Zie bijlage 3 bij het verweerschrift in eerste aanleg.
HR, 02-05-2025, nr. 24/01103
ECLI:NL:HR:2025:702
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-05-2025
- Zaaknummer
24/01103
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑05‑2025
ECLI:NL:HR:2025:702, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑05‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:734
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/767
Viditax (FutD) 2025050205
FutD 2025-0915
NTFR 2025/797 met annotatie van mr. M.W.C. Soltysik
V-N 2025/21.13 met annotatie van Redactie
NLF 2025/1005 met annotatie van Heleen Elbert
Beroepschrift 02‑05‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den Haag van 29-02-2024, BK-22/1275 en BK-22/1276
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X] B.V., gevestigd te [Z], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak, zie bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 26-02-2019 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
Merk: Opel
Type: Mokka
VIN: [0001]
Bij besluit van 04-09-2019 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 04-09-2019 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 12-02-2021 vond een hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 08-04-2021 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift ongegrond.
Bij brief van 11-05-2021 diende ik beroep in.
Op 13-10-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 03-11-2022 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond.
De inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Op 18-01-2024 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 29-02-2024 verklaarde het hof het hoger beroep van de inspecteur gegrond.
2. Geschil
In de onderhavige procedure is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht werd opgelegd.
Meer specifiek zijn de volgende rechtsvragen in geschil:
- 1.
Komt belanghebbende in aanmerking voor extra leeftijdskorting?
- 2.
Heeft het hof een rechtsvraag onbesproken gelaten?
3. Overwegingen
3.1. Extra leeftijdskorting
In beroep bij de rechtbank was in geschil de vraag of sprake is van extra leeftijdskorting, zie paragraaf 3.14 van het beroepschrift.
In zijn verweerschrift in eerste aanleg overweegt de inspecteur in paragraaf 6.6 dat belanghebbende inderdaad in aanmerking komt voor extra leeftijdskorting en de naheffingsaanslag in zoverre tot een te hoog bedrag is opgelegd. De inspecteur past evenwel interne compensatie toe door de historische nieuwprijs te verlagen. Zodoende komt de inspecteur niet toe aan een vermindering van de naheffingsaanslag.
3.2. Onbesproken gelaten rechtsvraag
Bij het hof was primair in geschil de vraag of door de overgang van NEDC1 naar NEDC2/WLTP de door belanghebbende ingevoerde auto tot een te hoog bedrag in de heffing werd betrokken. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Volgens het hof staat niet vast dat de door belanghebbende ingevoerde auto en de NEDC1-geteste referentievoertuigen technisch identiek zijn en het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend is gelegen in de testmethode. Het hof laat de naheffingsaanslag daarom in stand en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudends de daarin opgenomen overwegingen inzake de immateriële schadevergoeding en het griffierecht.
Bij het hof was ook in geschil of de inspecteur de juiste nieuwprijs in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. In de beroeps- en hoger beroepsfase heeft de inspecteur op dit punt een beroep gedaan op interne compensatie, voor het geval de naheffingsaanslag zou worden verminderd vanwege de niet-in-geschil zijnde extra leeftijdskorting.
Het hof heeft dit geschilpunt onbehandeld gelaten. Dat getuigt van een onjuiste toepassing van het recht. Met inachtneming van de juiste nieuwprijs en extra leeftijdskorting diende de naheffingsaanslag namelijk te worden verminderd. Het hof had dus het beroep van de inspecteur o p interne compensatie moeten behandelen en bij afwijzing van dit beroep e n d e naheffingsaanslag moeten verminderen op grond van artikel 10, tweede lid, Wet BPM.
3.3. Inzake de nieuwprijs
Uw college kan deze zaak zelf afdoen. Inmiddels is namelijk het leerstuk van de CO2-uitstoot, de Bruto BPM en de invloed daarvan op de nieuwprijs uitgeprocedeerd, zie HR 22-12-2023, ECLl:NL:HR:2023:1703.
Als het gelijk voor wat betreft de CO2-uitstoot aan de zijde van de inspecteur is, en deze moet worden vastgesteld op 162 gr/km (NEDC2), dan bedraagt de Bruto BPM van € 12.593 gr/km. In dat geval moet de historische nieuwprijs ook worden opgebouwd met € 12.593 aan Bruto BPM, zie artikel 10, tweede lid, Wet BPM. De nieuwprijs komt in dat geval op € 40.890:
Netto catalogusprijs: | € 23.386 |
BTW 21%: | € 4.911 |
Bruto BPM (162 gr/km NEDC2): | € 12.593 |
Nieuwprijs: | € 40.890 |
De inspecteur bevestigt dit overigens ook in zijn brief van 02-05-2019.1. De inspecteur stelt, ik citeer:
‘De historische nieuwprijs van uw voertuig wordt hierdoor € 40.890.’
In zijn brief van 12-08-20192. herhaalt de inspecteur dit standpunt, ik citeer:
‘De historische nieuwprijs van uw voertuig wordt hierdoor € 40.890.’
Gelet op het voorgaande faalt het beroep van de inspecteur op interne compensatie. Enerzijds omdat de nieuwprijs conform artikel 10, tweede lid, Wet BPM op € 40.890 moet worden gesteld en anderzijds omdat het in strijd komt met het vertrouwensbeginsel.
Ter zitting bij het hof heeft de inspecteur nogmaals een beroep op interne compensatie gedaan. Dit keer vanwege de inkoopwaarde. Die moest volgens de inspecteur worden verhoogd. Want een hogere CO2-uitstoot en nieuwprijs betekent ook een hogere inkoopwaarde, aldus de inspecteur. In dit kader heeft de inspecteur 1 dag voor de zitting een nieuwe koerslijstuitdraai van AutotelexPro overgelegd. Op de zitting heb ik het hof uitgelegd dat de nieuwe koerslijstuitdraai van de inspecteur niet kan dienen, omdat deze gebaseerd is op de particuliere vraagprijs in plaats van de handelsinkoopwaarde. De inspecteur heeft op de zitting toegegeven dat zijn nieuwe koerslijst foutief is en dat de inkoopwaarde in onbeschadigde staat € 19.920 moet zijn3.. Vervolgens heeft de inspecteur het tweede beroep op interne compensatie ingetrokken, zie ook het proces verbaal:
‘Het klopt dat de handelsinkoopwaarde van de Opel Mokka € 19.920 moel zijn. Ik trek mijn beroep op interne compensatie in. Ter zake van de Renault Captur heb ik geen beroep op interne compensatie gedaan.’
Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de door de taxateur van belanghebbende in aanmerking genomen waardeverminderingen in mindering mogen worden gebracht op de koerslijstwaarde, komt de inkoopwaarde op € 15.544 (zoals ook toegepast bij het opleggen van de naheffingsaanslag en door de inspecteur meermalen bevestigd, zie bijvoorbeeld paragraaf 6.1. van het verweerschrift in eerste aanleg, komt de verschuldigde BPM op € 4.646 en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 590. Op de volgende bladzijde zal maak ik de volledige berekening.
Meldcode | 1832 |
|---|---|
Datum eerste toelating | 3-08-18 |
Datum registratie | 15-03-19 |
Betaalde BPM op aangifte | € 4.056,00 |
Datum aangifte | 26-02-19 |
Tijdverloop D.E.T en datum aangifte | 6 |
Tabelkorting d.d. aangifte/melding | 0,235 |
Tijdverloop D.E.T. en datum afgifte deel II | 7 |
Tabelkorting d.d. registratie | 0,2575 |
Historische NP | € 40.890,00 |
Bruto BPM | € 12.593,00 |
Handelswaarde | € 15.544,00 |
Rest BPM d.d. aangifte | € 4.787,13 |
Verschuldigde tabel BPM datum aangifte | € 9.633,65 |
Herrekende Bruto BPM | € 6.257,68 |
Verschuldigde BPM | € 4.646,33 |
Bedrag oorspronkelijke naheffing | € 730,00 |
Bedrag nieuwe naheffing | € 590,33 |
Vermindering naheffing met | € 139,67 |
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- De uitspraak op bezwaar te vernietigen;
- De uitspraak van de rechtbank partieel te vernietigen;
- De uitspraak van het hof partieel te vernietigen;
- De naheffingsaanslag te verminderen tot€ 590;
- De inspecteur te veroordelen in een kostenvergoeding in de bezwaarfase;
- De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de beroepsfase;
- De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroepsfase;
- De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase.
Uitspraak 02‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10 Wet bpm 1992; registratie van gebruikte personenauto; gerechtshof laat na de naheffingsaanslag te verminderen in verband met het na het opleggen daarvan hoger vastgestelde leeftijd van de personenauto ten tijde van de registratie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01103
Datum 2 mei 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 februari 2024, nrs. BK-22/1275 en BK-22/12761., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/3394 en SGR 21/3427), betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft op 26 februari 2019 aangifte voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) gedaan met het oog op de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) in het Nederlandse kentekenregister. Met het oog daarop heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan bpm voldaan.De personenauto is op 15 maart 2019 te naam gesteld in het Nederlandse kentekenregister.
2.2
Bij het bepalen van de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2019; hierna: de Wet) bedoelde vermindering (afschrijving) van bpm is belanghebbende wat betreft de leeftijd van de personenauto uitgegaan van de datum waarop de Belastingdienst het aangiftebiljet heeft ontvangen.
2.3
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig bpm op aangifte heeft voldaan. Hij heeft op die grond aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de bpm van € 730 opgelegd. De Inspecteur heeft bij de aankondiging van de naheffingsaanslag meegedeeld dat hij bij de berekening van de hiervoor in 2.2 bedoelde afschrijving ervan is uitgegaan dat de personenauto op 15 maart 2019 te naam is gesteld.
2.4
Namens belanghebbende heeft een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur dat bezwaar afgewezen. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.5.1
Voor de Rechtbank was onder meer in geschil of de personenauto bij toepassing van artikel 9, lid 12, van de Wet (tekst tot en met 30 juni 2020) in strijd met artikel 110 VWEU zwaarder wordt belast met bpm dan reeds op de binnenlandse markt aanwezige gelijksoortige personenauto’s doordat bij de personenauto met gebruikmaking van de Worldwide harmonised Light-duty vehicle Test Procedures-methode een hogere CO2-uitstoot is gemeten dan wanneer die uitstoot was gemeten met gebruikmaking van de New European Driving Cycle-methode. De Rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord.
2.5.2
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 3 november 2022 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. Daarbij heeft de Rechtbank de Inspecteur opgedragen om bij het vaststellen van de vermindering van de bpm wegens de gebruikte staat van de personenauto rekening te houden met een extra leeftijdskorting omdat – zo had belanghebbende in haar beroepschrift terecht aangevoerd – de Inspecteur bij het berekenen van de naheffingsaanslag de in aanmerking te nemen leeftijd van de personenauto voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage niet had bepaald naar de datum van tenaamstelling in het kentekenregister maar naar de datum van aangifte.
2.5.3
De Rechtbank heeft de overige tussen partijen bestaande geschilpunten over de naheffing van bpm niet behandeld. Tot die geschilpunten behoorde of de Inspecteur de met de extra leeftijdskorting verband houdende vermindering van het verschuldigde bedrag aan bpm kon compenseren met een bedrag aan bpm dat volgens hem op een andere grond meer verschuldigd is.
2.6.1
De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank ten onrechte de hiervoor in 2.5.1 bedoelde vraag over strijd met artikel 110 VWEU bevestigend heeft beantwoord. Verder was in geschil of de Rechtbank ook een oordeel had moeten geven over het hiervoor in 2.5.3 bedoelde beroep van de Inspecteur op interne compensatie in die zin dat de verlaging van de naheffingsaanslag als gevolg van de extra leeftijdskorting niet zou moeten plaatsvinden omdat belanghebbende op een andere grond meer bpm was verschuldigd. Nadat de Inspecteur ter zitting van het Hof op 18 januari 2024 – naar aanleiding van een recent arrest van de Hoge Raad – had erkend ten onrechte te hebben gesteld dat op de desbetreffende andere grond meer bpm verschuldigd was, heeft hij het hiervoor in 2.5.3 bedoelde beroep op interne compensatie ingetrokken.
2.6.2
Bij uitspraak van 29 februari 2024 heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank het hiervoor in 2.5.1 weergegeven geschilpunt over artikel 110 VWEU ten onrechte in het voordeel van belanghebbende heeft beslecht. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat de overige geschilpunten geen nadere behandeling behoeven. Het heeft de zaak afgedaan. Het heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de veroordeling van de Inspecteur en de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de vergoeding van het griffierecht, en de uitspraak op bezwaar bevestigd. Het Hof heeft de vergoeding voor de kosten van het geding bij de Rechtbank opnieuw berekend en met toepassing van de wegingsfactor 0,5 lager vastgesteld dan de Rechtbank had gedaan.
3. Beoordeling van de klacht
3.1
De klacht voert aan dat het Hof de uitspraak op bezwaar had moeten vernietigen en de naheffingsaanslag had moeten verminderen, omdat tussen partijen ook in hoger beroep niet in geschil is geweest dat de Inspecteur bij het vaststellen van het afschrijvingspercentage een extra leeftijdskorting in aanmerking had moeten nemen.
3.2
De klacht slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in hoger beroep tussen partijen niet in geschil is geweest dat de Inspecteur bij het vaststellen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde afschrijvingspercentage is uitgegaan van een te lage leeftijd van de personenauto met als gevolg dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld.
3.3.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.3.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van € 590. De uitspraak van het Hof zal worden vernietigd. Ook de uitspraak van de Rechtbank zal worden vernietigd voor zover de Rechtbank heeft beslist dat de Inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar moet doen.
4. Proceskosten
4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad zal hierna in onderdeel 5 nader overwegen over de hoogte van deze vergoeding.
4.2
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. De Hoge Raad ziet in de vermindering van de naheffingsaanslag aanleiding om deze vergoeding opnieuw vast te stellen. De vergoeding voor deze kosten stelt de Hoge Raad op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit vast op € 1.814, uitgaande van twee punten (verweerschrift in hoger beroep en verschijnen zitting), wegingsfactor 1, en berekend naar de waarde per punt die is neergelegd in de Bijlage zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest (€ 907).2.
5. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,3.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑05‑2025
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.