De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.5:II.5 Synthese
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.5
II.5 Synthese
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242819:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Reeds in maart 1623 trachtten ontevreden participanten van de VOC een bestuursmodel tot stand te brengen dat doet denken aan het monistische bestuursmodel. Succesvol was hun poging niet: bestuur en toezicht bleven gescheiden. Pas na de invoering van de Franse Code de Commerce in 1811 namen enkele Nederlandse vennootschappen de Franse gewoonte om het bestuursorgaan in te richten als een one tier board over.
In 1838 trad het Wetboek van Koophandel in werking. Hoewel het wetboek in sterke mate getekend was door de Code de Commerce, repte het met geen woord van een monistische bestuursstructuur. Het Wetboek van Koophandel van 1838 bood evenmin aanknopingspunten voor een taakverdeling tussen bestuurders. Ik betwijfel dan ook of vennootschappen destijds wel een monistische bestuursstructuur konden hebben.
Na de inwerkingtreding van het Wetboek van Koophandel van 1929 was zulks volgens mij wél mogelijk. Op grond van art. 47c (oud) WvK konden de taken namelijk zodanig worden verdeeld dat er niet alleen ‘klassieke’ bestuurders in het bestuur zetelden, maar ook bestuurders die zich focusten op het houden van toezicht. De wetswijziging van 1971 legde de mogelijkheid om het bestuur conform het monistische bestuursmodel in te richten voor structuurvennootschappen aan banden. Niet-structuurvennootschappen konden daarentegen wel voor het monistische bestuursmodel blijven opteren.
Met de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet SE zag de eerste wettelijke regeling inzake het monistische bestuursmodel het licht in Nederland. De Uitvoeringswet SE voorziet niet in een allesomvattende regeling. De minister was van oordeel dat Nederland reeds voldeed aan het in de SE-Vo gestelde vereiste dat lidstaten de oprichters van een SE de keuze bieden uit een monistische en dualistische bestuursstructuur.
Afdeling 2 en 3 van Titel III van de SE-Vo bevatten enkele minimumvoorschriften voor de inrichting van het monistische bestuursmodel. Aangelegenheden die niet in Afdeling 2 of 3 van Titel III van de SE-Vo zijn geregeld, worden krachtens art. 9 SE-Vo beheerst door het nationale recht van de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft.
Met de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013 kreeg het monistische bestuursmodel een wettelijke basis in Boek 2 BW. De wetgever beoogde met de wettelijke verankering van het monistische bestuursmodel de rechtszekerheid en de bruikbaarheid van de NV en de BV in nationale en internationale verhoudingen te vergroten. Met de Wet bestuur en toezicht trachtte hij uitdrukkelijk niet te breken met de oudvaderlandse traditie om bestuur en toezicht te scheiden. Hij beoogde slechts een alternatief te bieden voor het dualistische bestuursmodel. De minister benadrukte herhaaldelijk dat het in Nederland vigerende Rijnlandse model geldt, ongeacht of de vennootschap het monistische of dualistische bestuursmodel hanteert.
Uit het evaluatieonderzoek naar de werking van de Wet bestuur en toezicht in de praktijk blijkt dat wet in zijn algemeenheid aan haar doelen beantwoordt. Bovendien zijn er geen aanwijzingen te vinden voor de in de Eerste Kamer geuite zorgen dat in een one tier board geen evenwichtige belangenafweging kan plaatsvinden. De conclusie van de onderzoekers luidt dat de Wet bestuur en toezicht daadwerkelijk in een behoefte voorziet.
De Monitoring Commissie was van mening dat de Code uit 2008 – mede als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht – onvoldoende was toegeschreven op vennootschappen met een monistisch bestuursmodel. Zij wilde om die reden een aparte Code voor vennootschappen met een one tier board opstellen. De Monitoring Commissie kwam daar echter op terug. Zij constateerde dat de wijze waarop de taakverdeling in de praktijk plaatsvindt per vennootschap verschilt en op onderdelen nog onvoldoende uitgekristalliseerd is. De Code uit 2016 bevat derhalve slechts enkele specifieke voorschriften voor vennootschappen met een monistisch bestuursmodel.
In de nabije toekomst krijgt het monistische bestuursmodel meer vaste voet aan de grond. Het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen voorziet namelijk in een wettelijke grondslag voor de instelling van het monistische bestuursmodel bij stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Voor NV’s en BV’s brengt het wetsvoorstel nauwelijks wijzigingen met zich.