NJB 2017/376
Huwelijksvermogen. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Bewijsvermoeden. HR: Art. 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk niet is voldaan aan een periodieke verrekenplicht, het vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Het hof heeft dit bewijsvermoeden miskend
HR 03-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:161
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
3 februari 2017
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek
- Zaaknummer
15/05587
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2017:161, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑02‑2017
ECLI:NL:PHR:2016:1233, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑12‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑10‑2015
- Wetingang
(art. 1:141 lid 1 en 3 BW)
Essentie
Huwelijksvermogen. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Bewijsvermoeden. HR: Art. 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk niet is voldaan aan een periodieke verrekenplicht, het vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Het hof heeft dit bewijsvermoeden miskend
Partij(en)
De man, adv. mrs. B.J. van Dorp en S. Kousedghi, vs. de vrouw, niet verschenen.
Uitspraak
Feiten en procesverloop
De man en de vrouw zijn in 1996 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.