Procestaal: Litouws.
General Court, 15-04-2026, nr. T-190/25
ECLI:EU:T:2026:261
- Instantie
General Court
- Datum
15-04-2026
- Magistraten
N. Półtorak, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík, I. Dimitrakopoulos
- Zaaknummer
T-190/25
- Roepnaam
Tabako lapai
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:T:2026:261, Uitspraak, General Court, 15‑04‑2026
Uitspraak 15‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Accijns — Accijns op tabaksfabricaten — Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2011/64/EU — Uitlegging van het begrip ‘rooktabak’ — Inaanmerkingneming van de bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur en de toelichtingen — Geldigheid — Rechtszekerheid — Legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen
N. Półtorak, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík, I. Dimitrakopoulos
Partij(en)
In zaak T-190/25,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen) bij beslissing van 27 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 27 februari 2025, in de strafprocedure tegen
A.K.,
‘Tabako lapai’ UAB,
in tegenwoordigheid van:
Lietuvos Respublikos generalinė prokuratūra,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse (rapporteur), G. Steinfatt, D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 19 maart 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b) en d), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materies en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigde,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Liudvinavičiūtė, S. Santoro en O. Segnana als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland, A. Demeneix en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten (PB 2011, L 176, blz. 24), en van de posten 2401 en 2403 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 254/2000 van de Raad van 31 januari 2000 (PB 2000, L 28, blz. 16), in de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 (PB 2017, L 282, blz. 1) (hierna: ‘GN’), alsmede de geldigheid van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 en de GN in het licht van artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en het algemene beginsel van rechtszekerheid.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen ‘Tabako lapai’ UAB, een vennootschap naar Litouws recht, en haar directeur A.K., betreffende strafbare feiten op het gebied van de accijnswetgeving.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2011/64
3
In de overwegingen 2, 3, 8 en 9 van richtlijn 2011/64 staat te lezen:
- ‘(2)
De wetgeving van de Unie betreffende de belasting van tabaksproducten dient te zorgen voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van gezondheidsbescherming, […].
- (3)
Een van de doelstellingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de instandhouding van een economische unie waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt, waarin gezonde mededinging bestaat. De verwezenlijking van dit doel met betrekking tot de sector tabaksfabricaten veronderstelt dat de in de lidstaten op het verbruik van producten van deze sector geheven belasting zodanig wordt toegepast dat de mededingingsvoorwaarden niet worden vervalst en het vrije verkeer van deze producten binnen de Unie niet wordt belemmerd.
[…]
- (8)
In het belang van een uniforme en billijke belastingheffing moet de definitie van sigaretten, sigaren en cigarillo's en van andere vormen van rooktabak worden vastgesteld zodat […] rooktabak die in veel opzichten lijkt op tabak van fijne snede die bedoeld is voor het rollen van sigaretten, voor accijnsdoeleinden als tabak van fijne snede wordt beschouwd, […].
- (9)
Wat de accijnzen betreft, moet de harmonisatie van de structuren in het bijzonder tot gevolg hebben dat de concurrentieverhoudingen tussen de verschillende categorieën tabaksfabricaten die tot eenzelfde groep behoren, niet worden vervalst door de invloed van de belastingheffing en dat zodoende de openstelling van de nationale markten van de lidstaten wordt verwezenlijkt.’
4
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van richtlijn 2011/64 is als volgt verwoord:
‘In deze richtlijn worden algemene beginselen vastgesteld voor de harmonisatie van de structuur en de tarieven van de accijns welke de lidstaten op tabaksfabricaten heffen.’
5
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2011/64 bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder tabaksfabricaten:
[…]
- c)
rooktabak:
- i)
tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten;
- ii)
andere soorten rooktabak.’
6
Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2011/64 bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder rooktabak:
- a)
gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt;
- b)
tabaksafval, […].’
GN
7
Het tweede deel van de GN, met als opschrift ‘Tabel van de rechten’, bevat een afdeling IV, met als opschrift ‘Producten van de voedselindustrie; dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn; tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’. Die afdeling omvat onder meer hoofdstuk 24 van de GN, dat als opschrift ‘Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’ heeft. Dit hoofdstuk bevat de volgende posten en onderverdelingen:
GN-code | Omschrijving |
|---|---|
2401 | Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak |
[…] | […] |
2403 | Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak; tabaksextracten en tabakssausen: |
- rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding: | |
[…] | […] |
2403 19 | - - andere: |
2403 19 10 | - - - in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 500 g |
2403 19 90 | - - - andere |
[…] | […] |
GN-toelichtingen
8
De toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (PB 2015, C 76, blz. 1), zoals gewijzigd (PB 2016, C 121, blz. 4) (hierna: ‘GN-toelichtingen’), meer bepaald de toelichtingen op hoofdstuk 24 van de GN, bepalen met betrekking tot de onderverdelingen 2403 19 10 en 2403 19 90 dat ‘[r]ooktabak […] gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak [is] die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt’.
9
Bijlage A bij hoofdstuk 24 van de GN-toelichtingen, met als opschrift ‘Rooktest voor tabak en tabaksproducten’, bepaalt in het onderdeel ‘Doel’:
‘De rooktest heeft tot doel een geharmoniseerde methode vast te stellen om onderscheid te maken tussen rooktabak (tabak die klaar is om te worden gerookt zonder verdere verwerking) van post 2403 en ruwe en niet tot verbruik bereide tabak van post 2401. Om een onderscheid te maken tussen rooktabak van post 2403 en ruwe en niet tot verbruik bereide tabak van post 2401, wordt een rooktest uitgevoerd. […]’
10
Bijlage A bij hoofdstuk 24 van de GN-toelichtingen bepaalt in het onderdeel ‘Bereiding van het monster’:
‘Het monster wordt grondig gemengd en indien nodig in delen verdeeld door het te kwarteren. Als het monster te droog is (vochtgehalte is minder dan 8 gewichtspercenten), moet het monster ten minste 48 uur worden geconditioneerd (bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en een luchtvochtigheidsgraad van 60 ± 3 %).
Het monster mag op geen enkele manier worden versneden, gebroken, fijngemaakt, gemalen of op andere wijze worden gesplitst.’
Litouws recht
Litouws wetboek van strafrecht
11
De Lietuvos Respublikos baudžiamasis kodeksas (Litouws wetboek van strafrecht) van 26 september 2000 (Žin., 2000, nr. 89–2741), zoals gewijzigd, bevat artikel 1992, met als opschrift ‘Onrechtmatig voorhanden hebben van accijnsgoederen’, dat in lid 1 bepaalt:
‘Eenieder die in strijd met de voorgeschreven procedure accijnsgoederen met een waarde van meer dan 150 maal het [bestaansminimum] maar niet meer dan 400 maal het [bestaansminimum] verkrijgt, voorhanden heeft, vervoert, verzendt, verbruikt of verkoopt, wordt gestraft met een geldboete of een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar.’
12
Artikel 202, lid 1, van het Litouwse wetboek van strafrecht, met als opschrift ‘Onrechtmatige uitoefening van een economische, commerciële, financiële of beroepsactiviteit’, luidt als volgt:
‘Eenieder die zonder de vereiste vergunning (toelating) of op enig andere onrechtmatige wijze beroepsmatig of op grote schaal een economische, commerciële, financiële of beroepsactiviteit ontplooit, wordt gestraft met een taakstraf, een geldboete, een vrijheidsstraf of een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar.’
Litouwse accijnswet
13
Volgens artikel 2, lid 1, van de Lietuvos Respublikos akcizų įstatymas Nr. IX-569 (Litouwse accijnswet nr. IX-569) van 30 oktober 2001 (Žin., 2001, nr. 98–3482), zoals gewijzigd, zijn tabaksfabricaten accijnsgoederen.
14
Volgens artikel 3, punt 9, van de Litouwse accijnswet omvat het begrip ‘tabaksfabricaten’ sigaretten, sigaren, cigarillo's en rooktabak. Voorts bepaalt artikel 3, punt 27 (1), van deze wet dat onder ‘rooktabak’ wordt verstaan tabak die is gescheurd, gesneden of op andere wijze is versnipperd, gesponnen of tot flakes (blokjes) is geperst en die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt.
15
Artikel 3, punt 38, van de Litouwse accijnswet bepaalt:
‘In deze wet en de bijlagen daarbij worden de goederencodes vermeld overeenkomstig de versie van de GN van het lopende jaar zoals genoemd in de relevante richtlijn van de Raad tot vaststelling van de belasting op de betrokken goederen.’
Litouwse wet inzake het toezicht op tabak, tabaksproducten en aanverwante producten
16
Volgens artikel 2, punt 20, van de Lietuvos Respublikos tabako, tabako gaminių ir su jais susijusių gaminių kontrolės įstatymas Nr. I-1143 (Litouwse wet inzake het toezicht op tabak, tabaksproducten en aanverwante producten nr. I-1143) van 20 december 1995 (Žin., 1996, nr. 11–281), zoals gewijzigd, omvat het begrip ‘ruwe tabak’ hele of niet verder bewerkte tabaksbladeren en andere delen van tabak, met uitzondering van die welke overeenkomstig de Litouwse accijnswet als tabaksfabricaten worden beschouwd.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Tabako lapai en A.K., die worden vervolgd omdat zij zonder vergunning grote hoeveelheden aan accijns onderworpen tabaksfabricaten hebben vervaardigd en opgeslagen.
18
Tabako lapai was importeur en exporteur van tabaksgrondstoffen. Zij verwerkte de ingevoerde tabak gedeeltelijk door deze in essentie te scheuren, te splitsen en te bevochtigen, de versnipperde tabaksbladeren geheel of gedeeltelijk te strippen en de tabak te verpakken in plastic zakken van 20 kilogram. De tabak werd echter niet gesneden. Deze gedeeltelijk verwerkte tabak werd vervolgens naar andere lidstaten van de Europese Unie uitgevoerd.
19
Een douanelaboratorium kreeg de opdracht om na te gaan of de aldus behandelde tabak wel onbewerkte tabak was, die als zodanig niet onder de categorie accijnsgoederen viel. Daartoe heeft een specialist van het laboratorium een rooktest uitgevoerd, op grond waarvan hij heeft kunnen vaststellen dat de in het entrepot van Tabako lapai aangetroffen tabak voldeed aan de omschrijving van tabaksfabricaten en meer in het bijzonder aan die van rooktabak. Om dit te kunnen vaststellen moest deze specialist een monster van de betrokken tabak snijden, deze in een sigarettenhuls plaatsen en roken. Hij heeft dus na enkele eenvoudige voorbereidende handelingen, waarbij hij het monster met de hand sneed of splitste, kunnen aantonen dat deze tabak geschikt was om te worden gerookt.
20
Bij uitspraak van 28 maart 2024 heeft de Lietuvos apeliacinis teismas (rechter in tweede aanleg, Litouwen) Tabako lapai en A.K. schuldig bevonden aan de in artikel 1992, lid 1, en artikel 202, lid 1, van het Litouwse wetboek van strafrecht bedoelde strafbare feiten en hen respectievelijk veroordeeld tot de sanctie van liquidatie van de rechtspersoon en een geldboete. Tabako lapai en A.K. hebben tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen), de verwijzende rechter.
21
De verwijzende rechter is van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tabak voor de toepassing van de accijns onder het begrip ‘rooktabak’ kan vallen, aangezien de handeling die erin bestaat met het oog op de rooktest een tabakmonster te snijden geen ‘verdere industriële verwerking’ is in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 en de rechtspraak van het Hof. Hij merkt evenwel op dat deze tabak voor de toepassing van de douanerechten kan worden geacht niet geschikt te zijn om zonder ‘verdere industriële verwerking’ te worden gerookt, en als ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’ onder GN-post 2401 moet worden ingedeeld, aangezien deze handeling in strijd met de in de GN-toelichtingen vastgestelde voorwaarden voor rooktests de integriteit van het monster heeft aangetast.
22
Volgens de verwijzende rechter heeft de Uniewetgever er weliswaar voor gekozen om voor de definitie van producten geen rechtstreeks verband te leggen tussen de regelgeving inzake accijns en de regelgeving inzake douanerechten, maar bestaat er redelijke twijfel over de rechtvaardiging van een situatie waarin dezelfde tabak door deze twee regelgevingen verschillend wordt behandeld, zowel wat betreft de mogelijkheid om zonder ‘verdere industriële verwerking’ te worden gerookt als wat betreft de kwalificatie ervan als ‘rooktabak’.
23
De verwijzende rechter vraagt zich af of het enkele feit dat richtlijn 2011/64 niet rechtstreeks naar de GN-toelichtingen verwijst, in deze context kan rechtvaardigen dat bij de omschrijving van ‘tabaksfabricaten’ in de zin van deze richtlijn geen toepassing wordt gemaakt van deze toelichtingen. Hij vraagt zich ook af of de Unieregeling op grond waarvan voor roken bestemde tabak voor de toepassing van de douanerechten en de accijns in identieke bewoordingen wordt omschreven en gedefinieerd, maar verschillend kan worden behandeld naargelang van de methode die voor de in de GN-toelichtingen vastgestelde rooktest wordt gevolgd, voldoet aan de vereisten van het algemene rechtszekerheidsbeginsel. Hij vraagt zich in het bijzonder af of de belanghebbenden op basis van deze regeling redelijkerwijs kunnen voorspellen of de wijze waarop zij met accijnsgoederen omgaan kan leiden tot strafrechtelijke of een gelijkwaardige aansprakelijkheid.
24
Tegen deze achtergrond heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Mag de rechter zich bij de beoordeling of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tabak ‘rooktabak’ is in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 en bij de toepassing van de definitie in deze bepaling en van de rechtspraak van het Hof ter zake ook baseren op de bepalingen van verordening nr. 2658/87 inzake de indeling van deze tabak en op de [GN-toelichtingen]?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
- a)
Moet artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 aldus worden uitgelegd dat tabak als ‘rooktabak’ moet worden aangemerkt, ook al is hij ingedeeld onder [GN-post 2403] (tabaksfabricaten) […] in de zin van uitvoeringsverordening [2017/1925] zonder dat is voldaan aan de voorwaarden voor de rooktest als beschreven in de bijlage bij de [GN-toelichtingen], zoals in het onderhavige geval? b) Hoe moet [GN-post 2401] (ruwe en niet tot verbruik bereide tabak) worden uitgelegd voor de indeling van tabak overeenkomstig [uitvoeringsverordening] 2017/1925 wanneer het resultaat van een volgens de [GN-toelichtingen] uitgevoerde rooktest negatief is, maar deze tabak wordt beschouwd als verwerkte tabak in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64?’
- 3)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, staan het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het in artikel 49, lid 1, van het [Handvest] verankerde legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dan in de weg aan een wettelijke regeling waarbij rooktabak in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 en in de [GN] in wezen op dezelfde wijze wordt gedefinieerd maar verschillend wordt ingedeeld?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
25
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of bij de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 moet worden uitgegaan van de posten van de GN en de GN-toelichtingen.
26
Volgens de rechtspraak van het Hof strekt richtlijn 2011/64 blijkens artikel 1 ervan ertoe de algemene beginselen vast te stellen voor de harmonisatie van de structuur en de tarieven van de accijns die de lidstaten op tabaksfabricaten heffen. Deze richtlijn maakt dus deel uit van de Uniewetgeving betreffende de belasting van tabaksproducten. Volgens overweging 2 van deze richtlijn dient die wetgeving te zorgen voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van gezondheidsbescherming (arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 17).
27
Voorts volgt uit overweging 3 van richtlijn 2011/64 dat deze richtlijn beoogt te waarborgen dat de belasting die in de lidstaten op het verbruik van producten van de sector tabaksfabricaten wordt geheven zodanig wordt toegepast dat de mededingingsvoorwaarden niet worden vervalst en het vrije verkeer van deze producten binnen de Unie niet wordt belemmerd. Meer in het bijzonder wordt in overweging 8 van deze richtlijn in essentie uiteengezet dat producten die in veel opzichten lijken op onder die richtlijn vallende producten als zodanig moeten worden beschouwd, terwijl volgens overweging 9 van die richtlijn de harmonisatie van de structuren van de accijns tot gevolg moet hebben dat de concurrentieverhoudingen tussen de verschillende categorieën tot dezelfde groep behorende tabaksfabricaten niet worden vervalst door de invloed van de belastingheffing en dat zodoende de openstelling van de nationale markten van de lidstaten wordt verwezenlijkt (arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 18).
28
Ook zij eraan herinnerd dat het begrip ‘rooktabak’, gelet op de doelstellingen van richtlijn 2011/64, bij de uitlegging van deze richtlijn niet restrictief mag worden uitgelegd (arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 24).
29
Onder het in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 gebruikte begrip ‘industriële verwerking’ wordt gewoonlijk de verwerking, doorgaans op grote schaal en volgens een standaardprocedure, van grondstoffen naar materiële goederen bedoeld (zie in die zin arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 30).
30
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat eenvoudige handelingen waarmee een niet-afgewerkt tabaksproduct geschikt wordt gemaakt om te worden gerookt, zoals de handeling die erin bestaat eenvoudigweg een tabaksrolletje in een sigarettenhuls te schuiven, geen ‘industriële verwerking’ vormen (zie in die zin arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Bijgevolg moet worden aangenomen dat een tabaksfabricaat dat klaar is om te worden gerookt of eenvoudig met niet-industriële middelen gebruiksklaar kan worden gemaakt, geschikt is om zonder verdere ‘industriële verwerking’ te worden gerookt in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 (arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 32).
32
Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of een tabaksproduct als aan de orde in het hoofdgeding aan dit criterium voldoet en dus kan worden aangemerkt als ‘rooktabak’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64.
33
Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de GN-toelichtingen, anders dan richtlijn 2011/64, een rooktest vereisen teneinde vast te stellen of een bepaald product onder de categorie ‘ruwe tabak’ of ‘rooktabak’ valt, dat het tabakmonster, om aan de voorwaarden van deze test te voldoen, op geen enkele manier mag worden versneden, gebroken, fijngemaakt, gemalen of op andere wijze mag worden gesplitst, en dat in het onderhavige geval de persoon die de rooktest heeft uitgevoerd een monster van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tabak met de hand heeft gesneden alvorens deze te testen.
34
In dit verband moet worden opgemerkt dat de functie en het doel van de posten van de GN verschillen van die van richtlijn 2011/64.
35
De GN is namelijk bij verordening nr. 2658/87 ingevoerd ten behoeve van zowel het gemeenschappelijk douanetarief als de statistieken van de buitenlandse handel van de Unie. Richtlijn 2011/64 dient dan weer te zorgen voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van gezondheidsbescherming. Zoals blijkt uit de hierboven in punt 28 aangehaalde rechtspraak verzet deze doelstelling zich met name tegen een restrictieve uitlegging van het begrip ‘rooktabak’ in de zin van deze richtlijn. Richtlijn 2011/64 en de GN vormen dus twee verschillende regelgevingskaders, die verschillend kunnen worden uitgelegd.
36
Wanneer de indeling als bedoeld in richtlijn 2011/64 afwijkt van die welke voortvloeit uit de GN en de toelichtingen daarop, kan de indeling van producten in de categorie rooktabak in de zin van richtlijn 2011/64 niet op basis van de GN-toelichtingen in twijfel worden getrokken. Deze toelichtingen kunnen namelijk geen gevolgen hebben voor de definitie van rooktabak in de zin van richtlijn 2011/64. In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2011/64 — anders dan andere richtlijnen betreffende bepaalde accijnsgoederen, zoals richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51) — niet verwijst naar de GN-codes om tabaksfabricaten die binnen haar werkingssfeer vallen te definiëren (zie in die zin arrest van 11 april 2019, Skonis ir kvapas, C-638/17, EU:C:2019:316, punten 45 en 46).
37
Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 aldus moet worden uitgelegd dat niet van de posten van de GN en de GN-toelichtingen hoeft te worden uitgegaan om een product als ‘rooktabak’ in de zin van deze bepaling aan te merken.
Tweede vraag
38
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
39
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2011/64, uitvoeringsverordening 2017/1925 en de GN-toelichtingen, voor zover daarin de categorie ‘rooktabak’ voor de toepassing van de douanerechten en de accijns in identieke bewoordingen wordt omschreven en gedefinieerd, maar hetzelfde product bij de beoordeling van de vraag of het in die categorie kan worden ingedeeld, verschillend kan worden behandeld naargelang van de methode die voor de in de GN-toelichtingen vastgestelde rooktest wordt gevolgd, geldig zijn in het licht van het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het met name in artikel 49, lid 1, van het Handvest verankerde legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, rekening houdend met het feit dat richtlijn 2011/64 in wezen referentiewetgeving vormt waarmee het voorwerp van de in de nationale wetgeving bedoelde strafbare feiten wordt gedefinieerd.
40
Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter de derde vraag heeft gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord. In dit verband volgt uit het antwoord op die vraag, zoals blijkt uit de punten 26 tot en met 32 hierboven, dat een product als aan de orde in het hoofdgeding als ‘rooktabak’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 aan accijns onderworpen is, dit onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter. Dit is ook het geval wanneer dit product niet kan worden aangemerkt als ‘rooktabak’ in de zin van uitvoeringsverordening 2017/1925 en de GN-toelichtingen omdat het niet voldoet aan de voorwaarden waaronder de in die toelichtingen beschreven rooktest dient te worden uitgevoerd.
41
In deze omstandigheden vraagt de verwijzende rechter of dit verschil in kwalificatie van een en hetzelfde product in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.
42
Volgens vaste rechtspraak vereist het rechtszekerheidsbeginsel met name dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen (zie in die zin arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C-72/24 en C-73/24, EU:C:2026:51, punt 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Voorts vereist artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daaraan hebben gegeven, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld [zie in die zin arrest van 9 september 2021, Ministère public (Extraterritoriale sancties), C-906/19, EU:C:2021:715, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44
De omstandigheid dat een regeling verwijst naar ruime begrippen die geleidelijk moeten worden verduidelijkt, staat er in beginsel niet aan in de weg dat die regeling wordt geacht duidelijke en nauwkeurige regels vast te stellen aan de hand waarvan justitiabelen kunnen voorspellen welk handelen of nalaten het voorwerp kan zijn van strafrechtelijke sancties. In dat verband is het van belang te weten of eventuele dubbelzinnigheid of vaagheid in die begrippen kan worden weggenomen middels de gebruikelijke methoden van wetsuitlegging (zie arrest van 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C-623/22, EU:C:2024:639, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Ten slotte heeft het Hof benadrukt dat de vereiste mate van voorspelbaarheid grotendeels afhankelijk is van de inhoud van de betrokken bepaling, de door die bepaling bestreken materie en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan. De voorspelbaarheid van de wet sluit niet uit dat de betrokkene genoopt is deskundig advies in te winnen om, in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te beoordelen. Dit geldt met name voor beroepsbeoefenaren, die gewoon zijn om bij de uitoefening van hun beroep grote voorzichtigheid aan de dag te leggen. Van hen mag dus worden verwacht dat zij grote zorg besteden aan de beoordeling van de aan een dergelijke activiteit verbonden risico's (zie arrest van 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C-623/22, EU:C:2024:639, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Zoals blijkt uit de punten 34 tot en met 36 hierboven konden de betrokkenen in het onderhavige geval op basis van de methoden voor de uitlegging van het Unierecht voorzien dat een product als dat in het hoofdgeding kan worden ingedeeld in de categorie ‘rooktabak’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64, ook al wordt het niet aangemerkt als ‘rooktabak’ in de zin van uitvoeringsverordening 2017/1925 en de GN-toelichtingen. Uit de teleologische uitlegging van deze twee regelgevingskaders, die niet strafrechtelijk van aard zijn, is immers gebleken dat zij verschillende doelstellingen hebben. De GN is ingesteld ten behoeve van zowel het gemeenschappelijke douanetarief als de statistieken van de buitenlandse handel van de Unie (zie in die zin arrest van 12 december 2013, HARK, C-450/12, EU:C:2013:824, punt 10). Richtlijn 2011/64 dient te zorgen voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van gezondheidsbescherming (arrest van 6 april 2017, Eko-Tabak, C-638/15, EU:C:2017:277, punt 17). Voorts kan uit de letterlijke uitlegging niet worden afgeleid dat uitvoeringsverordening 2017/1925 en de GN-toelichtingen bedoeld zijn om de indeling van producten in de categorie ‘rooktabak’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 vast te stellen, aangezien richtlijn 2011/64 niet rechtstreeks naar de GN-codes verwijst om tabaksfabricaten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen te definiëren.
47
Deze conclusie vindt steun in het arrest van 11 april 2019, Skonis ir kvapas (C-638/17, EU:C:2019:316, punten 45 en 46), waaruit blijkt dat de GN-toelichtingen geen gevolgen kunnen hebben voor de definitie van sigaren of cigarillo's in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/64.
48
Gelet op de hierboven in de punten 44 en 45 aangehaalde rechtspraak kan niet worden geoordeeld dat het feit dat de definities van ‘rooktabak’ in richtlijn 2011/64 en de GN verschillend zijn, indruist tegen het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het in artikel 49, lid 1, van het Handvest verankerde legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.
49
Bijgevolg heeft de Uniewetgever zonder deze beginselen te schenden twee regelingen op verschillende gebieden met verschillende doelstellingen vastgesteld op grond waarvan een en hetzelfde product naargelang van de toepasselijke regeling in verschillende categorieën kan worden ingedeeld.
50
Uit het voorgaande volgt dat uit het onderzoek van de aspecten waarop de derde vraag betrekking heeft, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 2011/64, uitvoeringsverordening 2017/1925 en de GN-toelichtingen kunnen aantasten in het licht van het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het in artikel 49, lid 1, van het Handvest verankerde legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.
Kosten
51
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten
moet aldus worden uitgelegd dat,
om een product als ‘rooktabak’ in de zin van deze bepaling aan te merken, niet hoeft te worden uitgegaan van de posten van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 254/2000 van de Raad van 31 januari 2000, in de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017, en van de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie.
- 2)
Uit het onderzoek van de aspecten waarop de derde vraag betrekking heeft, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 2011/64, uitvoeringsverordening 2017/1925 en de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie kunnen aantasten in het licht van het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.
Półtorak | Hesse | Steinfatt |
Petrlík | Dimitrakopoulos |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 april 2026.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑04‑2026