Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.1.3
3.6.1.3 De gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen in de praktijk
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701875:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pas met de aanpassing van de WRO aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet van 28 februari 2002, Stb. 2002, 111) ging de beslissingsbevoegdheid over aanvragen omtrent (plan)schadevergoeding over van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders. Zie ook: Van Zundert, BR 2002, p. 485.
Er zijn geen gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen bekend waarin niet met deskundigenadvisering werd gewerkt. Zie: Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 20.
Uitgebreid over dit alles Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (III), p. 405-412.
Kruseman 1932, p. 136-153.
Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 58-63.
Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 77.
Meestel impliciet door aankoop of onteigening. Zie uitgebreid: Arnold, T.v.O. 1960, p. 454-456 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Vaak niet boven de ƒ 2.000, -.
Polak, NJB 1961, p. 443; Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (III), p. 313-314; Van der Schaaf 1971, p. 132-133; Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 59.
Stb. 1964, 344.
De procedure van de schadevergoedingsverordeningen was als volgt. Een burger die meende dat hij door een stedenbouwkundige maatregel schade had geleden, kon zich tot de gemeenteraad wenden met het verzoek die schade te laten vaststellen. 1De gemeenteraad startte dan een provisorisch onderzoek. Kwam de raad op basis van dit onderzoek reeds tot de overtuiging dat er geen schade was geleden of dat de geleden schade geen vergoeding rechtvaardigde, dan werd het verzoek terstond afgewezen. Tegen een dergelijke afwijzing stond voor de belanghebbende dan beroep open bij Gedeputeerde Staten. Indien de raad echter op basis van het provisorisch onderzoek meende dat er wel voor vergoeding in aanmerking komende schade kon zijn, werd nader onderzoek bevolen. De raad kwam daarna tot een beslissing. Ook daartegen stond weer beroep open bij Gedeputeerde Staten.
In de procedure speelde de advisering door deskundigen een belangrijke rol. 2Immers, op het moment dat de gemeenteraad een verzoek om schadevergoeding binnenkreeg, werd het provisorisch onderzoek niet verricht door de gemeenteraad zelf, maar door een commissie van deskundigen. Ook het (eventuele) daaropvolgende definitieve onderzoek werd door een deskundigencommissie verricht. De samenstelling en benoeming van de commissie was niet steeds in iedere gemeente hetzelfde. Grofweg waren er twee categorieën aan te duiden. De eerste categorie was de ‘ad hoc commissie’. Daarvoor gold dat één lid door de belanghebbende werd benoemd, één lid door de gemeenteraad en het derde lid door de reeds benoemde leden gezamenlijk. Indien de twee reeds benoemde commissieleden het niet eens konden worden over het derde lid, diende een onpartijdige derde (bijvoorbeeld de kantonrechter of de president van de rechtbank) de knoop door te hakken. De tweede categorie was de ‘permanente commissie’. In de permanente commissie benoemde de gemeenteraad vaste leden voor een vaste periode. De meeste gemeenten kozen voor de tweede categorie.3
De taak van de commissie was om op basis van enkele summiere schadebegrotingsregels, de schadevergoedingsverordeningen waren grotendeels procedureel, de eventuele schade te begroten. In vrijwel alle verordeningen kwam een algemene omschrijving van het begrip schade voor. Wat daaronder werd verstaan, verschilde per gemeente. In de ene gemeente kwam inkomensschade bijvoorbeeld niet voor vergoeding in aanmerking, terwijl in andere gemeenten volledige schadeloosstellingen werden toegekend. Voor een overzicht van praktijkvoorbeelden verwijs ik naar Kruseman4 en naar het rapport van de Commissie inzake schadevergoedingsverordeningen.5
Gesteld kan wel worden dat de deskundigenpraktijk binnen het ruimtelijk ordeningsrecht is ontstaan binnen de gemeentelijke schadevergoedingspraktijk. Die praktijk is op zijn beurt weer ontstaan vanwege het uitblijven van een wettelijke schadevergoedingsbepaling in de opvolgende Woningwetten. Of, en in hoeverre, de deskundigenpraktijk is ‘afgekeken’ van de onteigeningsprocedure, heb ik niet eenduidig uit de literatuur kunnen opmaken. In ieder geval is duidelijk dat de leerstukken elkaar over en weer sterk hebben beïnvloed. Daarnaast kwamen de gehanteerde rekenmethodes ook toen al overeen. Ik acht het derhalve zeer waarschijnlijk dat er een zekere doorwerking vanuit het onteigeningsrecht heeft plaatsgevonden. Niet voor niets bestond de gemeentelijke deskundigencommissie meestal ook uit drie personen en werd door de Commissie inzake schadevergoedingsverordeningen voorgesteld om de voorzitter van die commissie steeds een jurist te laten zijn. 6Het zijn onmiskenbaar elementen uit de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht.
Op basis van het voorgaande kan het beeld ontstaan dat de gemeentelijke verordeningen tot grootse praktische resultaten leidden. Dat was echter maar in beperkte mate het geval. Er werden in die tijd meer vergoedingen betaald buiten de schadevergoedingsverordening om dan met toepassing daarvan. Dat komt doordat een gemeente en een aanvrager elkaar vaak minnelijk vonden. 7Als er op grond van de verordeningen al een vergoeding werd toegekend, was deze over het algemeen laag.8 Het overgrote deel van de verordeningen is dan ook nooit toegepast.9 Bij de Overgangswet Ruimtelijke Ordening (art. 10 lid 2) 10werd uiteindelijk bepaald dat de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen nog vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) van toepassing bleven op ‘oude’ stedenbouwkundige maatregelen. Per 1 augustus 1970 kwam er dus een definitief einde aan het tijdperk van de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen op grond van de Woningwet. Qua daadwerkelijk uitgekeerde vergoedingen mogen zij dan weinig hebben betekend, maar zij hebben wel de toon gezet voor deskundigenadvisering op het gebied van de ruimtelijke ordening.