Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.3
III.D.3. Andere wettelijke rechten; vruchtgebruiker als fictief erfgenaam
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402656:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In een eerdere fase toen de ware aard van de onderzochte rechtsfiguur nog niet helemaal onderkend werd, werd in de 'derde druk' door B.M.E.M. SCHOLS, Handboek Nieuw Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, p. 458 noot 45 nog geleerddat de beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen ook de bevoegdheid van de executeur zou inperken.
Daarnaast kan uit art. 4: 29 lid 1 BWopgemaakt worden dat de betreffende goederen sowieso uitgewonnen kunnen worden voor de in art. 7 lid 1 letters a tot en met fgenoemde schulden. Zie ook art. 4: 215 lid 2 BW voor de vereffenaar.
In art. 4:152 BW is geregeld dat voor de toepassing van de afdeling executele de echtgenoot van de erflater die een vruchtgebruik heeft krachtens de 'andere wettelijke rechten' als een erfgenaam wordt aangemerkt. Een bepaling die door haar plaats het gevaar in zich bergt over het hoofd te worden gezien. Veelal zal de echtgenoot reeds 'echt' erfgenaam zijn, in welk geval de fictie geen functie heeft. Ook wordt in art. 4:152 BW uitdrukkelijk bepaald dat de bevoegdheden van art. 4:150 leden 2 en 3 BW mede aan die echtgenoot-'fic-tieferfgenaam' toekomen.
Interessant in het kader van de verhouding executele en andere wettelijke rechten is de vraag ofde uit art. 4:29 lid 2 BW voortvloeiende beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen met betrekking tot de woning die onder de klem van het vruchtgebruik van art. 4:29 lid 1 BW zou kunnen komen te vallen, ook gevolgen heeft voor de positie van de executeur, nu de wet hem in art. 4:145 lid2 BW 'op het eerste gezicht' aanmerkt als vertegenwoordiger van de erfgenamen. Ook deze vraag dient, net als alle andere kwesties, opgelost te worden op basis van de ware aard van de executeur. De executeur ontleent, gelet op het bepaalde in art. 3:77 BW zijn bevoegdheid aan erflater1 en niet aan de erfgenamen. De situatie zou zich immers ook kunnen voordoen dat een executeur de betreffende onroerende zaak nodig heeft om bijvoorbeeld de successiebelasting te kunnen voldoen.2 Dat neemt niet weg dat de executeur bij de vervulling van zijn opdracht in het licht van de rangorde van schuldeisers rekening zal moeten houden met de belangen van de echtgenoot als schuldeiser op basis van de andere wettelijke rechten.