Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.1:3.1 Inleiding
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418079:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Inmiddels hebben HR 14 oktober 1987, BNB 1988/43 en BNB 1988/44, HR 1 maart 1995, BNB 1995/175 en HR 28 april 1999, BNB 1999/283, welke arresten worden besproken in hoofdstuk 8, laten zien dat de foutenleer ook in de sfeer van de oudedagsreserve kan worden toegepast.
MvT, Tweede Kamer, zitting 1958-1959 – 5380, nr. 3, blz. 19/20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De foutenleer is historisch gezien nauw verbonden met de sfeerwinst uit onderneming1. Met dit hoofdstuk wordt beoogd de voor het onderzoek naar de foutenleer noodzakelijke basis – en niet meer dan dat – te verschaffen op het punt van het fiscale winstbegrip en de fiscale winstberekening. Aangezien de foutenleer haar wortels heeft in onder de Wet IB 1914 gewezen jurisprudentie, wordt niet alleen aandacht besteed aan de systematiek onder de thans (nog) geldende Wet IB 1964, doch ook aan het fiscale winstbegrip en winstberekening onder oude wetgeving.
De problemen, die de belastbare winst voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting aangaan, concentreren zich in wezen op twee hoofdpunten. Het eerste betreft de inhoud van het winstbegrip in het algemeen, waarbij men voor de vraag wordt gesteld of een bepaald voor- of nadeel bestanddeel van de winst uit bedrijf of zelfstandig beroep is. Het antwoord op deze vraag beslist over de omvang van de totale winst van de onderneming, de winst die in haar geheel gedurende de bestaansduur van de onderneming of tijdens de belastingplichtigheid van de ondernemer wordt gemaakt. Het tweede punt is de vraag van de tijdsorde van de winstbestanddelen. De totale winst wordt immers, zowel commercieel als met het oog op de jaarlijkse belastingheffing, verdeeld in periodieke winstsegmenten, de jaarlijkse winsten. Bij deze verdeling staat men voor de vraag aan welk jaar een bepaald voor- of nadeel uit onderneming, indien eenmaal vaststaat dat het een winstbestanddeel vormt, moet worden toegerekend. Verschil in beantwoording van deze vraag leidt slechts tot een verschuiving in de tijd binnen de totale winst2.