Rechtbank Noord-Nederland 5 december 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4961.
HR, 05-09-2025, nr. 24/02886
ECLI:NL:HR:2025:1238
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-09-2025
- Zaaknummer
24/02886
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Erfrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1238, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:2964
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:573
ECLI:NL:PHR:2025:573, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1238
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑09‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑07‑2024
- Vindplaatsen
Notamail 2025/202
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/503
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0471
ERF-Updates.nl 2025-0471
V-N 2025/42.16 met annotatie van Redactie
JERF 2025/147 met annotatie van mr. T.C. Hoogwout
TvAR 2025/8234 met annotatie van T.J. Mellema-Kranenburg
JPF 2025/127 met annotatie van mr. H.J. Weijers
JERF Actueel 2025/227
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0348
JPF 2025/127 met annotatie van mr. H.J. Weijers
Uitspraak 05‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Erfrecht. Schending legitieme portie door giften erflater aan zoon die boerenbedrijf voortzet (art. 4:67, onder d, BW)? Bevoordelingsbedoeling? Toerekening gift voor het geheel aan erflater, of mede aan echtgenote met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd was? Motiveringsklacht t.a.v. schenkingsverklaring.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02886
Datum 5 september 2025
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [eiser 2] ,
wonende te [plaats] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaten: A.H. Vermeulen en A.A.M. Knol,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: A.C. de Bakker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/18/179551 / HA ZA 17-233 van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2018;
b. de arresten in de zaak 200.254.943 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 februari 2020, 7 december 2021 en 30 april 2024.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben tegen de arresten van het hof van 7 december 2021 en 30 april 2024 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft tegen die arresten incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping in het principale cassatieberoep en tot vernietiging en verwijzing in het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser 1] , [eiser 2] en [verweerder] zijn broers. Hun ouders (hierna ook: de vader respectievelijk de moeder) waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
(ii) De vader en [verweerder] zijn in 1989 een maatschap aangegaan met als doel het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf. De vader heeft in de maatschap ingebracht het door hem uitgeoefende akkerbouwbedrijf en het gebruik en genot van het onroerend goed (o.a. percelen landbouwgrond) en van de pachtrechten die hij destijds had. In 1998 en 2004 hebben de vader en [verweerder] de maatschapsovereenkomst op onderdelen gewijzigd en de inbreng in gebruik en genot van de bedrijfsgebouwen en landerijen vervangen door een pachtovereenkomst.
(iii) Op 1 mei 2010 is de maatschap ontbonden. [verweerder] heeft het bedrijf voortgezet. Bij notariële akte van 30 december 2010 hebben de vader en [verweerder] alle activa van de maatschap aan [verweerder] toegedeeld onder de verplichting alle schulden van de maatschap over te nemen. Verder heeft de vader in die akte alle registergoederen behorend tot het akkerbouwbedrijf (het erfperceel met opstallen, de woning en percelen cultuurgrond en landbouwgrond) aan [verweerder] verkocht en overgedragen. De vader heeft ook de aandelen Avebe, het bietenquotum en de toeslagrechten aan [verweerder] verkocht en overgedragen. De overnamesom die [verweerder] aan de vader moest betalen voor deze toedeling en koop was € 1.490.387,--; de koopsom voor de woning was € 215.000,--. [verweerder] moest dus in totaal € 1.705.387,-- aan de vader betalen.
(iv) Bij de hiervoor onder (iii) genoemde akte heeft de vader om niet afstand gedaan van zijn recht op betaling van € 1.490.387,-- en van € 100.000,-- van de koopsom van de woning. De verplichting van [verweerder] om het resterende deel van € 115.000,-- van de koopsom van de woning te betalen, is omgezet in een schuld uit geldlening. Deze schuld is bij schenkingsverklaring van 5 januari 2011 kwijtgescholden.
(v) De moeder is in 2013 overleden. Zij heeft in haar testament [verweerder] onterfd, de vader en [eiser 1] en [eiser 2] tot erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling van art. 4:13 BW van toepassing verklaard.
(vi) De vader is in 2014 overleden. Hij heeft in zijn testament [verweerder] onterfd en [eiser 1] en [eiser 2] als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
(vii) Na het overlijden van de vader hebben [eiser 1] en [eiser 2] zijn nalatenschap afgewikkeld. Het saldo van de nalatenschap bedroeg € 99.207,--. [eiser 1] en [eiser 2] hebben als erfgenamen van de vader ieder een bedrag van € 49.603,50 ontvangen.
(viii) [verweerder] heeft afstand gedaan van zijn aanspraak op de legitieme portie inzake de nalatenschappen van de moeder en de vader. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdig aanspraak gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van de vader.
2.2
In dit geding vorderen [eiser 1] en [eiser 2] dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 478.075,40 (in hoger beroep € 461.625,16) aan ieder van hen. Zij leggen daaraan ten grondslag dat zij zijn aangetast in hun legitieme rechten door giften van de vader aan [verweerder]
2.3
De rechtbank1.heeft de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] voor een deel toegewezen en [verweerder] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder te betalen een bedrag van € 199.224,83.
2.4
Het hof heeft bij eindarrest2., onder gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, [verweerder] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder € 251.238,85 te betalen. Daartoe heeft het hof geoordeeld dat ter zake van de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom voor de woning (zie hiervoor in 2.1 onder (iii) en (iv)), en ter zake van de aandelen Avebe (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)) sprake is geweest van een gift als bedoeld in art. 4:67, onder d, BW van de vader aan [verweerder]
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Het middel is gericht tegen rov. 3.3 van het tweede tussenarrest van het hof.3.Daarin heeft het hof overwogen (voetnoot niet weergegeven):
“De giften die vader heeft gedaan, worden geheel aan hem toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan. [ [verweerder] ] maakt daartegen vergeefs bezwaar. Zijn eerste grief houdt in dat de giften voor de helft aan (de nalatenschap van) moeder moeten worden toegerekend, omdat zij ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder. Die grief faalt. Moeder heeft aan vader in de notariële akte van 30 december 2010 toestemming op voet van artikel 1:88 BW gegeven voor alle rechtshandelingen van vader in die akte, dus ook voor de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000. Die toestemming maakt haar niet tot schenker, maar bevestigt juist dat de schenkingen alleen door vader zijn gedaan.”
4.2.1
Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de giften die de vader heeft gedaan geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat voor de toerekening van een gift niet de formele tenaamstelling relevant is maar wie in economische zin door de gift is verarmd en dat mede beoordeeld moet worden of uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat beide echtgenoten de gift hebben gedaan.
4.2.2
Het onderdeel faalt. De vaststellingswet voor het nieuwe erfrecht bevatte in art. 4.3.3.6a (thans art. 4:68 BW) een regeling zoals door het onderdeel bepleit. Tijdens de behandeling van de invoeringswetgeving is evenwel afgezien van een dergelijke regeling. Deze wijziging is als volgt toegelicht:
“Artikel 4.3.3.6a. Tot dusver werden in artikel 4.3.3.6a giften van een erflater die gehuwd was in enige gemeenschap of deelgenootschap (wettelijk of krachtens huwelijkse voorwaarden) niet geheel toegerekend aan de gever. Voor zover de gift ten gevolge van de regels van de gemeenschap of het deelgenootschap feitelijk ten laste kwam van de echtgenoot van de erflater, werd zij aan deze echtgenoot toegerekend. Nadere overweging van deze bepaling en de daarmee samenhangende, nogal gecompliceerde, regels van artikel 7.3.12c lid 7 heeft mij er alsnog toe gebracht om in deze bepalingen voor giften niet af te wijken van de formele tenaamstelling. Schenkingen dienen derhalve volledig te worden toegerekend aan degene die daarbij als schenker partij is. De echtgenoot die geen partij is zal daaraan zo nodig toestemming kunnen onthouden (artikel 1:88).”4.
In de hiervoor geciteerde toelichting op de wijziging van art. 4.3.3.6a wordt verwezen naar het voorstel voor art. 7.3.12c (thans: art. 7:188 BW), een bepaling over een gift in de vorm van de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering. Ook dat voorstel is gewijzigd. In de toelichting daarop staat onder meer:
“Verder wordt, evenmin als in artikel 4.3.3.6a, nog onderscheid gemaakt op grond van het huwelijksgoederenregime van de verzekeringnemer: de gift wordt toegerekend aan de formele bedinger van de verzekeringsuitkering. Weliswaar kan daardoor een verschil ontstaan tussen de juridische duiding van een gift en de economische kwestie te wiens laste de gift komt, doch dit is als onvermijdelijk aanvaard.”5.
De wetgever heeft voor het civiele recht derhalve uitdrukkelijk ervoor gekozen giften volledig toe te rekenen aan degene die daarbij formeel als schenker partij was. Dit betekent voor de berekening van de legitieme porties dat giften op naam van de erflater op de voet van art. 4:67 BW in aanmerking worden genomen voor het geheel, ook indien hij in gemeenschap van goederen gehuwd was en de giften feitelijk mede ten laste zijn gekomen van zijn echtgenoot. Het onderdeel berust dus op een onjuiste rechtsopvatting.
4.3.1
Onderdeel 1b klaagt dat het hof heeft verzuimd bij zijn beoordeling (in rov. 3.3 van het tweede tussenarrest) te betrekken de stelling van [verweerder] dat de vader en de moeder in de schenkingsverklaring inzake de kwijtschelding van € 115.000,-- van de koopsom van de woning (zie hiervoor in 2.1 onder (iv), slotzin) samen als schenkers worden genoemd, dat zij deze schenkingsverklaring samen hebben ondertekend, dat daarin is vermeld dat de kwijtschelding de schuld betreft die [verweerder] aan de schenkers had, en dat hieruit blijkt dat deze schenking aan de vader en de moeder moet worden toegerekend.
4.3.2
Deze klacht is gegrond. [verweerder] heeft in het kader van grief 1 met een beroep op de (bij inleidende dagvaarding overgelegde) schenkingsverklaring van 5 januari 2011 aangevoerd dat de vader en de moeder beiden als schenkers partij waren bij de kwijtschelding van de schuld uit de geldlening van € 115.000,-- ter zake van de koopsom voor de woning. Indien dit juist is, leidt dat ertoe dat de schenking van dit bedrag slechts voor de helft aan de vader moet worden toegerekend. Het hof had dit betoog dan ook kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken.
4.3.3
Onderdeel 1c, dat onder meer inhoudt dat als onderdeel 1b slaagt, ook het eindarrest niet in stand kan blijven, slaagt eveneens.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
in het incidentele beroep:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 december 2021 en 30 april 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale en in het incidentele beroep:
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 5 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑09‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2964.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11253.
Kamerstukken II 1998/99, 17213, nr. 4, p. 10-11.
Conclusie 23‑05‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02886
Zitting 23 mei 2025
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
eisers tot cassatie, verweerders in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser 1] en [eiser 2]
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder]
1. Inleiding
1.1
Deze zaak betreft de vraag of sprake is van giften van de erflater aan een van zijn kinderen die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitieme portie van zijn andere kinderen (art. 4:65 jo. 4:67 BW). In dat verband wordt in cassatie geklaagd (in het principale beroep) over het oordeel van het hof dat de erflater ten aanzien van twee gestelde giften geen bevoordelingsbedoeling had (art. 7:186 lid 2 BW) en (in het incidentele beroep) over het oordeel van het hof dat de als zodanig aangemerkte giften van de erflater geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De relevante feiten zijn in cassatie als volgt.1.
2.2
[eiser 1] , [eiser 2] en [verweerder] zijn broers. Zij zijn de kinderen van [de vader] (hierna: de vader) en [de moeder] (hierna: de moeder). De vader en de moeder waren in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd.
2.3
De vader en [verweerder] zijn met ingang van 1 mei 1989 een overeenkomst van maatschap aangegaan met als doel het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf in [plaats] . De vader heeft in de maatschap ingebracht het door hem uitgeoefende akkerbouwbedrijf en het gebruik en genot van het onroerend goed (o.a. percelen landbouwgrond) en van de pachtrechten die hij destijds had. In november 1998 en december 2004 hebben de vader en [verweerder] de maatschapsovereenkomst op onderdelen gewijzigd en de inbreng in gebruik en genot van de bedrijfsgebouwen en landerijen vervangen door een pachtovereenkomst.
2.4
Op 1 mei 2010 is de maatschap ontbonden. [verweerder] heeft het akkerbouwbedrijf voortgezet. Bij notariële akte van 30 december 2010 zijn alle activa van de maatschap aan [verweerder] toegedeeld onder de verplichting om alle schulden van de maatschap over te nemen. Verder heeft de vader in die akte alle registergoederen behorend tot het akkerbouwbedrijf (het erfperceel met opstallen aan de [a-straat 1] te [plaats] , de woning aan de [a-straat 2] te [plaats] (hierna: de woning) en percelen cultuurgrond en landbouwgrond) aan [verweerder] verkocht en overgedragen. Ook heeft de vader de aandelen Avebe, het bietenquotum en de toeslagrechten aan [verweerder] verkocht en overgedragen. De overnamesom die [verweerder] aan de vader moest betalen voor deze toedeling en koop was € 1.490.387,- en de koopsom van de woning was € 215.000,-. [verweerder] moest in totaal € 1.705.387,- aan zijn vader betalen.
2.5
In de notariële akte van 30 december 2010 heeft de vader om niet afstand gedaan van zijn recht op betaling van € 1.490.387,- en van € 100.000,- van de koopsom van de woning. De verplichting van [verweerder] om het resterende deel van € 115.000,- van de koopsom van de woning te betalen, is in de notariële akte van 30 december 2010 omgezet in een schuld uit geldlening. Deze schuld is bij schenkingsverklaring van 5 januari 2011 kwijtgescholden.
2.6
Vanaf 1 oktober 1993 tot en met 30 december 2010 heeft [verweerder] met zijn gezin in de woning gewoond, zonder hiervoor een vergoeding te hebben betaald.
2.7
De moeder is op 26 januari 2013 overleden. Zij heeft in haar testament van 11 april 2011 [verweerder] onterfd, haar man en [eiser 1] en [eiser 2] tot erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling van art. 4:13 BW van toepassing verklaard.
2.8
De vader is op 20 oktober 2014 overleden. Hij heeft in zijn testament van 11 april 2011 [verweerder] onterfd en [eiser 1] en [eiser 2] als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
2.9
Na het overlijden van de vader hebben [eiser 1] en [eiser 2] zijn nalatenschap afgewikkeld. Het saldo van zijn nalatenschap bedroeg € 99.207,-. [eiser 1] en [eiser 2] hebben als erfgenamen van de vader ieder een bedrag van € 49.603,50 ontvangen.
2.10
[verweerder] heeft afstand gedaan van zijn aanspraak op de legitieme portie inzake de nalatenschap van zijn ouders.
2.11
[eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdig aanspraak gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van hun vader.
2.12
In de onderhavige procedure, ingeleid bij dagvaarding van 28 september 2017, hebben [eiser 1] en [eiser 2] gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 478.075,40 aan ieder van hen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat zij zijn aangetast in hun legitieme rechten door giften van de vader aan [verweerder] .2.
2.13
Bij vonnis van 5 december 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] voor een deel toegewezen. De rechtbank heeft [verweerder] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder te betalen een bedrag van € 199.224,83, vermeerderd met de wettelijke rente; het meer of anders gevorderde is afgewezen.
2.14
[verweerder] is in hoger beroep gekomen. Hij heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] alsnog worden afgewezen. Voor het geval de vorderingen wel (gedeeltelijk) worden toegewezen, heeft [verweerder] gevorderd dat een betalingsregeling wordt vastgesteld.
2.15
[eiser 1] en [eiser 2] hebben verweer gevoerd. Zij hebben op hun beurt in incidenteel appel3.gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 461.625,16 aan ieder van hen.
2.16
Bij tussenarrest van 7 december 2021 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 2] ieder een vordering hebben op [verweerder] als begiftigde van € 251.238,85. Verder is geoordeeld dat [verweerder] verplicht is deze bedragen te betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] voor zover dit niet onredelijk is. [verweerder] is opgedragen om (nadere) stukken en informatie in het geding te brengen.
2.17
Bij eindarrest van 30 april 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met uitzondering van de beslissing tot veroordeling van [verweerder] om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder € 199.224,83 te betalen. Het hof heeft [verweerder] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder € 251.238,85 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, onder verrekening van wat hij al heeft betaald.
2.18
[eiser 1] en [eiser 2] zijn tijdig in cassatie gekomen van het tussen- en eindarrest; [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping. Op zijn beurt heeft [verweerder] incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het tussen- en eindarrest; [eiser 1] en [eiser 2] hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
3.1
Het principale cassatieberoep van [eiser 1] en [eiser 2] bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 ziet op het oordeel van het hof in rov. 3.17 van het tussenarrest4.dat in het verpachten van de percelen landbouwgrond aan de maatschap en het overeenkomen van een overnamebeding van deze percelen in de maatschapsovereenkomst geen gift is besloten die in aanmerking komt voor de berekening van de legitieme portie op grond van art. 4:65 jo. 4:67 BW.
3.2
Om te beginnen geef ik weer hoe het hof tot dit oordeel is gekomen. Het hof stelt het volgende voorop:
‘de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat (een gift van € 1.160.803);
3.14
In 2004 hebben vader als verpachter enerzijds en vader en [verweerder] samen als pachter anderzijds een pachtovereenkomst gesloten. In die overeenkomst zijn 5 percelen landbouwgrond met een totale grootte van 67.20.65 hectare verpacht voor een periode van 12 jaar en een pachtprijs van € 23.600 per jaar. In 2004 hebben vader en [verweerder] , omdat zij het wenselijk achtten de tussen hen bestaande rechtsverhouding te actualiseren, de rechten en plichten over en weer in een nieuwe maatschapsovereenkomst vastgelegd. Zij hebben onder andere het volgende vastgelegd:
- Vader brengt in de maatschap de vruchten en inkomsten van het recht van pacht in.
- De maat die gebruik maakt van een recht op voortzetting van de onderneming van de maatschap heeft recht op overname of toedeling van de goederen die tot de maatschap behoren en de goederen die door de uittredende maat aan de maatschap zijn verpacht.
- De over te nemen of toe te delen goederen worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening naar de feitelijke toestand en op het tijdstip van het einde van de maatschap.’
Vervolgens geeft het hof de standpunten van partijen weer:
‘3.15 Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is het samenstel van deze rechtshandelingen (verpachten percelen grond en het overeenkomen van een overnamebeding van deze percelen) een gift van vader aan [verweerder] . [verweerder] is ten koste van vader verrijkt. Dat was voor vader kenbaar, zodat ook sprake is van een bevoordelingsbedoeling. De omvang van die gift is € 1.160.803. Dat is het verschil tussen de waarde van deze percelen in verpachte staat van € 1.160.800 en de vrije waarde van die grond van € 2.321.603. [verweerder] betwist dat sprake is van een gift. Hij bestrijdt uitdrukkelijk dat het vader erom ging [verweerder] te bevoordelen. Vaders uitgangspunt was evident om het bedrijf aan [verweerder] over te dragen op zodanige wijze en onder zodanige voorwaarden dat dit bedrijf op rendabele wijze kon worden voortgezet. Van enige wil om [verweerder] strikt financieel te bevoordelen was ook uit dien hoofde geen sprake.
3.16
In de verpachting van de percelen landbouwgrond aan de maatschap en het overnamebeding in de maatschapsovereenkomst kan een gift besloten liggen. Daarvoor is wel nodig dat deze handelingen leiden tot een verrijking van [verweerder] ten koste van vader en dat vader niet alleen zich bewust was van deze bevoordeling maar deze bevoordeling ook wilde (bevoordelingsbedoeling). Volgens [eiser 1] en [eiser 2] was vader zich bewust van de bevoordeling. Zij stellen: “Vanwege de evident kenbare financiële gevolgen voor vader ten gevolge van het aangaan van het nieuwe maatschapscontract in combinatie met het verpachten van het land – ten opzichte van het ongewijzigd laten van de bestaande afspraken – vloeit voort dat het voor vader kenbaar moet zijn geweest dat hij daardoor zou verarmen waarmee ook de schenkingsbedoeling objectief komt vast te staan.”’
Uiteindelijk komt het hof tot de volgende beslissing:
‘3.17 Het hof is van oordeel dat deze handelingen [verweerder] hebben verrijkt ten koste van het vermogen van vader, maar dat niet vaststaat dat vader een bevoordelingsbedoeling had. De enkele kenbaarheid van de bevoordeling is als gezegd niet voldoende voor het bestaan van een bevoordelingsbedoeling. Daarvoor is ook nog nodig dat vader de bevoordeling wilde. Dat stellen [eiser 1] en [eiser 2] niet. Het hof heeft ook geen aanleiding aan de omstandigheden van het geval een vermoeden te ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. De reden daarvoor is dat [verweerder] onweersproken heeft gezegd dat vader [verweerder] niet financieel wilde bevoordelen door de verpachting en de afspraak over het overnamebeding, maar goede voorwaarden wilde scheppen voor een rendabele voortzetting van het akkerbouwbedrijf door [verweerder] . Het hof oordeelt dan ook dat in die handelingen geen gift is besloten die in aanmerking komt voor de berekening van de legitieme portie. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt.’
3.3
Onderdeel 1 keert zich (onder 1.2) tegen het oordeel van het hof dat niet is komen vast te staan dat de vader bij de verpachting van de percelen landbouwgrond aan de maatschap en bij het overeenkomen van het overnamebeding in de maatschapsovereenkomst een bevoordelingsbedoeling had (rov. 3.17). Hiervoor is nodig dat de vader de bevoordeling wilde; volgens het hof hebben [eiser 1] en [eiser 2] dit echter niet gesteld. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat [eiser 1] en [eiser 2] ‘het nodige’ over de bevoordelingsbedoeling van de vader hebben gesteld.5.Het oordeel zou dan ook onbegrijpelijk zijn. De klacht faalt. Ik leg dit als volgt uit.
3.4
In rov. 3.4 van het tussenarrest vermeldt het hof de volgende uitgangspunten: (i) voor een gift is nodig een verrijking van de begiftigde, een verarming van de gever6.en een bevoordelingsbedoeling (art. 7:186 lid 2 BW); (ii) het gaat erom dat de gever zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft; (iii) of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; (iv) de legitimaris die een gift wil inkorten heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift; en (v) de rechter kan aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Deze uitgangspunten zijn in cassatie niet bestreden.
3.5
Een bevoordelingsbedoeling kan niet worden aangenomen op de grond dat degene die een ander bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen, zich daarvan bewust is. Vereist is dat degene die een ander bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen, de verrijking van de andere partij heeft gewild.7.De motieven die tot de bevoordeling hebben geleid, zijn hierbij in beginsel niet van belang.8.De wil tot bevoordeling van een ander kan derhalve niet worden afgeleid uit de bevoordelingsbewustheid bij degene die bevoordeelt.9.Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld.10.
3.6
Het hof heeft de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] aldus begrepen dat zij hebben betoogd dat de vader zich bewust moet zijn geweest van de bevoordeling.11.Deze uitleg van de stellingen is voorbehouden aan de feitenrechter en komt mij niet onbegrijpelijk voor, nu het betoog van [eiser 1] en [eiser 2] in de kern erop neerkomt dat de bevoordeling voor de vader ‘kenbaar moet zijn geweest’.12.Aangenomen dat dit betoog juist is, levert dat onvoldoende grond op om vast te kunnen stellen dat de vader de bevoordeling ook heeft gewild. Verder is mij niet gebleken – het middel noemt ook geen vindplaatsen – dat [eiser 1] en [eiser 2] in hoger beroep op andere gronden (gemotiveerd) hebben gesteld (laat staan onderbouwd) dat de vader de bevoordeling heeft gewild. Dit volgt evenmin uit de in het middel genoemde vindplaatsen van de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] in eerste aanleg.13.
3.7
Verder bevat onderdeel 1 (onder 1.2) een klacht tegen het oordeel in rov. 3.17 dat het hof ook geen aanleiding ziet om aan de omstandigheden van het geval een vermoeden te ontlenen dat de vader een bevoordelingsbedoeling had. Volgens het hof heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat de vader hem niet financieel wilde bevoordelen door de verpachting en de afspraak over het overnamebeding, maar goede voorwaarden wilde scheppen voor een rendabele voortzetting van het akkerbouwbedrijf door [verweerder] . Volgens de klacht is deze stelling van [verweerder] niet onweersproken gebleven. Maar ook is de motivering van het hof volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat [eiser 1] en [eiser 2] hebben betoogd dat de overname van het akkerbouwbedrijf tegen een lagere waarde dan in het economische verkeer een vermoeden oplevert van een bevoordelingsbedoeling. De klacht faalt om de volgende redenen.
3.8
Vooropgesteld dat de uitleg van de stellingen van partijen is voorbehouden aan de feitenrechter, meen ik dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 2] niet hebben weersproken de stelling van [verweerder] dat de vader hem niet financieel wilde bevoordelen maar voorwaarden wilde scheppen voor een rendabele voortzetting van het akkerbouwbedrijf door [verweerder] . Anders dan het middel aanvoert, maak ik uit de vindplaatsen waar het middel naar verwijst14.niet op dat zij voormelde stelling van [verweerder] (voldoende onderbouwd) hebben weersproken. Het hof mocht deze stelling van [verweerder] dan ook ten grondslag leggen aan zijn beslissing in rov. 3.17.
3.9
Zou met het middel worden aangenomen dat [eiser 1] en [eiser 2] in hoger beroep wel hebben betoogd dat de overname van het akkerbouwbedrijf tegen een lagere waarde dan in het economische verkeer een vermoeden oplevert van een bevoordelingsbedoeling van de vader, dan zal hen dit niet kunnen baten. In het overnemen van een agrarisch bedrijf tegen een lagere waarde dan de economische waarde ligt in zijn algemeenheid geen vermoeden van een bevoordelingsbedoeling besloten. Ik wijs hiervoor op de bedrijfsopvolgingsrechtspraak, waaruit volgt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voorzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt, en dat hieruit voortvloeit dat in het algemeen sprake zal zijn van nakoming van een verplichting – en niet van de bedoeling tot bevoordeling die is vereist voor het aannemen van een gift – voor zover waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk is om de voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren.15.Het middel noemt geen andere omstandigheden (dan een voordelige bedrijfsvoortzetting) waaruit het hof een vermoeden van een bevoordelingsbedoeling van de vader zou kunnen afleiden.16.
3.10
Verder bevat onderdeel 1 (onder 1.3) een rechtsklacht. Volgens de klacht heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het miskent dat het geheel van de maatschapsverhouding moet worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gift. Bij deze beoordeling zou het hof ten onrechte geen (kenbare) aandacht hebben besteed aan de gehele (gewijzigde) maatschapsverhouding zoals vastgelegd in de overeenkomsten van 2004, terwijl het gehele samenstel van rechtshandelingen – inclusief de onterving van [verweerder] – aanleiding zou moeten geven om een bevoordelingsbedoeling van de vader aan te nemen.
3.11
Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat een gift besloten kan liggen in een samenstel van rechtshandelingen.17.Dat het hof dit zou hebben miskend, is mij echter niet gebleken. Ik wijs hiervoor op rov. 3.14, waarin het hof bij de beoordeling van de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat een gift is, de relevante rechtshandelingen noemt (het verpachten van de percelen grond en het overeenkomen van een overnamebeding van deze percelen), in samenhang met rov. 3.15, waarin het hof de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] noemt dat het samenstel van deze rechtshandelingen kwalificeert als een gift van de vader. Hierop aansluitend onderkent het hof in rov. 3.16 dat in deze rechtshandelingen (‘de verpachting van de percelen landbouwgrond aan de maatschap en het overnamebeding in de maatschapsovereenkomst’) een gift besloten kan liggen, om vervolgens in rov. 3.17 tot de conclusie te komen dat deze rechtshandelingen [verweerder] weliswaar hebben verrijkt ten koste van het vermogen van de vader, maar niet vast is komen te staan dat de vader hierbij een bevoordelingsbedoeling had. Anders dan het middel betoogt, volgt hieruit niet dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
3.12
Onderdeel 2 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.19 dat in het kosteloos gebruik van de woning door [verweerder] geen gift is besloten die in aanmerking komt voor de berekening van de legitieme portie.
3.13
Het hof is als volgt tot dit oordeel gekomen. Allereerst worden de standpunten van partijen weergegeven:
‘kosteloos gebruik door [verweerder] van de woning in de periode van 1 oktober 1993 tot en met 30 december 2010 (gift van € 137.600);
3.18
[verweerder] heeft (met zijn gezin) van oktober 1993 tot en met 30 december 2010 de woning aan de [a-straat 2] in [plaats] die eigendom was van vader gebruikt. Vader en [verweerder] hebben geen huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de woning of een vergoeding afgesproken. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat sprake is van een gift. [verweerder] is volgens hen ten koste van het vermogen vader verrijkt doordat hij de woning in gebruik had, zonder daarvoor huur of een vergoeding te betalen, terwijl vader is verarmd doordat hij geen rendement over zijn bezit ontving. Daarmee is volgens [eiser 1] en [eiser 2] ook de bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid) van vader gegeven. [verweerder] betwist dat hier sprake is geweest van een gift omdat een bevoordelingsbedoeling ontbreekt. Het was helemaal niet de intentie van vader om [verweerder] hiermee te 'bevoordelen'; het was onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering in de maatschap. [verweerder] boerde te [a-straat] en woonde daar vanzelfsprekend ook. [verweerder] diende ieder uur van de week (24/7) paraat te zijn voor het bedrijf en de dieren.’
Vervolgens overweegt het hof:
‘3.19 Het hof laat in het midden of het niet bedingen van huur of een woonvergoeding een gift kan zijn. Als dat al mogelijk is, en ook sprake is van een verrijking van [verweerder] ten koste van het vermogen van vader, dan staat daarmee nog niet vast dat ook sprake is van een gift. Daarvoor is ook nodig dat vaststaat dat vader een bevoordelingsbedoeling had. [eiser 1] en [eiser 2] leiden die bevoordelingsbedoeling af uit de verrijking en verarming. Het hof volgt hen daarin niet. De reden daarvoor is dat [verweerder] uitdrukkelijk betwist dat vader de intentie had hem te bevoordelen en dat ook toelicht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben geen voldoende specifiek en relevant aanbod gedaan te bewijzen dat vader een bevoordelingsbedoeling had. Het hof oordeelt dan ook dat in het kosteloos gebruik van de woning geen gift is besloten die in aanmerking komt voor de berekening van de legitieme portie. Grief II in het incidenteel hoger beroep faalt.’
3.14
Volgens het middel heeft het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd beslist dat het kosteloos gebruik van de woning door [verweerder] geen gift is omdat niet is gebleken van een bevoordelingsbedoeling van de vader. Aangezien de woning de facto een bedrijfswoning is, moet het kosteloos gebruik ervan, net als de overname dan wel de toebedeling van (andere) bedrijfsonderdelen, betrokken worden bij de berekening van de legitieme portie. Dit zou te meer gelden nu de kwijtschelding van de koopsom van de woning wel bij de berekening van de legitieme portie is betrokken.
3.15
Voor zover het middel zou betogen dat de bevoordelingsbedoeling van de vader ten aanzien van het kosteloos gebruik van de woning volgt uit het betoog van [eiser 1] en [eiser 2] over de bevoordelingsbedoeling van de vader ten aanzien van de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat, bouwt de klacht voort op onderdeel 1 dat faalt. Voor zover het middel een parallel trekt met de kwijtschelding van de koopsom van de woning, gaat het eraan voorbij dat de kwijtschelding van de koopsom en het kosteloos gebruik van de woning van elkaar te onderscheiden kwesties zijn. Ten aanzien van ieder van deze onderwerpen zal een bevoordelingsbedoeling van de vader vastgesteld moeten worden. Nu het middel geen klacht bevat tegen de overweging van het hof dat (i) [verweerder] uitdrukkelijk heeft betwist dat de vader de intentie had hem te bevoordelen en dit ook heeft toegelicht, en (ii) [eiser 1] en [eiser 2] geen voldoende specifiek en relevant aanbod hebben gedaan om te bewijzen dat de vader een bevoordelingsbedoeling had, kan het oordeel van het hof over het kosteloos gebruik van de woning hoe dan ook in stand blijven. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de bevoordelingsbedoeling van de vader niet kan worden afgeleid uit – slechts – de verrijking en verarming.
3.16
De voortbouwklacht van onderdeel 3 deelt het lot van de voorgaande onderdelen.
4. Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
4.1
Het incidentele cassatiemiddel van [verweerder] ziet op rov. 3.3 van het tussenarrest,18.waarin het hof als volgt overweegt:
‘De giften die vader heeft gedaan, worden geheel aan hem toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan. [verweerder] maakt daartegen vergeefs bezwaar. Zijn eerste grief houdt in dat de giften voor de helft aan (de nalatenschap van) moeder moeten worden toegerekend, omdat zij ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder. Die grief faalt. Moeder heeft aan vader in de notariële akte van 30 december 2010 toestemming op voet van artikel 1:88 BW gegeven voor alle rechtshandelingen van vader in die akte, dus ook voor de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000. Die toestemming maakt haar niet tot schenker, maar bevestigt juist dat de schenkingen alleen door vader zijn gedaan.’19.
4.2
Het middel bestaat uit drie onderdelen. Volgens onderdeel 1a heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.3 te overwegen dat de giften die de vader heeft gedaan geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Het hof zou hebben miskend dat voor de toerekening van een gift niet de formele tenaamstelling relevant is maar wie in economische zin door de gift is verarmd. Hierbij moet volgens de klacht in acht worden genomen aan welke echtgenoot de gift is toegerekend in het kader van de huwelijksvermogensrechtelijke verdeling van de gemeenschap. Verder zou beoordeeld moeten worden of, ondanks de formele tenaamstelling van de gift, uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat de echtgenoten samen de gift hebben gedaan.
4.3
Het middel stelt aan de orde de vraag of de giften van de vader geheel of slechts gedeeltelijk aan hem moeten worden toegerekend. Aangezien de vader in de wettelijke gemeenschap van goederen was gehuwd en de giften niet zijn gedaan uit het privévermogen van de vader, zou – met het middel – betoogd kunnen worden dat de giften in economische zin mede ten laste van het vermogen van de moeder zijn gekomen.20.Dit standpunt vindt echter geen steun in het recht. Ik wijs hiervoor op het volgende. In het kader van de invoering van het nieuwe erfrecht bepaalde art. 4.3.3.6a van het wetsontwerp dat giften ten laste van een gemeenschap van goederen of van een deelgenootschap, waarin de gever ten tijde van de gift gehuwd was, voor de toepassing van afdeling 4.3.3 (legitieme portie) geacht worden door ieder der echtgenoten voor het te zijnen laste komende deel te zijn gedaan.21.Tijdens de behandeling van het wetsontwerp is deze voorgestelde regeling komen te vervallen. De wetgever heeft dit als volgt toegelicht:
‘Artikel 4.3.3.6a. Tot dusver werden in artikel 4.3.3.6a giften van een erflater die gehuwd was in enige gemeenschap of deelgenootschap (wettelijk of krachtens huwelijkse voorwaarden) niet geheel toegerekend aan de gever. Voor zover de gift ten gevolge van de regels van de gemeenschap of het deelgenootschap feitelijk ten laste kwam van de echtgenoot van de erflater, werd zij aan deze echtgenoot toegerekend. Nadere overweging van deze bepaling en de daarmee samenhangende, nogal gecompliceerde, regels van artikel 7.3.12c lid 7 heeft mij er alsnog toe gebracht om in deze bepalingen voor giften niet af te wijken van de formele tenaamstelling. Schenkingen dienen derhalve volledig te worden toegerekend aan degene die daarbij als schenker partij is. De echtgenoot die geen partij is zal daaraan zo nodig toestemming kunnen onthouden (artikel 1:88).’22.
4.4
Hieruit volgt dat de wetgever bij de toerekening van giften (in het kader van de berekening van de legitieme portie) uitdrukkelijk heeft gekozen voor de formele tenaamstelling van de gift, nadat de wetgever een andersluidende regeling in het wetsvoorstel uitdrukkelijk heeft verworpen. Volgens de bedoelingen van de wetgever geldt dat de gift volledig moet worden toegerekend aan degene die de gift formeel (als partij bij die rechtshandeling) heeft gedaan; de formele tenaamstelling van de gift is derhalve beslissend. Hieraan doet niet af dat de formele gever in gemeenschap van goederen is gehuwd en de gift uiteindelijk (in economische zin) ten laste van beide echtgenoten is gekomen.23.Evenmin doet hieraan af dat bij de heffing van schenk- en erfbelasting wel wordt uitgegaan van een economische benadering.24.Overigens behoeft de echtgenoot die een gift wenst te doen hiervoor de toestemming van de andere echtgenoot (art. 1:88 lid 1 sub b BW).25.De enkele omstandigheid dat echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd brengt nog niet mee dat een echtgenoot (mede) partij is bij een door de andere echtgenoot aangegane rechtshandeling.26.
4.5
Gelet op het voorgaande faalt de klacht van onderdeel 1a dat het hof in rov. 3.3 van het tussenarrest is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
4.6
Onderdeel 1b bevat een motiveringsklacht. Het middel voert aan dat het hof heeft verzuimd bij zijn beoordeling in rov. 3.3 van het tussenarrest te betrekken de stelling van [verweerder] dat de vader en de moeder in de schenkingsverklaring inzake de kwijtschelding van € 115.000,- van de koopsom van de woning samen als schenkers worden genoemd, dat zij deze schenkingsverklaring samen hebben ondertekend, dat daarin is vermeld dat de kwijtschelding de schuld betreft die [verweerder] aan de schenkers had, en dat hieruit blijkt dat deze schenking aan de vader en de moeder moet worden toegerekend. Tot zover de klacht.
4.7
In de inleidende dagvaarding hebben [eiser 1] en [eiser 2] zich op het standpunt gesteld dat alle giften volledig moeten worden toegerekend aan de vader (nr. 85). Over de kwijtschelding van de koopsom van de woning hebben zij het volgende opgemerkt (nr. 88):
‘Ten aanzien van de kwijtschelding van de koopsom van de woning merken eisers op dat deze deels bij de notariële akte van 30 december werd kwijtgescholden ad € 100.000,00. Het andere deel, dat volgens die akte schuldig werd erkend door [verweerder] , werd kort daarop kwijtgescholden. Eisers beschouwen deze kwijtschelding ook als een schenking die volledig moet worden toegerekend aan de nalatenschap van erflater. Het is in het licht van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden duidelijk dat deze laatste kwijtschelding ook als een door erflater gedane schenking moet worden aangemerkt die samenhangt en voortvloeit uit de door erflater daarover met [verweerder] gemaakte afspraken. Moeder heeft weliswaar deze laatste kwijtschelding ad € 115.000,00 mede ondertekend, maar het bestuur over dat geld lag bij erflater. Ook deze laatste kwijtschelding is naar de stellige overtuiging van eiser ontstaan op instigatie van erflater.’
4.8
In rov. 4.2 van het vonnis van 5 december 2018 heeft de rechtbank hierover als volgt overwogen:
‘ [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat alle giften volledig dienen te worden toegerekend aan vader en daarom voor het geheel op de nalatenschap van vader ter inkorting komen. [verweerder] heeft dit niet weersproken. De rechtbank zal daarom, voor zover zij van oordeel is dat er sprake is van giften deze volledig toerekenen aan vader. (…)’.
4.9
In hoger beroep heeft [verweerder] dit oordeel bestreden. De toelichting op grief I in de memorie van grieven vermeldt hierover:
‘5.6 Het standpunt van [verweerder] geldt voor de gestelde giften in de notariële akte van 30 december 2010, en voor de latere kwijtschelding van de koopsom van de woning aan de [a-straat 2] van € 115.000,--. Over die laatste kwijtschelding nog het volgende. De betreffende schenkingsverklaring is door [eiser 1] c.s. overgelegd (zie dagvaarding, productie 10). Hierin worden vader en moeder samen als schenkers genoemd, en de verklaring is door beiden ondertekend. Ook wordt vermeld dat het de schuld betreft die [verweerder] aan schenkers had. Uit deze feiten blijkt duidelijk dat het gaat om een schenking waarbij vader en moeder partij zijn en die moet toegerekend aan beiden. Verder wordt betwist dat het bestuur over dit geld enkel bij vader lag. Uit de verklaring volgt dat dit bij beiden lag.’
4.10
In de memorie van antwoord hebben [eiser 1] en [eiser 2] hiertegen het volgende ingebracht:
‘11. Alleen vader is de handelende partij geweest en heeft zich verbonden tot het doen van de schenkingen/giften.
(…)
13. Uit de notariële akte kan worden afgeleid dat partijen zelf ook uitgingen van deze visie. Moeder heeft de notariële akte slechts mede ondertekend ten behoeve van het verlenen van toestemming ex artikel 1:88 BW, zij was voor het overige geen partij. Als de levering en de daarop volgende kwijtschelding ten laste zou zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap dan had moeder ook mee moeten leveren en zelf als schenker moeten optreden. De meest vergaande conclusie zou dan zijn dat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldige overdracht en/of kwijtschelding. (…)’.
4.11
Bij notariële akte van 30 december 2010,27.betreffende de levering van bedrijfsregistergoederen tussen de vader en [verweerder] , heeft de vader afstand om niet gedaan (schenking) van zijn recht op € 100.000,- van de koopsom van de woning en is het resterende deel van € 115.000,- van de koopsom omgezet in een schuld uit geldlening.28.In de notariële akte heeft de moeder toestemming als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub b BW verleend aan de vader tot de in de akte vermelde rechtshandelingen.29.In rov. 3.3 van het tussenarrest heeft het hof hieruit afgeleid dat de moeder toestemming heeft gegeven voor alle rechtshandelingen van de vader in de notariële akte, waaronder ‘(…) de kwijtschelding van (…) de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000.’ Dit oordeel is in cassatie – terecht – niet bestreden.
4.12
Ten aanzien van de schuld uit geldlening van € 115.000,- hebben de vader en de moeder als schenkers enerzijds en [verweerder] als begiftigde anderzijds een schenkingsverklaring van 5 januari 2011 ondertekend.30.Uit deze verklaring blijkt dat de vader en de moeder als schenkers volledige kwijtschelding van de schuld uit geldlening van € 115.000,- hebben verleend aan [verweerder] als begiftigde. In zijn eerste grief in hoger beroep heeft [verweerder] hiervoor (voldoende gemotiveerd) aandacht gevraagd. Met het middel ben ik van mening dat het hof verzuimd heeft om deze stelling van [verweerder] (kenbaar) te betrekken bij de beoordeling van zijn betoog dat de schenking van € 115.000,- aan de vader en de moeder moet worden toegerekend. De klacht slaagt derhalve.
4.13
De voortbouwklacht van onderdeel 1c behoeft geen afzonderlijke bespreking.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping in het principale cassatieberoep en tot vernietiging en verwijzing in het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑05‑2025
Zie rov. 2 van het tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11253, JERF 2022/64, m.nt. J.W.A. Rheinfeld en rov. 2 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 december 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4961.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de volgende giften gesteld: (a) de kwijtschelding van de overnamesom voor het akkerbouwbedrijf; (b) de kwijtschelding van de koopsom van de woning (in twee fasen); (c) de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat; (d) het kosteloos gebruik door [verweerder] van de woning in de periode van 1 oktober 1993 tot en met 30 december 2010; (e) de verkrijging om niet door [verweerder] van toeslagrechten van de vader; en (f) de uitkering op aandelen Avebe van de vader aan [verweerder] over het teeljaar 2009. Zie rov. 4.1 en 4.35 van het vonnis van de rechtbank van 5 december 2018 alsmede rov. 2.4 van het tussenarrest van het hof van 7 december 2021.
De memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel is alleen door [eiser 1] ingediend. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 28 september 2020 bij het hof heeft de advocaat van [eiser 1] zich tevens voor [eiser 2] gesteld. Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 6; akte nadere uitlating van [eiser 1] en [eiser 2] van 10 augustus 2021; rov. 1 van het tussenarrest van 7 december 2021.
En de hierop gebaseerde eindbeslissing in 3.1 van het dictum van het eindarrest.
Het middel verwijst in voetnoot 13 naar memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, nrs. 68 en 71 en inleidende dagvaarding, nrs. 37, 46 en 53 t/m 56.
In rov. 3.4 van het tussenarrest merkt het hof over de gebruikte terminologie op: ‘Het hof zal hierna ook bij giften spreken van schenker en begiftigde’. Anders dan het hof gebruik ik in mijn conclusie de termen gever en begiftigde.
HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5687, NJ 1995/577, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.4; zie ook conclusie plv. P-G Wissink, nr. 2.18, voor HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437, NJ 2025/104; Asser/Perrick 4 2021/257; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.1 en XVIII.2.2.5; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW B82), 2011/7.
HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3410, NJ 2003/493, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 4.6.1.
HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, BNB 2024/12, m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken, rov. 3.2.2.
HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, BNB 2002/317, m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.5. Zie ook conclusie plv. P-G Wissink, nr. 2.18, voor HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437, NJ 2025/104.
Zie rov. 3.16 van het tussenarrest.
Zie memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, nr. 71.
Zie voetnoot 13 van het middel.
Zie voetnoot 15 van het middel.
Zie laatstelijk HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437, NJ 2025/104, rov. 3.1.2.
Vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.7.
HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:316, NJ 2025/81, rov. 3.1.2; HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6169, NJ 2005/162, rov. 3.5.2.
En het hierop gebaseerde eindoordeel in het eindarrest.
In de eerste zin van deze overweging verwijst het hof in een voetnoot naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8057.
Zie Asser/Perrick 4 2021/310; J.L.D.J. Maasland, Toerekening van giften door een in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde schenker, TE 2015/2, par. 3.
Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 BW 2003, p. 1867 (nr. 6).
Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 BW 2003, p. 1870 (nr. 3).
Zie W.D. Kolkman, Sdu Commentaar Erfrecht, art. 4:66 BW, aant. 2; B.C.M. Waaijer, in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, 2020/X.10.2, p. 364; W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/82; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1) 2021/85.3.Ik laat de giften van de erflater aan zijn echtgenoot zoals bedoeld in art. 4:68 BW hierbij buiten beschouwing.
Zie J.L.D.J. Maasland, Toerekening van giften door een in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde schenker, TE 2015/2, par. 4; P. Blokland, in: A.R. Autar e.a. (red.), Compendium Estate Planning, 2024, par. 1.5.7.
Zie ook rov. 3.3 van het tussenarrest.
HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5651, BNB 2012/116, m.nt. J.C. van Straaten, rov. 3.3.
Prod. 7 bij de inleidende dagvaarding.
Zie p. 5, onder 2, van de notariële akte.
Zie p. 16 van de notariële akte.
Prod. 10 bij de inleidende dagvaarding.
Beroepschrift 19‑09‑2024
VERWEERSCHRIFT TEVENS INHOUDENDE INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG |
Partijen en advocaten
- I.
de heer [eiser 1],
wonende te [woonplaats], en
- II.
de heer [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
eisers in cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen en mr. A.A.M. Knol
tegen
de heer [verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. A.C. de Bakker
PRINCIPAAL CASSATIEBEROEP
Verweerder in cassatie meent dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arresten d.d. 7 december 2021 en d.d. 30 april 2024 (zaaknummer 200.254.943) op de in het cassatiemiddel geformuleerde gronden het recht niet heeft geschonden en geen vormen heeft verzuimd die op straffe van nietigheid in acht genomen moeten worden genomen. Verweerder in cassatie concludeert daarom tot verwerping van het (principaal) cassatieberoep, kosten rechtens.
Incidenteel cassatieberoep — middel van cassatie
Verweerder in cassatie stelt op de voet van art. 410 lid 1 Rv incidenteel cassatieberoep in wegens schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en te beslissen als in de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 7 december 2021 en d.d. 30 april 2024 (zaaknummer 200.254.943) is vermeld, zulks om de navolgende, in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Klachten
Onderdeel 1a: toerekening van schenkingen (rechtsklacht)
1.
Dit middelonderdeel richt zit tegen rechtsoverweging 3.3 van het (tussen)arrest d.d. 7 december 2021, waar het Hof overweegt dat de giften die vader heeft gedaan, geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen.1. Deze overweging geeft blijkt van een onjuiste rechtsopvatting.
De onjuistheid van deze rechtsopvatting is gelegen in de miskenning door het Hof dat bij de beantwoording van de vraag aan wie een gift (als bedoeld in art. 4:67 BW) moet worden toegerekend:
- a.
niet de formele tenaamstelling van de gift tot uitgangspunt genomen dient te worden;2. en/of
- b.
tot uitgangspunt genomen dient te worden wie in economische zin door de gift is verarmd; en/of
- c.
(mede) van belang is aan welke echtgenoot de gift is toegerekend in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap;3.
- d.
(mede) beoordeeld dient te worden of uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat beide echtgenoten samen de gift hebben gedaan, zulks ondanks de formele tenaamstelling van de gift;
Onderdeel 1b: toerekening van schenkingen (motiveringsklacht)
2.
Dit middelonderdeel richt zit tegen rechtsoverweging 3.3 van het (tussen)arrest d.d. 7 december 2021, waar het Hof overweegt dat de eerste grief van [verweerder] (geheel) faalt. Dit oordeel is onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, zulks om de navolgende reden.
[verweerder] heeft in (het kader van zijn eerste grief) in hoger beroep het volgende gesteld:4.
‘Het standpunt van [verweerder] geldt voor de gestelde giften in de notariële akte van 30 december 2010, en voor de latere kwijtschelding van de koopsom van de woning aan de [a-straat 02] van € 115.000,--. Over die laatste kwijtscheldding nog het volgende. De betreffende schenkingsverklaring is door [eisers] c.s. overgelegd (zie dagvaarding, productie 10). Hierin worden vader en moeder samen als schenkers genoemd, en de verklaring is door beiden ondertekend. Ook wordt vermeld dat het de schuld betreft die [verweerder] aan schenkers had. Uit deze feiten blijkt duidelijk dat het gaat om een schenking waarbij vader en moeder partij zijn en die moet toegerekend aan beiden. Verder wordt betwist dat het bestuur over dit geld enkel bij vader lag. Uit de verklaring volgt dat dit bij beiden lag.’
Het Hof heeft verzuimd deze stellingen in haar beoordeling te betrekken. Dit geldt met name waar het betreft de stellingen ter zake de schenking die voortvloeit uit de kwijtschelding van € 115.000,-, welke schenking blijkt uit de schenkingsverklaring d.d. 7 januari 2011.5. Het betreffen essentiële stellingen die de conclusie rechtvaardigt dat de schenkingen door vader én moeder zijn gedaan en derhalve slechts voor de helft aan vader toegerekend dienen te worden. Dit diende dan voorts te leiden tot de conclusie dat de eerste grief van [verweerder] slaagt, al dan niet gedeeltelijk.
Onderdeel 1c: voortbouwklacht
3.
Gegrondbevinding van onderdeel 1a en/of onderdeel 1b brengt mee dat ook 's Hof (voortbouwende) oordelen in rechtsoverwegingen 3.3, 3.11, 3.13 en 3.23 t/m 3.26 van het (tussen)arrest van 7 december 2021 en rechtsoverwegingen 2.1, 2.5, 2.8 en 2.9 van het (eind)arrest van 30 april 2024, alsmede de dicta van voornoemde arresten niet in stand kunnen blijven.
Op grond van dit middel vordert verweerder in cassatie vernietiging van de bestreden arresten met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van eiser in cassatie in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Hendrik-Ido-Ambacht, 19 september 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑09‑2024
Verweerder in cassatie heeft met grief I in principaal appel dit rechtskader ter discussie gesteld, zie memorie van grieven d.d. 11 juni 2019, randnummers 5.1 en 5.2 en 5.4.
Het Hof verwijst in de bestreden uitspraak ter motivering van zijn rechtsoordeel naar een arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8057. Deze uitspraak staat echter op gespannen voet met de rechtsliteratuur, zie bijvoorbeeld Asser/Perrick 4 2021/310:310 Giften aan derden ten laste van huwelijksgemeenschap. In de schriftelijke toelichting zal dit nader worden uitgewerkt.
Zie ook: Asser/Perrick 4 2021/310:310 Giften aan derden ten laste van huwelijksgemeenschap.
Zie memorie van grieven d.d. 11 juni 2019, r.o. 5.6.
Zie productie 10 bij dagvaarding in eerste aanleg.
Beroepschrift 25‑07‑2024
Procesinleiding betreffende een vordering tot cassatie ex artikel 407 Rv
Eisers:
- 1)
[eiser 1], wonende te [woonplaats],
- 2)
[eiser 2], wonende te [woonplaats],
in deze cassatieprocedure woonplaats kiezende te (2514 AG) Den Haag aan de Koninginnegracht 62, ten kantore van Maaldrink Vermeulen Advocaten van wie Mr A.H. Vermeulen, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, hen als zodanig in deze cassatieprocedure vertegenwoordigt.
Verweerder:
[verweerder]
wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [a-straat 01]
Oproep verweerder:
Verweerder wordt opgeroepen om ten laatste op vrijdag de dertigste augustus tweeduizendvierentwintig om 10:00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken op vrijdagen, die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden voor civiele vorderingszaken.
Bestreden uitspraken:
Eisers stellen cassatieberoep in tegen het tussenarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, afdeling civiel, d.d. 7 december 2021 met zaaknummer 200.254.943/02 alsmede het eindarrest van dit Hof met zaaknummer 200.254.943/03 d.d. 30 april 2024.
Inleiding en procesverloop
1.1
De onderhavige zaak betreft, kort weergegeven, de door de erflater (verder te noemen: ‘vader’) gewilde bedrijfsopvolging door verweerder in cassatie (verder te noemen: ‘[verweerder]’). Vader had met [verweerder] een maatschap met als doel het uitoefenen van een landbouwbedrijf te [a-plaats]. [verweerder] woonde in de periode van 1 oktober 1993 tot en met 30 december 2010 om niet in de naast het landbouwbedrijf gelegen woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] welke eigendom was van vader. De woning is nadien onder kwijtschelding van de koopsom aan [verweerder] overgedragen.
1.2
In 2004 hebben [verweerder] en vader een nieuwe maatschapsovereenkomst en een pachtovereenkomst gesloten waarbij landbouwgrond van 67.20.65 hectare die verpacht was door de vader is ingebracht in de maatschap. In de maatschapsovereenkomt is bepaald dat een de onderneming van de maatschap voortzettende maat recht heeft op overname of toedeling van de goederen die tot de maatschap behoren of aan de maatschap zijn verpacht1..
1.3
De maatschap is ontbonden op 1 mei 2010 waarna [verweerder] het bedrijf heeft voortgezet. Bij akte van 30 december 2010 zijn alle activa van de maatschap aan [verweerder] toegedeeld onder de verplichting alle schulden van de maatschap over te nemen. Ook zijn alle registergoederen die behoren tot het landbouwbedrijf alsmede een woning en percelen cultuurgrond en landbouwgrond overgedragen aan [verweerder]2..
1.4
Vader is overleden op [overlijdensdatum] 2014. Bij uiterste wilsbeschikking van 11 april 2011 heeft vader bepaald dat [verweerder] werd onterfd en dat eisers in cassatie (verder te noemen: ‘de broers’) samen met zijn (vooroverleden) echtgenote gezamenlijk en voor gelijke delen zijn erfgenamen zijn3..
1.5
De broers hebben in eerste aanleg een beroep gedaan op hun legitieme rechten. Zij zijn daarin geschonden door de, naar hun stellingen als giften aan te merken overdrachten door vader aan [verweerder]4..
1.6
De Rechtbank heeft de aantasting van de broers in hun legitieme rechten vastgesteld maar heeft daarbij de verpachting van agrarische percelen zonder tegenprestatie merkwaardigerwijs niet als gift willen aanmerken. Volgens de broers is de waarde van de aan [verweerder] overgedragen percelen ten onrechte vastgesteld in verpachte staat en niet op de vrije waarde. Ook het gratis woonrecht voor de periode van 1 oktober 1993 tot en met 30 december 2010 van de nadien onder kwijtschelding van de koopsom aan [verweerder] overgedragen woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats], gelegen naast het landbouwbedrijf5., is door de Rechtbank niet als gift aangemerkt (de kwijtschelding van de koopsom voor de uiteindelijk door [verweerder] gekochte woning wel)6..
1.7
De broers hebben (incidenteel) gegriefd tegen het oordeel van de Rechtbank dat de waardering van de agrarische percelen en het gratis woonrecht niet als giften zijn aan te merken die bij de bepaling van de legitieme massa, en daarmee bij de berekening van hun legitieme portie hadden moeten worden betrokken7..
1.8
Het Hof heeft in het tussenarrest in de rovv. 3.14 tot en met 3.17 de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat beoordeeld en komt in rov. 3.17 van het tussenarrest tot de slotsom dat er geen sprake is van een gift die bij de berekening van de legitieme portie van de broers moet worden betrokken. In de rovv. 3.18 en 3.19 van het tussenarrest beoordeelt het Hof het gratis woonrecht van [verweerder] en oordeelt dat niet is komen vast te staan dat ter zake sprake is van een gift. In beide gevallen zou geen sprake zijn van een bevoordelingsbedoeling van vader.
1.9
Het Hof heeft de legitieme porties van de broers in het tussenarrest (het legitieme tekort na aftrek van hun erfdeel ad € 49.601,50 in het resterende vermogen / de nalatenschap van vader) bepaald op € 251.238,858. per persoon. Daarna is de rechtsstrijd voortgezet waarbij de vraag nog voorlag of het gezien het bepaalde in art. 4:90 lid 1 BW al dan niet redelijk is dat [verweerder], die in beginsel verplicht is om het legitieme tekort van de broers te voldoen, dit ook daadwerkelijk zou moeten doen. Daarbij heeft het Hof de in het tussenarrest vastgestelde legitieme porties van € 251.238,85 wederom vastgesteld9.. Het Hof komt tot het oordeel dat [verweerder] gehouden is de legitieme tekorten van de broers te voldoen en veroordeelt [verweerder] om de broers ieder € 251.238,85 te betalen10.. Daaruit volgt dat het Hof de beslissingen ter bepaling van de legitieme rechten en het niet daarbij betrekken van de waardering van de landbouwgronden en het gratis woonrecht van het tussenarrest (de rovv. 3.17 en 3.19) heeft gehandhaafd11..
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet — inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 7 december 2021 in de rovv. 3.14 tot en met 3.17, de rovv. 3.18 en 3.19 in samenhang met de rovv. 3.23 tot en met 3.25 en het dictum, alsmede in het arrest van 30 april 2024 in de rovv. 2.1, 2.8 en het dictum van dat arrest (met name rov. 3.1) onjuiste en/of onbegrijpelijke beslissingen heeft gegeven, gelet op één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen, redenen.
1.1.
Het Hof heeft in rov. 3.17 van het tussenarrest d.d. 7 december 2021, waarin het Hof oordeelt dat de incidentele grief I12. faalt, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel heeft het Hof het oordeel dat de overname van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat niet een gift is die bij de berekening van de legitieme rechten van de broers onvoldoende en onbegrijpelijk gemotiveerd, zodat dit in het tussenarrest gegeven oordeel en daarmee ook het eindoordeel in het eindarrest d.d. 30 april 2024 in rov. 3.1 van het dictum niet in stand kunnen blijven. Dit om de navolgende redenen.
1.2
In tegenstelling tot wat het Hof oordeelt hebben de broers wel degelijk het nodige gesteld over de bevoordelingsbedoeling van vader13.. Dat er geen vermoeden was om een bevoordelingsbedoeling aan te nemen14. wordt door het Hof gestoeld op het feit dat [verweerder] onweersproken zou hebben gezegd dat vader (hem niet wilde bevoordelen maar) goede voorwaarden wilde scheppen voor een rendabele voortzetting van het bedrijf. Voor zover dat al onweersproken is15. — des neen — is deze motivering onbegrijpelijk omdat juist uitgebreid door [eiser 1] en [eiser 2] is aangevoerd dat de overname tegen een lagere waarde dan in het economische verkeer tenminste in kan houden dat bij de verarming en verrijking een bevoordelingsbedoeling is geweest zodat sprake is van een schenking16.. Er is dus tenminste een vermoeden van een bevoordelingsbedoeling van vader voor zover deze bevoordelingsbedoeling niet al vast staat omdat een voordelige bedrijfsvoortzetting bevoordeling impliceert van degene (de maat) die het bedrijf voortzet. Met de overeenkomsten is immers bedoeld dat het bedrijf onder de in de overeenkomsten opgenomen voorwaarden17. in zijn geheel overgaat op [verweerder] zodat de — zoals volgt uit het oordeel van het Hof in rov. 3.17 van het tussenarrest — in ieder geval door de erflater bedoelde bevoordeling van het bedrijf eo ipso de (bedoelde) bevoordeling van [verweerder] is.
1.3
Daarbij heeft het Hof bovendien blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft in 2005 bepaald dat, kort weergegeven, het geheel van de maatschapsverhouding bij de beoordeling of sprake is van een gift moet worden betrokken18.. Dit heeft het Hof miskend. De gehele (gewijzigde) maatschapsverhouding zoals vastgelegd in de overeenkomsten van 2004 diende bij de beoordeling te worden betrokken. Het Hof heeft dit niet (kenbaar) gedaan zodat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ook om deze reden een onvoldoende gemotiveerd dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het gehele samenstel van rechtshandelingen, inclusief de onterving van [verweerder], geeft aanleiding om voor dat geheel een bevoordelingsbedoeling van vader aan te nemen. Dit heeft het Hof miskend.
2
Het Hof heeft in rov. 3.19, in samenhang met rov. 3.18 van het tussenarrest onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat de gratis bewoning door [verweerder] van de aan het landbouwbedrijf grenzende woning geen gift is omdat niet is gebleken van een bevoordelingsbedoeling van vader. Ook hier geldt dat de bevoordeling van het bedrijf bevoordeling van [verweerder] is. Juist omdat de woning in kwestie de facto een bedrijfswoning is, dient ook het voordelige gebruik van de woning evenzeer als de overname van dan wel toebedeling van (andere) bedrijfsonderdelen bij de berekening van (de legitimaire massa en) de legitieme porties van de broers te worden betrokken19.. Dit klemt te meer nu de kwijtschelding van de koopsom van dezelfde woning (!) wel bij de berekening van de legitieme porties is betrokken20.. Nota bene heeft het Hof eenzelfde betwisting voor wat betreft de kwijtschelding van de koopsom voor de woning aan de [a-straat 01] niet gehonoreerd21.. Ook op dit punt kan dus het in het tussenarrest gegeven oordeel en daarmee ook het eindoordeel in het eindarrest niet in stand blijven.
3
Nu de oordelen zoals gegeven in het tussenarrest, in het bijzonder dus de rovv. 3.17 en 3.19 ervan moeten worden gekwalificeerd als onbegrijpelijk danwel onvoldoende gemotiveerd, vitieert dit tevens het dictum van het eindarrest en rov. 2.1 daarvan omdat het Hof daarbij een omvang van (de legitimaire massa en) de legitieme porties van de broers heeft vastgesteld waarbij, ten onrechte dan wel met een onvoldoende dan wel onbegrijpelijke motivering, geen rekening is gehouden met de overname door [verweerder] van de landbouwgronden tegen de waarde in verpachte staat — terwijl als gezegd vaststaat dat hij geen pacht hoeft te betalen en het kosteloos gebruik door [verweerder] van de woning.
Mitsdien:
Het de Hoge Raad der Nederlanden behage de arresten a quo op grond van een of meer onderdelen van het voorgestelde cassatiemiddel te vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; één en ander met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het cassatieberoep en de kosten van de procedure in de feitelijke instanties, althans, bij verwijzing, in de kosten van het cassatieberoep.
's‑Gravenhage, 25 juli 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑07‑2024
Zie de producties 5 bij de inleidende dagvaarding van 28 september 2017. Zie ook de rovv. 2.8 en 2.9 van het eindvonnis voor de overeenkomsten; zie rov. 3.14 van het tussenarrest van 7 december 2021.
Zie rov. 2.3 van het tussenarrest d.d. 7 december 2021. Voor een volledig overzicht van alle relevante feiten en rechtshandelingen de rovv. 2.1 tot en met 2.5 van het tussenarrest en de rovv. 2.1 tot en met 2.19 van het vonnis in eerste aanleg van de Rechtbank Noord-Nederland (afdeling privaatrecht, locatie Groningen) d.d. 5 december 2018.
Zie de rovv. 2.3 en 2.5 van het vonnis in eerste aanleg.
Zie rov. 4.1 van het vonnis in eerste aanleg.
Zie rov. 4.30 en rov. 4.31 van het vonnis in eerste aanleg.
Zie de rovv. 4.21 e.v. van het vonnis in eerste aanleg voor wat betreft de verpachting zonder wederprestatie; rovv. 4.30 tot en met 4.34 voor wat betreft het gratis woonrecht.
Memorie van antwoord tevens van incidenteel appel tevens van wijziging eis (MvA) d.d. 1 oktober 2019, incidentele grief I (de Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een schenking aan [verweerder] ten gevolge van de wijziging van het maatschapscontract en het verpachten van het land; zie met name pos. 74) en incidentele grief II ten aanzien van het gratis woonrecht (zie met name pos. 84).
Zie de rovv. 3.23 en 3.24 van het tussenarrest.
Zie rov. 2.1 van het eindarrest.
Rov. 2.8 en rov. 3.1 (van het dictum van) het eindarrest. Het Hof vernietigt daarbij rov. 5.1 van het eindvonnis omdat de Rechtbank ten onrechte een lager bedrag had vastgesteld (zie rov. 3.25 van het tussenarrest).
Zie nogmaals rov. 3.24 van het tussenarrest.
Zie de memorie van antwoord tevens van incidenteel appel tevens wijziging van eis (MvA) d.d. 1 oktober 2019, pos. 53 t/m 74.
Zie bijvoorbeeld pos. 68 en 71 van de MvA, pos. 26, en 31 e.v., met name de pos. 37, 46 en 53 t/m 56 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg.
Kennelijk ontleend aan het door het Hof bij rov. 3.16 van het tussenarrest aangehaalde arrest HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485, m. nt. W.M. Kleijn (Oerlemans II), rov. 3.7, een-na-laatste alinea.
Zie bijvoorbeeld het proces-verbaal d.d. 28 september 2020, p. 3, onder eiser 1. (2e alinea) en pos. 42, 43, 68, 70 en 74 van de MvA.
Zie met name pos. 71 van de MvA.
Zie de rovv. 2.6 t/m 2.10 van het vonnis in eerste aanleg d.d. 5 december 2018. Het gaat hierbij met name om de maatschapsovereenkomst en de pachtovereenkomst van december 2004 (zie de rovv. 2.8 en 2.9 van het vonnis).
HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2002:AR6169, NJ 2005/162, rov. 3.5.2, laatste zin. Zie ook pos. 64 van de MvA.
Zie de rovv. 3.9 en 3.13 van het tussenarrest.
Zie de rovv. 3.11 en 3.23 van het tussenarrest.
Zie de rovv. 3.12 en 3.13 van het tussenarrest.