Hof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2014, nr. K12/0308
ECLI:NL:GHARL:2014:1897
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
17-02-2014
- Zaaknummer
K12/0308
- LJN
CA0945
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2014:1897, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑02‑2014
ECLI:NL:GHARL:2013:CA0945, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 24‑05‑2013; (Raadkamer)
Uitspraak 17‑02‑2014
Inhoudsindicatie
Verzoek ex artikel 591a Sv na beklagprocedure ex artikel 12 Sv
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
Zaaknummer: K12/0308
Avnr: 1348-13
Het hof heeft gezien het op 24 juli 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
domicilie kiezende te [plaats], ten kantore van zijn raadslieden,
hierna te noemen verzoeker,
ingediend door [raadsman 1] en [raadsman 2], beiden advocaat te [plaats], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van het op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediende beklag gemaakte reis- en verblijfskosten, voor de schade die hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling van het beklag heeft geleden en in de kosten van de raadslieden gemaakt in verband met de beklagprocedure, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 januari 2014 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mrs. [raadsman 1] en [raadsman 2] voornoemd.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.
OVERWEGINGEN
1.
Bij beschikking ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van de dato 24 mei 2013, is een door klager tegen verzoeker ingediend beklag tegen de beslissing om verzoeker niet te vervolgen afgewezen.
2.
Het ingekomen verzoek is gebaseerd op artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge het bepaalde in lid 4 van dit artikel juncto lid 2 van artikel 591 van voornoemd Wetboek geschiedt de vaststelling van de gevraagde vergoeding bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft bij brief van 4 juli 2012 aan verzoeker te kennen gegeven dat verzoeker terzake de feiten waarop het beklag betrekking had (onder meer (passieve) omkoping van een rechter dan wel (passieve) ambtelijke omkoping) niet zou worden vervolgd. Verzoeker is ter zake dat feit derhalve nimmer strafrechtelijk vervolgd en blijkens de brief van de officier van justitie ook nimmer als verdachte aangemerkt. Gelet op de verwevenheid van het feit waarop het beklag had met de feiten waarvoor verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd en door het hof bij arrest van 13 juni 2013 is vrijgesproken, merkt het hof zich ter zake het ingediende verzoekschrift aan als de feitelijke instantie waarbij verdachte het laatst werd vervolgd. Het hof acht zich derhalve bevoegd om over het verzoekschrift te oordelen.
3.
Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.
4.
Het verzoekschrift omvat kort gezegd de volgende posten
a. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 22.396,86 in rekening gebracht door mrs. [raadsman 1] en [raadsman 2] voornoemd;
b. reiskosten bestaande uit een bedrag van 63,00;
c. verblijfskosten bestaande uit een bedrag van 9,00;
d. schade ten gevolge van tijdverzuim bestaande uit een bedrag van 734,67;
e. kosten van indiening van onderhavig verzoek, welke kosten niet nader zijn gespecificeerd maar ten aanzien waarvan verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten de forfaitaire bedragen overstijgen.
5.
De advocaat-generaal heeft volhard bij de eerdere schriftelijke conclusie.
6.
De raadslieden hebben gepersisteerd bij het verzoek.
7.
Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Bij arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) heeft de Hoge Raad bepaald dat na afwijzing van een op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering toekenning van een dergelijke vergoeding aan de gewezen beklaagde in de gevoerde beklagprocedure niet is uitgesloten. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
8.
De gevraagde reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de behandeling van het beklag door dit hof op 16 april 2013 zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden:
- 1 maal een retour bus/NS 2e klasse [woonplaats]-Arnhem à € 42,80: € 42,80
Derhalve in totaal € 42,80
De in verband met het bijwonen van de behandeling van het beklag meer verzochte reis- en verblijfkosten vanwege het gebruik van een ander vervoersmiddel dan het openbaar vervoer wijst het hof af.
9.
De door verzoeker gevraagde vergoeding wegens tijdverzuim zal worden afgewezen, omdat er bij verzoeker geen sprake is geweest van aantoonbare geconcretiseerde inkomstenderving vanwege het bijwonen van de behandeling van het beklag. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker door het bijwonen van de behandeling van het beklag bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten die hij anders wel zou hebben verricht. Het hof begrijpt de door verzoeker gestelde inkomstenderving aldus dat deze is ontstaan doordat verzoeker vanwege zijn strafvervolging ter zake andere met de beklagprocedure verbonden zaken bepaalde functies en werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Dergelijke inkomstenderving komt echter niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking, laat staan in een op de voet daarvan geëntameerde verzoekschriftprocedure die louter verband houdt met de beklagprocedure die ziet op andere feiten. Het voorgaande geldt eveneens voor inkomstenderving die is ontstaan door de beschuldigingen jegens verzoeker die hebben geleid tot de beklagprocedure.
10.
Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.
11.
Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de beklagprocedure. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat het openbaar ministerie uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de feiten waarvan verzoeker in het kader van de beklagprocedure beschuldigd werd. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie grote inspanningen gerechtvaardigd achtte, hetgeen niet alleen volgt uit de omvang van het verrichte onderzoek maar ook bijvoorbeeld uit het feit dat het openbaar ministerie blijkens het ambtsbericht in de beklagprocedure dat onderzoek en de beoordeling daarvan heeft laten verrichten door twee officieren van justitie. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de beschuldigingen de nodige media-aandacht hebben gegenereerd, terwijl het hof uiteindelijk heeft geoordeeld dat er zelfs na het uitgebreide onderzoek door het openbaar ministerie geen aanwijzing in het dossier zijn aangetroffen die de veronderstelling ondersteunen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van omkoping.
De omstandigheid dat tussen de beklagprocedure en de strafprocedure die heeft geleid tot vrijspraak het nodige verband bestaat en verzoeker in beide procedures werd bijgestaan door dezelfde raadslieden, maakt het niet onredelijk te verwachten dat dat een gunstig effect heeft op de tijd en kosten die gemoeid zijn geweest met het bijstaan van verzoeker in de beklagprocedure. Daarbij komt dat een beklagprocedure naar zijn aard reeds minder tijd en voorbereiding vergt dan een strafprocedure. Voorts was het openbaar ministerie in de beklagprocedure, anders dan in de strafprocedure, met verzoeker van oordeel dat strafvervolging terzake de feiten die in de beklagprocedure centraal stonden, achterwege diende te blijven.
Alles afwegende acht het hof de door de raadslieden verrichte werkzaamheden in een bijzondere zaak als de onderhavige beklagzaak niet van dien aard dat deze als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het hof ziet in de gedeclareerde uren en kosten voldoende terug dat in casu ook sprake was van de nodige tijd- en kostenbesparende omstandigheden. De gedeclareerde uren en kosten vormen immers bij benadering slechts 10% van de uren en kosten die gedeclareerd zijn in de strafzaak.
12.
Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag ter hoogte van het verzochte bedrag van € 22.396,86 (inclusief BTW).
13.
Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,00 (inclusief BTW). Het hof ziet geen reden om van de landelijke aanbeveling af te wijken.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 22.979,66 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v. [begunstigde].
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. M. Otte, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2014.
Uitspraak 24‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Beklag ex artikel 12 SV tegen beslissing niet strafrechtelijk vervolgen rechter ivm mogelijke omkoping.
K12/0308
Uitspraak d.d. 24 mei 2013
Beschikking
inzake
[klagers],
domicilie kiezende ten kantore van hun gemachtigde,
klagers,
bijgestaan door mr L. Zegveld, advocaat te Amsterdam,
tegen
[beklaagde],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
beklaagde,
bijgestaan door mr R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda.
Op 20 september 2012 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klagers. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Utrecht om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen.
Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de officier van justitie mr A.M.F. van Veghel en de officier van justitie mr W.J. Koreman te Utrecht van 8 januari 2013 (per abuis gedateerd 8 januari 2012), het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal van 20 december 2012 en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.
Op 16 april 2013 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren van de zijde van klagers en de gemachtigde van klagers mr L. Zegveld en van de zijde van beklaagde en zijn advocaten mr R.W.J. Kerckhoffs en mr J.N. de Boer, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.
De advocaat-generaal heeft, in overeenstemming met haar schriftelijk verslag, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht.
Het beklag
Klagers hebben op 26 april 2011 aangifte gedaan van onder meer (passieve) omkoping van een rechter dan wel (passieve) ambtelijke omkoping, gepleegd door beklaagde in de periode van 1994 tot 26 april 2011. Voor wat betreft de feiten verwijst het hof naar het aan deze beschikking in kopie gehechte ambtsbericht van de officieren van justitie.
De officier van justitie Van Veghel heeft de gemachtigde van klagers bij brief van 4 juli 2012 meegedeeld dat beklaagde niet vervolgd zal worden, omdat er naar de mening van het openbaar ministerie voor deze feiten sprake is van onvoldoende bewijsrechtelijke grond voor een strafrechtelijke vervolging.
De beoordeling van het beklag
Klagers kunnen als rechtstreeks belanghebbenden worden beschouwd en zijn derhalve ontvankelijk in hun beklag.
Klagers hebben aangifte gedaan van omkoping van beklaagde door de broers [persoon 1] en [persoon 2]. Beklaagde was van 1986 tot 2003 rechter bij de rechtbank Den Haag, daarna is hij enige jaren directeur van de NMA geweest.
Kort gezegd is er vanaf 1994 onenigheid ontstaan tussen de familie [klager] en aan hen gelieerde vennootschappen enerzijds en de familie [persoon 1 en 2] en aan hen gelieerde vennootschappen anderzijds, omtrent de zeggenschap over enige grondpercelen rondom Schiphol. Het is evident dat daarbij grote financiële belangen spelen.
Beklaagde was destijds rechter bij de rechtbank Den Haag en een collega van [persoon 3]. Beklaagde was bovendien goed bevriend met [persoon 1].
Volgens klagers heeft beklaagde zijn invloed aangewend om, in enkele in 1994, 1996 en 1997 voor de rechtbank Den Haag gevoerde civiele procedures tussen [vennootschap van klager] en [vennootschap van persoon 1 en 2], een welgezinde rechter (i.e. [persoon 3]) op de zaak te zetten, zodat de procedures op een voor [vennootschap van persoon 1 en 2] gunstige wijze zouden verlopen.
Klagers hebben (onder meer) aangifte gedaan ter zake van passieve omkoping van een rechter (artikel 364 van het Wetboek van Strafrecht). Om tot vervolging ter zake van omkoping van een rechter te kunnen overgaan is vereist dat beklaagde een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem is gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak. Het hof is van oordeel dat dit bestanddeel niet zodanig extensief kan worden geïnterpreteerd dat er in casu sprake is van een aan zijn oordeel onderworpen zaak. Gesteld noch gebleken is immers dat beklaagde in zijn functie als rechter op enig moment betrokken is geweest bij de beoordeling van de hiervoor weergegeven geschillen. Het hof acht vervolging van beklaagde ter zake van omkoping van een rechter derhalve niet mogelijk.
Ingevolge artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar de ambtenaar, die een gift, belofte of dienst vraagt of ontvangt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem is gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten. Volgens klagers heeft beklaagde diverse gunsten van [vennootschap van persoon 1 en 2] aangenomen en heeft hij als tegenprestatie onder meer de civiele procedures tussen [vennootschap van klager] en [vennootschap van persoon 1 en 2] beïnvloed. Klagers voeren aan, dat beklaagde eind tachtiger jaren schouwburgkaartjes heeft gekregen en dat hij (zonder vergoeding) gebruik heeft mogen maken van een vakantiehuisje van [persoon 1]. Bovendien zou er een stelsel van gunsten hebben bestaan tussen beklaagde en [vennootschap van persoon 1 en 2].
Klagers geven aan dat zij daarbij niet zozeer of alleen denken aan een geldbedrag, maar veeleer aan een stelsel van gunsten waarvan beklaagde over een periode van vele jaren heeft geprofiteerd (blz. 41 van het klaagschrift). Daarin zou ook de winst passen die [bedrijf 1] zou maken, zo geven zij aan. Beklaagde was commissaris bij de supermarktketen [bedrijf 1] en [bedrijf 1] had een aanzienlijk bedrag geïnvesteerd in [bedrijf 2] en [bedrijf 3], vennootschappen die destijds eigendom waren van [persoon 2] en [vennootschap van klager].
Het hof is van oordeel dat er zich niet voldoende bewijzen in het dossier bevinden om beklaagde ter zake van ambtelijke omkoping te vervolgen. Beklaagde heeft in raadkamer aangegeven dat hij de schouwburgkaartjes zelf heeft gekocht en betaald. Bovendien heeft beklaagde ook niet ontkend dat hij goed bevriend is met [persoon 1]. In dat licht gezien zou het aanvaarden van schouwburgkaartjes of het gebruik van een vakantiewoning niet zonder meer als ongebruikelijk of strafbaar zijn aan te merken.
Omtrent de veronderstelde tegenprestatie van beklaagde blijkt slechts uit de, overigens betwiste, verklaringen van mevrouw [persoon 4]. Maar zelfs deze verklaringen geven geen uitsluitsel over de vermeende beïnvloeding, nu [persoon 4] nooit bij een vermeend, tussen [persoon 3] en beklaagde gevoerd gesprek aanwezig is geweest.
Het openbaar ministerie heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd (Onderzoek “Brussel”) naar mogelijke strafbare feiten, waarbij [persoon 3] betrokken zou zijn. Daarbij is eveneens onderzoek gedaan naar de rol van beklaagde. Het hof heeft ook in dit dossier geen aanwijzingen aangetroffen, die de veronderstelling ondersteunen dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping.
Het hof is van oordeel dat in het dossier niet voldoende bewijs aanwezig is om beklaagde ter zake van (passieve) ambtelijke omkoping te vervolgen. In het klaagschrift heeft klager ook geen aanvullende feiten of omstandigheden aangevoerd die dit oordeel anders maken.
Zou het hof echter van oordeel zijn geweest dat de door klagers aangevoerde gunsten en tegenprestaties voldoende aanwijzingen opleveren voor een redelijk vermoeden dat beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan ambtelijke omkoping, dan nog zou vervolging van beklaagde niet mogelijk zijn geweest. De enige, door klagers concreet aangegeven, gunsten dateren uit de tachtiger jaren en de beïnvloeding van de civiele procedures zou de periode tot uiterlijk in 1997 omvatten. Ingevolge artikel 70, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is het recht tot strafvervolging voor deze feiten verjaard.
Klagers hebben opgemerkt dat het stelsel van gunsten meeromvattend is, langer heeft geduurd en mogelijk nog voortduurt. Het hof zou, zo stellen klagers, een bevel dienen te geven om een nader onderzoek uit te (laten) voeren, zodat de voortdurende belangenverstrengeling tussen beklaagde en [vennootschap van persoon 1 en 2] aan het licht zal komen. Volgens klagers zijn er voldoende aanknopingspunten aanwezig voor nader onderzoek en zou het openbaar ministerie prematuur, namelijk na het horen van slechts één getuige [getuige 1], hebben besloten om beklaagde niet te vervolgen.
Naar het oordeel van het hof voegt deze getuigenverklaring echter niet veel toe en biedt zeker geen concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek. In het dossier bevinden zich evenmin andere aanknopingspunten, die een nader onderzoek zouden rechtvaardigen.
De officieren van justitie hebben in dezen een juiste beslissing genomen.
Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Er wordt beslist als volgt.
Beslissing
Het hof:
Wijst het beklag af.
Deze beschikking is gegeven door mr G. Mintjes, voorzitter, mr M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr J.D. den Hartog, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr N.E. Versloot, griffier, op 24 mei 2013 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.