Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.8.1
4.8.1 Algemeen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343689:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Den-Bosch, 28 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2895; Hof Den Haag 11 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:651; Hof Arnhem- Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2007; Anders echter en mijns inziens terecht: Rechtbank Gelderland, 25 maart 2015 ECLI:NL:RBGEL:2015:2445; Rb. Rotterdam 22 februari 2017, ECLI:NL: RBROT:2017:1671 waarin de rechtbank in het kader van het causaal verband tussen de schending van de Beklamel-norm en de schade van de schuldeiser in r.o. 4.12 overweegt: ‘Daarvan is alleen sprake wanneer de wederpartij ten gevolge van het door de bestuurder wekken of in stand houden van een schijn van kredietwaardigheid een overeenkomst is aangegaan en/of (op grond van die overeenkomst) een prestatie heeft geleverd, terwijl dat achterwege zou zijn gebleven wanneer de schijn van kredietwaardigheid niet zou zijn gewekt De wederpartij dient door de schending van de zorgvuldigheidsnorm in een nadeliger situatie te verkeren dan voordat die schending plaatsvond. De norm is er immers op gericht om die nadelige situatie (het sluiten van een overeenkomst met en/of het leveren van een prestatie aan een bij nader inzien niet kredietwaardige rechtspersoon) te voorkomen (onderstreping AK)’.
Lindenbergh 2008, p. 33.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, 2013/26. Zie ook Lingebergh 2008, p. 45. Castermans betoogt in zijn dissertatie dat soms ook bij een onjuiste voorstelling van zaken ruimte kan zijn voor vergoeding van het positief belang: Castermans 1992, p. 142-143.
HR 28 juni 2009, NJ 2009/418.
De Beklamel-norm zoals die nu in de rechtspraak wordt gehanteerd, ziet, zo is gebleken, op de (geobjectiveerde) wetenschap van niet nakoming door de vennootschap en de onverhaalbaarheid van de daaruit ontstane schade op haar vermogen. De schadevergoeding die in de zaak Beklamel werd gevorderd van de bestuurder bedroeg de openstaande vordering op de vennootschap uit hoofde van de koopovereenkomst. De bestuurder werd in die zaak niet aansprakelijk gehouden omdat de Hoge Raad het hof volgde in zijn oordeel dat de bestuurder niet de vereiste wetenschap had.
In de lagere rechtspraak die volgde op dit arrest kwam de inmiddels tot Beklamel-aansprakelijkheid gedoopte grondslag van aansprakelijkheid veelvuldig aan de orde. Uit de bestudering van de uitspraken kan voorzichtig de conclusie worden getrokken dat de toegewezen vergoedingen dikwijls wat wordt genoemd het positief contractsbelang inhouden.1 Bij deze conclusie moet wel de kanttekening worden geplaatst dat in de desbetreffende uitspraken het aspect van de schade zelden onderdeel was van het partijdebat waardoor tevergeefs moet worden gezocht naar specifieke overwegingen van de rechter hierover. De schadevergoedingen die werden toegekend zijn dikwijls gelijk aan de omvang van de onverhaalbaar gebleven vordering van de schuldeiser.
Het positief (contracts)belang is een niet wettelijk begrip waarmee de voor vergoeding in aanmerking komende schade wordt aangeduid. Bij deze vorm van schadevergoeding wordt de feitelijke situatie vergeleken met de hypothetische situatie waarin de gesloten overeenkomst behoorlijk zou zijn nagekomen.2 Dit verschilt van het negatieve (contracts)belang op grond waarvan alleen de schade die, los van de overeenkomst en de niet-nakoming, is geleden, vatbaar is voor vergoeding.
In de literatuur wordt grofweg aangenomen dat bij contractbreuk het positieve belang dient te worden vergoed, terwijl bij onrechtmatige daad de benadeelde (slechts) het negatieve belang kan vorderen.3 De Hoge Raad heeft zich niet principieel uitgelaten over de vraag of bij de Beklamel-aansprakelijkheid het positieve of het negatieve belang dient te worden vergoed. Wel is deze kwestie aan de orde gekomen in het arrest Kloosterbrink/Eurocommerce, dat ook om zijn betekenis voor de aard van het verwijt aan het adres van de bestuurder in Beklamel-situaties hieronder uitgebreid wordt besproken.4