Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.7.4
6.7.4 Onmogelijkheid om een bepaalde verplichting aan de eindontvanger van de Europese subsidie tegen te werpen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396056:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.
Soms is dat lastig vast te stellen. In de al besproken uitspraak BarcoNet (ABRvS 16 februari 2005, AB 2005, 362, m.nt. W. den Ouden) was in een brief van de Europese Commissie van 25 november 2002 de regel neergelegd dat de eindontvanger van de Europese subsidie in de desbetreffende regio gevestigd diende te blijven totdat de eindafrekening is ingediend. GS hanteerden deze brief als vaste beleidslijn bij de beoordeling van de aanvragen tot subsidievaststelling. In de uitspraak wordt geen aandacht besteed aan de vraag in hoeverre GS aan de Europese soft law in de vorm van de brief van de Commissie is gebonden. Dit is in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ook nog niet uitgekristalliseerd. Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.5.3.
HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden.
Zoals in paragraaf 5.6.7 is besproken blijkt uit r.o. 31 van het arrest dat de eindontvanger van de Europese subsidie de intrekking en terugvordering van de Europese subsidie desondanks alleen kan aanvechten, indien hij met betrekking tot de rechtmatigheid van het gebruik van de Europese subsidie te goeder trouw is. Het staat volgens het Hof van Justitie aan de nationale rechter om te onderzoeken of aan deze voorwaarde is voldaan. Voorts dient rekening te worden gehouden met het belang dat de EU heeft bij de terugvordering van de steun. Zie ook CBb 18 december 2007, LJN 13C2468 (Stichting ROM) waarin het College tot de conclusie komt dat Stichting ROM te goeder trouw was.
ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Pleno Herb II).
Dit bleek uit een eerdere uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs, JB 2006/155 (Flevo Herb I).
ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II), r.o. 2.6.2.
Zie punt 5 van de annotatie van Den Ouden bij ABRvS 10 februari 2010,AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II).
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.2.3.
Vergelijk HR 6juni 2008, AB 2008, 214, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, BNB 2008/202, m.nt. Sio en HR 10 augustus 2007, AB 2007, 291, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.
Zie wel ABRvS 27 september 1999, H01.98.2062 (Gebr. Van Lith) waarin het Nederlandse Besluit stimulering duurzame landbouwbedrijven (Stcrt. 1996, 57) conform werd geïnterpreteerd. In deze zaak ging het echter niet om een subsidieverplichting, maar om een voorwaarde om voor de Europese subsidie in aanmerking te komen.
In deze paragraaf wordt onderzocht wat de Nederlandse bestuursrechters te doen staat indien zij constateren dat een bepaling neergelegd in de Europese subsidieregelgeving op grond van het Europese noch nationale recht aan de eindontvanger van de Europese subsidie als subsidieverplichting kan worden tegengeworpen.
In de eerste plaats ontstaat het probleem dat Europeesrechtelijk bezien sprake is van een onregelmatigheid; op grond van de meeste Europese subsidieregelingen bestaat voor de lidstaat in dat geval de verplichting om tot terugvordering over te gaan.1 In de tweede plaats kan de lidstaat, wanneer de eindontvanger van de Europese subsidie de desbetreffende bepaling niet naleeft, niet aan zijn verplichtingen richting de Europese Commissie voldoen. In veel gevallen zal duidelijk zijn dat de lidstaat richting de Europese Commissie wel gehouden is om aan de desbetreffende Europese bepaling gevolg te geven.2 Het risico bestaat dat de subsidie niet door de EU zal worden vergoed, dan wel dat de Europese Commissie besluit Europese gelden terug te vorderen.
Voormelde situatie was onder meer aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het meermalen besproken arrest Stichting Rom.3In deze zaak ging het om een verplichting om ten aanzien van ontvangen Europese subsidies vèèr 31 december 1999 verplichtingen aan te gaan. Deze verplichting was alleen neergelegd in een Commissiebesluit, dat was gericht tot de lidstaat en niet was gepubliceerd. Voor Stichting ROM was deze verplichting derhalve niet kenbaar; zij kon dan ook niet aan Stichting ROM worden tegengeworpen.4
Over de vraag in hoeverre sprake is van een kenbare subsidieverplichting indien de verplichting is te vinden in een bepaling in een Europese subsidieverordening die is gericht tot de lidstaat, in een gepubliceerd Europees subsidiebesluit dan wel in Europese soft law, bestaat nog geen jurisprudentie van het Hof van Justitie. De visie in dezen van het Hof is lastig te voorspellen; één en ander is afhankelijk van de wijze waarop het arrest Stichting ROM moet worden geïnterpreteerd. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het criterium moet zijn dat de desbetreffende verplichting voor de eindontvanger van de Europese subsidie feitelijk kenbaar is. Dit zou betekenen dat subsidieverplichtingen neergelegd in bepalingen in Europese subsidieverordeningen die expliciet zijn gericht tot de lidstaat, gepubliceerde Europese soft law en gepubliceerde Europese besluiten die zijn geadresseerd aan de lidstaat rechtstreeks doorwerken in de nationale subsidieverhouding, ook als het nationaal uitvoeringsorgaan de desbetreffende verplichting niet heeft doorvertaald in de nationale subsidieregeling dan wel het subsidieverleningsbesluit. De principiële vraag in hoeverre Europese soft law en Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaten überhaupt juridisch betekenis kunnen hebben in een nationale subsidieverhouding raakt daarmee op de achtergrond. De consequentie hiervan zou zijn dat de eindontvanger van de Europese subsidie niet alleen de Europese verordeningen goed dient te bestuderen, maar ook alle andere gepubliceerde Europese documenten die op de aan hem verstrekte Europese subsidie van toepassing zijn. In het licht van het rechtszekerheidsbeginsel is een dergelijke uitleg van het arrest Stichting ROM niet te prefereren. Normen die zijn gericht tot de lidstaat zouden per definitie niet mogen worden aangemerkt als een subsidieverplichting voor de eindontvanger van de Europese subsidie.
Wanneer wordt ontdekt dat de opgelegde subsidieverplichtingen niet toereikend zijn, is het op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet mogelijk voor het subsidieverstrekkende bestuursorgaan om subsidieverplichtingen met terugwerkende kracht vast te stellen. Een eindontvanger van een Europese subsidie dient immers bij aanvang van het project te weten welke verplichtingen op hem rusten. Voor veel subsidieverplichtingen geldt dat het lastig is, zo niet onmogelijk, om daaraan achteraf nog te kunnen voldoen. Dat de Nederlandse bestuursrechter zich daarvan niet altijd rekenschap lijkt te geven, blijkt uit de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2010.5
In deze zaak was voor de verstrekking van Europese subsidies met terugwerkende kracht een wettelijke grondslag gecreëerd, omdat daarin ten onrechte niet was voorzien.6 In de uitspraak komt de vraag aan de orde in hoeverre het mogelijk is om in de subsidieregeling die als wettelijke grondslag dient, ook subsidieverplichtingen met terugwerkende kracht op te nemen. In de Verordening houdende regels omtrent het toekennen van bijdragen uit Europese Steunfondsen 1994-1999 was namelijk met terugwerkende kracht bepaald dat aanvragen tot subsidievaststelling zouden worden afgewezen, indien niet was voldaan aan de bepalingen van het OP, LEADER II en het jaarprogramma. In het OP en LEADER II was neergelegd dat facturen van na 31 december 2001 niet voor subsidie in aanmerking kwamen. De ABRvS komt tot de conclusie dat in dit geval geen sprake is van een benadeling van de subsidieontvangers.7 In de tussen de subsidieontvanger en GS van Flevoland gesloten beschikkingvervangende overeenkomst waarbij de subsidie was verleend, was deze norm al opgenomen. Sterker nog, volgens de overeenkomsten moesten de facturen voor 30 juni 2001 zijn betaald. Het was dus een bij de subsidieontvangers bekende subsidieverplichting. Den Ouden merkt in haar annotatie terecht op dat de ABRvS vaststelt dat de termijn was opgenomen in de subsidieovereenkomsten gesloten met twee van de vier subsidieontvangers.8 De ABRvS maakt in de uitspraak niet duidelijk hoe de verplichting voor de andere twee subsidieontvangers kenbaar had moeten zijn. Den Ouden noemt dit onbevredigend; naar mijn mening had de verplichting aan hen niet kunnen worden tegengeworpen.
In sommige gevallen zal het wel mogelijk zijn om de aan de eindontvanger van een Europese subsidie opgelegde subsidieverplichtingen Unieconform te interpreteren. Belangrijk is dat daarbij binnen de grenzen van Unieconforme interpretatie moet worden gebleven.9 Conforme interpretatie mag niet strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van terugwerkende kracht en het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel. Aan eindontvangers van Europese subsidies kunnen derhalve geen conform het Europese recht geïnterpreteerde subsidieverplichtingen worden tegengeworpen, die haaks staan op de aan hen oorspronkelijk opgelegde subsidieverplichtingen. Dit zou immers een interpretatie contra legem betekenen. Het is wel mogelijk dat een subsidieverplichting anders wordt geïnterpreteerd dan de bedoeling van de regelgever, mits geen strijd bestaat met de tekst van de verplichting.10 Over dit vraagstuk bestaat nog geen nationale jurisprudentie.11