-86 Rv.
Het bewijsaanbod behoeft niet te worden gespecificeerd omdat dit op tegenbewijs ziet (zie bijvoorbeeld HR 9 januari 1998 (L/Gem. Utrecht), NJ 1999, 413, m.nt. HTS); zie ook Prri.o/HipmA & RUIGERS, no. 33; wordt op grond van art. 151 lid 2 Rv tegenbewijs geleverd door middel van getuigen, dan kan de wederpartij op grond van art. 168 Rv daartegen op eigen beurt in contraenquête tegenbewijs leveren: 'Art. 168 heeft, (...), betrekking op het probandum van de enquête, ongeacht of dat bewijslevering is teneinde te voldoen aan bewijslast dan wel tegenbewijslastlevering op de voet van art. 151 lid 2 Rv.' (ASSER, Bewijslastverdeling, no. 47).
Zie voor dit onderscheid ASSER, Bewijslastverdeling, no. 47.
Zie wederom A-G LANGEMEIJER in zijn conclusie (sub 2.3) vóór BR 5 december 2003 (Braam c.s./Stichting Standvast Wonen), NJ 2004, 75: '(...). Wanneer de wederpartij (...) een beroep doet op bevrijdende feiten — in de s.t. wordt dit een 'ja, maar ... '-verweer genoemd —, ligt het volgens de objectieve leer in beginsel op de weg van deze wederpartij om die bevrijdende feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen.' [cursief toegevoegd]; zie in dezelfde zin diens conclusie (sub 2.16) vóór BR 1 oktober 2004 (De Faunabescherming/Provincie Ftysldn), NJ 2004, 679, m.nt. TK.
We hebben kunnen constateren dat de verweerder zich op de overeenkomst tot arbitrage zal moeten beroepen en de rechter zich niet ambtshalve onbevoegd verklaart. De stelplicht terzake rust dus op de verweerder in het geding bij de gewone rechter (zie ook art. 1022 lid 1 Rv). Hij beroept zich immers op de totstandkoming van een overeenkomst tot arbitrage.
Art. 149 lid 1 Rv bepaalt dat gestelde feiten of rechten die de wederpartij niet of niet voldoende betwist, als vaststaand worden aangemerkt. Art. 149 lid 1 Rv bepaalt voorts dat de rechter bewijs mag verlangen van feiten (ook als deze niet of niet voldoende zijn betwist) zo vaak aanvaarding van de stellingen van één van de partijen mocht leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
Indien wij de hoofdregel van art. 149 lid 1 Rv toepassen, zal de eiser in het geding bij de gewone rechter (als verweerder in het bevoegdheidsincident) in beginsel voldoende moeten betwisten dat een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat, wil hij voorkomen dat de overeenkomst tot arbitrage een vaststaand feit vormt. Uit het feit dat de eiser het geding bij de gewone rechter aanhangig heeft gemaakt, mag men mijns inziens nog niet afleiden dat hij de totstandkoming van de arbitrageovereenkomst betwist, al zal hieraan bij de uitleg van de stellingen van de eiser wel belang kunnen toekomen. Het zal overigens zelden voorkomen dat de eiser de overeenkomst tot arbitrage niet betwist. De eiser is immers niet voor niets een geding bij de gewone rechter begonnen. Aangezien met de overeenkomst tot arbitrage veelal afstand wordt gedaan van het recht op toegang tot de bij de wet ingestelde gerechten, kan worden verdedigd dat aan de motivering van de betwisting niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Zo kan ik mij voorstellen dat niet al te hoge eisen worden gesteld als alle feiten erop wijzen dat partijen arbitrage zijn overeengekomen. Andersom, als niets daarop wijst, kan ik mij voorstellen dat een blote ontkenning kan volstaan.
Overigens is de uitzondering op de hoofdregel in art. 149 Rv mijns inziens niet van toepassing. De aanvaarding van de stelling dat een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat, leidt niet tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Ofschoon met een overeenkomst tot arbitrage veelal afstand wordt gedaan van het recht op toegang tot de gewone rechter (art. 6 EVRM en art. 17 Grondwet), staat het recht op toegang wel degelijk ter vrije bepaling van partijen. Zij kunnen daarvan immers vrijwillig afstand doen. Slechts voorzover partijen niet vrijwillig afstand hebben gedaan van het recht op toegang tot bij de wet ingestelde gerechten, bestaat strijd met het recht op toegang en dientengevolge met de openbare orde (zie 3.2 en 3.3). Het recht op toegang zal daarom slechts aan de orde zijn als de overeenkomst tot arbitrage wordt betwist. Wordt de overeenkomst tot arbitrage niet betwist, dan is het recht op toegang niet in het geding en zal de gewone rechter niet op grond van art. 149 lid 1 Rv ambtshalve bewijs mogen verlangen. Vraag is wellicht nog wel of het recht op toegang al in geding is zodra een partij de overeenkomst tot arbitrage betwist zonder dat zij de betwisting motiveert. Ik meen dat mag worden aangenomen dat, eerst als voldoende wordt betwist dat vrijwillig afstand van het recht op toegang is gedaan, het recht op toegang in het geding is en eerst dan een rechtsgevolg in beeld komt (i. e. het recht op toegang) dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Alsdan zal eerst bij een genoegzame betwisting ambtshalve bewijs mogen worden verlangd als bedoeld in de uitzondering van art. 149 lid 1 Rv. Overigens maakt het dan voor art 149 lid 1 Rv niet echt uit of wij met ambtshalve bewijs van doen hebben of niet. Bewijs mag — overeenkomstig de hoofdregel van art. 149 lid 1 Rv — sowieso worden verlangd als de wederpartij het gestelde feit of recht voldoende betwist, dit ongeacht of de rechtsgevolgen die aan de orde zijn niet ter vrije bepaling van partijen staan.
Het verweer van de eiser waarbij hij de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage betwist, zal veelal een zogenaamd "nee, want... -verweer" vormen.1 Zulks betekent geenszins dat de eiser de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van de betwisting van de overeenkomst tot arbitrage.2
Het vorenstaande ligt enigszins anders als het gaat om zaken die überhaupt niet aan de gewone rechter mogen worden onttrokken en daarom niet voor arbitrage vatbaar zijn. Op dit punt is de openbare orde sowieso in het geding en zal de gewone rechter - voorzover nodig - ambtshalve bewijs mogen verlangen zodra de verweerder zich op de overeenkomst tot arbitrage beroept.
Indien de eiser de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage genoegzaam betwist, rust de bewijslast terzake op de verweerder omdat hij zich op het bestaan van de overeenkomst tot arbitrage en de daaraan verbonden rechtsgevolgen (onbevoegdverklaring) beroept (art. 150 Rv) (zie ook 11.6.3).3 Voor het bewijs zal de desbetreffende verweerder een geschrift moeten overleggen als bedoeld in art. 1021 Rv. Omkering van de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid laat zich eigenlijk nauwelijks voorstellen (art. 150 Rv).4
Het vorenstaande wordt mijns inziens bevestigd in het arrest Meulen/Keijsers:
’3.3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte art. 1021 Rv buiten toepassing heeft gelaten, volgens hetwelk de overeenkomst tot arbitrage, wanneer zij wordt betwist, wordt bewezen door een geschrift, waarvoor voldoende is - onder meer - een geschrift dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door de wederpartij is "aanvaard".
Het middel neemt daarbij tot uitgangspunt dat, nu Meulen zich niet uitdrukkelijk had beroepen op art. 1021 Rv, het hof het beroep van Keijsers op de onbevoegdheid van de rechtbank ambtshalve had te toetsen aan het bepaalde in dat artikel. Dit uitgangspunt is juist. Het hof heeft overwogen dat "de grieven kunnen (worden) herleid tot de klacht dat de rechtbank ten onrechte de exceptie van onbevoegdheid gegrond heeft bevonden" (r.o. 3 van het tussenarrest van 13 febr. 1990). Nu Meulen, naar in deze overweging besloten ligt, de omstreden vraag of Keijsers zich terecht erop beriep dat arbitrage was overeengekomen aan 's hofs oordeel had onderworpen, was het hof, ook al had Meulen zich ter ondersteuning van de door hem bepleite ontkennende beantwoording van deze vraag niet op art. 1021 beroepen, ingevolge art. 48 Rv gehouden dat artikel ambtshalve in zijn oordeel omtrent die vraag te betrekken?."5 [cursief toegevoegd]
Indien de verweerder uiteindelijk geen geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv overlegt, zal hij het bewijsrisico daarvan dragen. Overigens zal een verweerder die zich op de totstandkoming van een overeenkomst tot arbitrage beroept veelal meteen het verlangde geschrift overleggen. Waarom zal hij — indien hij beschikt over een geschrift — daarmee wachten tot de wederpartij de overeenkomst tot arbitrage betwist? Is de overeenkomst tot arbitrage geheel mondeling totstandgekomen en beschikt de verweerder niet over een geschrift, dan zal hij daarbij natuurlijk wel belang hebben. Indien de eiser vervolgens toch betwist dat de overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen, zal de verweerder alsnog een geschrift moeten overleggen. Hij zal het geschrift in beginsel zelfstandig in het geding moeten brengen en niet moeten afwachten tot hij daartoe de kans krijgt, zulks ook als hij bij het beroep op de overeenkomst tot arbitrage heeft aangeboden de overeenkomst tot arbitrage te bewijzen. Het betreft immers schriftelijk bewijs en daartoe is een bewijsaanbod niet nodig, terwijl voorts mag worden verlangd dat een partij geschriften zelfstandig in het geding brengt.6
Als art. 1021 Rv wordt omgedoopt tot totstandkomingsvoorschrift is de uitkomst dezelfde (zie 8.2.6-8.2.9). Ontkent de eiser dat een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen, dan zal de rechter zich slechts onbevoegd verklaren als de verweerder een geschrift heeft overgelegd waaruit blijkt dat een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen. Ontkent de eiser niet dat een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen (doch beroept hij zich erop dat de overeenkomst tot arbitrage niet geldig is), dan is — indien wij ervan uitgaan dat de verweerder zich schriftelijk op de overeenkomst tot arbitrage heeft beroepen — alsnog een overeenkomst tot arbitrage tussen partijen totstandgekomen. De eiser aanvaardt immers alsnog — als hij de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage niet ontkent — het geschrift dat het beroep van de verweerder op de overeenkomst tot arbitrage behelst (vgl. art. 1052 lid 2 Rv) (zie ook 8.2.9). Het betreft in dit geval een overeenkomst tot arbitrage die totstandkomt nadat een geschil tussen partijen is ontstaan (het compromis) (art. 1020 lid 2 Rv). De gewone rechter zal zich op grond daarvan niet bevoegd verklaren. Het idee komen wij ook tegen in art. 1450 NCPC: "Les parties ont la faculté de compromettre même au cours d'une instance déjà engagée devant une autre juridiction.".
Als de overeenkomst tot arbitrage in een door beide partijen ondertekend geschrift is vastgelegd (i.e. een akte met wederkerige verklaringen), zal de verweerder voor het bewijs van de overeenkomst tot arbitrage veelal met overlegging van het geschrift kunnen volstaan. De akte vormt zelfs dwingend bewijs als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv jo. art. 151 lid 1 Rv. Het is ook mogelijk dat slechts een door één van de partijen ondertekend geschrift bestaat (i.e. een akte die een eenzijdige verklaring inhoudt) of een geschrift dat afkomstig is van één van de partijen dat in het geheel niet is ondertekend (i.e. een geschrift-niet akte). Het geschrift als bedoeld art. 1021 Rv bestrijkt dan niet alle aspecten van het bewijs van de overeenkomst tot arbitrage. Zo kan volgens art. 1021 Rv nog steeds ruimte bestaan voor getuigenbewijs, dit bijvoorbeeld voor de stelling dat de wederpartij het geschrift tijdig heeft aanvaard of dat de wederpartij rechtsgeldig is vertegenwoordigd (zie voorts 8.4).7 Ook de stelplicht en bewijslast daarvan rusten in beginsel op de verweerder. Ook uitlegkwesties kunnen voor bewijs in aanmerking komen.8 En ook op dit punt bestaat ruimte voor getuigenbewijs (zie 4.2.4 en 8.4). In beginsel zal de bewijslast van de uitleg van het geschrift dat tot bewijs van de overeenkomst tot arbitrage moet strekken en van de daarop aansluitende aanvaarding daarvan, rusten op de partij die zich op de overeenkomst tot arbitrage beroept.9
Tegen het bewijs van de verweerder dat een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen, staat tegenbewijs vrij (art. 151 lid 2 Rv). Zulks geldt ook als het geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv een akte vormt (art. 151 lid 2 Rv). Voorzover het bewijs "tegen het geschrift" zelf betreft, zal eiser bijvoorbeeld kunnen opwerpen dat de tekst (ver)vals(t) is. Ziet de stelling dat de tekst (ver)vals(t) is op een akte, dan zal, als hoofdregel, de bewijslast daarvan rusten op degene die stelt dat de akte (ver)vals(t) is en daarmee ook het (bewijs)risico dat zulks niet wordt bewezen.10 Ziet de desbetreffende stelling niet op een akte, dan ligt dit anders. Bij een geschrift dat geen akte vormt is de rechter immers vrij in de waardering als bewijs (art. 152 lid 2 Rv). Tegenbewijs staat ten slotte ook open waar het de uitleg van het geschrift en de aanvaarding daarvan, als bedoeld in art. 1021 Rv, betreft.11 Het is ook mogelijk dat het tegenbewijs ziet op de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage zelf, waarvan het geschrift het bewijs moest vormen. De stelling kan dan zijn dat ondanks het geschrift dat tot bewijs van de overeenkomst tot arbitrage moest strekken, (materieelrechtelijk) toch geen overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen (bijvoorbeeld omdat terzake geen wilsovereenstemming bestaat).12
Op dit punt bestaat mijns inziens wél een verschil als art. 1021 Rv wordt gewijzigd in een totstandkomingsvoorschrift (zie 8.2.6-8.2.9).
Blijkt alsdan uit een door beide partijen ondertekend geschrift dat een overeenkomst tot arbitrage is totstandgekomen, dan zal tegenbewijs dat de overeenkomst tot arbitrage niet is totstandgekomen op de grond dat daartoe geen wilsovereenstemming bestaat niet of slechts beperkt mogelijk zijn. De wilsovereenstemming is immers vastgelegd in het geschrift zelf.
Uiteraard blijft wel ruimte open voor tegenbewijs op punten waarvoor het geschrift geen totstandkomingseis vormt. Ik denk hierbij aan de vraag of een partij bij de overeenkomst tot arbitrage rechtsgeldig is vertegenwoordigd geweest. Voorts zal ruimte bestaan voor tegenbewijs op het punt van de uitleg van (het geschrift dat voorziet in) de overeenkomst tot arbitrage. Ten slotte zal een partij met tegenbewijs kunnen aantonen dat partijen de overeenkomst tot arbitrage hebben beëindigd.
Hebben wij niet van doen met een door beide partijen ondertekend geschrift, doch met een geschrift dat afkomstig is van slechts één van de partijen, dan bestaat uiteraard op de punten waartoe het geschrift zich niet uitstrekt (als bijvoorbeeld de aanvaarding van het geschrift) nog wel degelijk ruimte voor tegenbewijs, ook als het bewijsvoorschrift als geheel een totstandkomingseis vormt.
De eiser zal tot het tegenbewijs wél zelf het initiatief moeten nemen.13 Hij zal daartoe op zijn beurt schriftelijk bewijs in het geding kunnen brengen.14 Ook zal hij daartoe getuigenbewijs kunnen aanbieden. Daartoe is, zo men dit wenst, wel een bewijsaanbod nodig.15 Als degene die met het bewijs van de overeenkomst tot arbitrage is belast, voor de stelling dat het geschrift als bedoeld in art. 1021 Rv is aanvaard met getuigenbewijs aandraagt, staat voor de wederpartij het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs van rechtswege vrij en is een bewijsaanbod niet nodig (art. 168 Rv). Het gaat hierbij om een getuigenverhoor tegen hetgeen de wederpartij volgens de bewijsopdracht moest bewijzen en niet om tegenbewijs, als bedoeld in art. 151 lid 2 Rv, tegen feiten die al vaststaan (dus waaromtrent geen getuigenverhoor is gehouden).16
De stelplicht en bewijslast liggen anders als de eiser zich erop beroept dat de overeenkomst tot arbitrage die tussen partijen bestaat niet geldig is. Zo kan hij zich bijvoorbeeld op een wilsgebrek beroepen. De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden die hij daartoe stelt, zullen op de eiser rusten (dit tenzij de overeenkomst tot arbitrage ongeldig is op de grond dat zij in strijd is met de openbare orde) (zie 12.4.2). Het gaat daarbij niet om de betwisting van de door de verweerder aan zijn beroep op de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage ten grondslag gelegde feiten, doch om een bevrijdend verweer terzake waarvan de stelplicht en de bewijslast volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op de eiser rusten.17 Men duidt dit verweer ook wel aan met een "ja, maar...-verweer" (bijvoorbeeld: "ja, dat is waar, wij zijn arbitrage overeengekomen, maar ik ben daartoe wegens bedreiging bewogen.") (zie art. 3:44 lid 2 BW) (zie voorts 8.9).18 Het bewijs van genoemde feiten en omstandigheden kan overigens met alle middelen worden geleverd (art. 152 lid 1 Rv). De eis van geschrift ex art. 1021 Rv strekt zich daartoe niet uit.
Indien de overeenkomst tot arbitrage ongeldig is op de grond dat zij in strijd is met de openbare orde, hetgeen in de praktijk met name aan de orde zal zijn als het geschil niet vatbaar is voor arbitrage, zal de gewone rechter als gezegd wel ambtshalve bewijs mogen verlangen. Overigens gaat het bij de vraag of een geschil voor arbitrage vatbaar is veelal om een rechtsvraag die de rechter zelf moet afdoen. Voorzover daarbij feiten en omstandigheden aan de orde zijn zal hij op grond van art. 149 lid 1 Rv evenwel ambtshalve bewijs kunnen verlangen.