Ter voldoening aan het bepaalde uit artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Zeeland-West-Brabant, 21-01-2026, nr. BRE - 22/1764, 22/2096, 22/5536 en 23/1899 tot en met 23/1903
ECLI:NL:RBZWB:2026:224
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
21-01-2026
- Zaaknummer
BRE - 22/1764, 22/2096, 22/5536 en 23/1899 tot en met 23/1903
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:224, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21‑01‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026012808
FutD 2026-0193
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/139
Uitspraak 21‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 t/m 2018, omkering en verzwaring bewijslast, redelijke schatting, belastingkorting, boetes, ISV
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/1764, 22/2096, 22/5536 en 23/1899 tot en met 23/1903
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 maart 2022, 31 oktober 2022, 16 maart 2023, 24 februari 2023 en 23 maart 2023.
1.1.
De inspecteur heeft voor de jaren 2013 tot en met 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd. Voor het jaar 2016 heeft de inspecteur een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 boetes aan belanghebbende opgelegd (de boetebeschikkingen) en belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen). Verder heeft de inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 (impliciet) een verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld (de verliesvaststellingsbeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
Zaaknr. | Jaar | Soort | Dagtekening | Aanslagnummer | Belasting | Boete | Rente | Verlies |
23/1899 | 2013 | IB/PVV | 06-01-2018 | [BSN] .H.36.01 | € 129.478 | € 64.799 | € 19.171 | - |
23/1900 | 2014 | IB/PVV | 04-10-2018 | [BSN] .H.46.01 | € 100.747 | € 50.510 | € 13.637 | - |
23/1901 | 2015 | IB/PVV | 15-03-2019 | [BSN] .H.56.01 | € 213.248 | € 72.626 | € 23.831 | € 34.200 |
23/1902 | 2016 | IB/PVV | 11-10-2019 | [BSN] .H.66.01 | € 125.842 | € 62.393 | € 2.648 | € 0 |
23/1903 | 2016 | Zvw | 11-10-2019 | [BSN] .W.66.01.4 | € 300 | - | € 6 | - |
22/1764 | 2017 | IB/PVV | 17-12-2020 | [BSN] .H.76.01 | € 68.978 | - | - | - |
22/2096 | 2017 | Zvw | 17-12-2020 | [BSN] .W.76.01.4 | € 2.899 | - | - | - |
22/5536 | 2018 | IB/PVV | 21-01-2021 | [BSN] .H.86.01 | € 82.625 | - | - | - |
1.2.
Verder gaat de rechtbank ervan uit (zie 7.1 en 7.3) dat de inspecteur bij de aanslag IB/PVV 2017 respectievelijk bij de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 (impliciete) afwijzende beschikkingen op basis van artikel 4.53, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft genomen (de beschikkingen belastingkorting).
1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard. Ook heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag Zvw 2016 en de (impliciete) verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018, de beschikking belastingkorting 2017 (zie 7.1) en de verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015 ongegrond verklaard. Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
Zaaknr. | Jaar | Soort | Aanslagnummer | Belasting | Boete | Rente | Verlies |
23/1899 | 2013 | IB/PVV | [BSN] .H.36.01 | € 82.899 | € 51.839 | € 12.406 | |
23/1900 | 2014 | IB/PVV | [BSN] .H.46.01 | € 95.362 | € 40.208 | € 12.910 | |
23/1901 | 2015 | IB/PVV | [BSN] .H.56.01 | € 205.980 | € 58.100 | € 23.010 | € 34.200 |
23/1902 | 2016 | IB/PVV | [BSN] .H.66.01 | € 125.402 | € 49.914 | € 2.638 | € 1.100 |
23/1903 | 2016 | Zvw | [BSN] .W.66.01.4 | € 0 | - | € 0 | |
22/1764 | 2017 | IB/PVV | [BSN] .H.76.01 | € 68.978 | - | - | |
22/2096 | 2017 | Zvw | [BSN] .W.76.01.4 | € 2.899 | - | - | - |
22/5536 | 2018 | IB/PVV | [BSN] .H.86.01 | € 82.625 | - | - |
1.4.
De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van belanghebbende met nummers 24/7689, 24/7690, 24/7701, 24/7702, 24/5730, 24/5731, 25/1402 en 25/1403, en de zaken van [persoon 1] , de echtgenote van belanghebbende, met nummers 23/11555 tot en met 23/11558 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden.
1.5.
Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. Belanghebbende is voor de onderhavige zaken door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 11 augustus 2025, op het door hem opgegeven adres, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op zitting te verschijnen. De aangetekend verzonden uitnodiging is op 2 september 2025 bij de griffie van de rechtbank retour gekomen. De griffie heeft het opgegeven adres van belanghebbende gecontroleerd in de Basisregistratie Personen en zij heeft geconstateerd dat belanghebbende nog steeds op het opgegeven adres staat ingeschreven. De uitnodiging is daarom opnieuw per gewone post naar hetzelfde adres gestuurd.1.De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 4.1) af dat belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat hij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2018 en de boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank of de verliesvaststellingsbeschikkingen en de beschikkingen belastingkorting op de juiste bedragen zijn vastgesteld. De aanslag Zvw 2016 is als zodanig niet in geschil (zie 4.7). De rechtbank beoordeelt de geschilpunten aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 tijdig aan belanghebbende opgelegd. De aanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen zijn niet te hoog vastgesteld. De aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen zijn wel te hoog vastgesteld en moeten worden verminderd. Verder moeten alle boetebeschikkingen worden verminderd in verband met undue delay. Voor het jaar 2017 kan belanghebbende geen aanspraak maken op omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting. Voor het jaar 2018 maakt belanghebbende gedeeltelijk wel aanspraak op omzetting van een verlies in een belastingkorting. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1967 en is sinds 13 juli 1998 in gemeenschap van goederen gehuwd met [persoon 1] .
3.1.
Belanghebbende verricht werkzaamheden als IT-consultant, met als specialisatie het managen van implementatietrajecten op het gebied van SAP-software.
[bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV
3.2.
[bedrijf 1] BV is op 14 juni 2000 opgericht. Sinds de oprichting is belanghebbende enig bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap. [bedrijf 1] BV hield onder meer een belang in [bedrijf 3] BV, die op haar beurt de aandelen hield van [bedrijf 2] BV. [bedrijf 2] BV is mede opgericht door belanghebbende en actief in de IT-consultancy markt.
3.3.
Belanghebbende was via [bedrijf 1] BV ook werkzaam als operationeel directeur van [bedrijf 4] BV.
3.4.
Belanghebbende heeft zich op 12 mei 2009 ten behoeve van ABN AMRO Bank NV borg gesteld voor onder andere [bedrijf 2] BV, [bedrijf 3] BV, [bedrijf 5] BV en [bedrijf 6] BV voor een bedrag van € 125.000. Belanghebbende heeft zich in een kredietovereenkomst van 26 oktober 2009 aanvullend borg gesteld voor een bedrag van € 125.000.
3.5.
Belanghebbende is in 2010 door Deutsche Bank, die een deel van de activiteiten van ABN AMRO heeft overgenomen, in privé als borg aangesproken voor een bedrag van € 250.000 te verhogen met rente en kosten.
3.6.
In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 heeft belanghebbende een negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen aangegeven van € 24.795.
3.7.
Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 15 februari 2013 verzocht om de aanslag IB/PVV 2010 ambtshalve te verminderen in verband met een verlies uit ter beschikking gesteld vermogen van € 250.000 (het borgstellingsverlies). De inspecteur heeft het verzoek bij beschikking van 30 maart 2016 afgewezen. In de afwijzende beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“Gezien de termijn wat het verzoek u binnen is, heb ik daarom besloten over te gaan tot het niet verder corresponderen over de materie. Ik wil u echter wel toezeggen dat wanneer u denkt toch te kunnen doen blijken dat er ten tijde van de borgstelling zakelijk gehandeld is, ik een hernieuwd verzoek tot herziening, ook al is de termijn van vijf jaar voor het ambtshalve herzien van de aanslag 2010 verstreken, wanneer u het rechtstreeks bij mij indient in behandeling zal nemen als ware het een tijdig ingediend.”
3.8.
De inspecteur heeft in een e-mail van 1 april 2016 – voor zover hier van belang – het volgende aan belanghebbende bericht over het borgstellingsverlies:
“Consequentie van de beoordeling dat er geen sprake is van TBS-verlies is dat het betaalde bedrag het door u voor de aandelen opgeofferde bedrag met € 250.000 toeneemt. Ik weet niet precies of u nog (middelijke) belangen in [bedrijf 2] heeft of dat deze door wat voor omstandigheden ook te niet gegaan zijn.
Als u van mening bent dat u overtuigend kunt doen blijken dat de borgstelling zakelijk was, dan ontvang ik de uitleg daarvoor graag per omgaande. Indien u daar niet in slaagt, dan kunt u me laten weten of u - in verband met toekomstige behandeling - een nadere verklaring van mij wenst te ontvangen waarbij de Belastingdienst u te kennen geeft dat het opgeofferde bedrag voor uw belang in [bedrijf 2] u € 250.000 meer gekost heeft dan u er oorspronkelijk voor betaald heeft. U kunt daar echter ook dit bericht voor gebruiken.”
3.9.
De inspecteur heeft in een e-mail van 15 juli 2016 – voor zover hier van belang – het volgende aan belanghebbende bericht over het borgstellingsverlies:
“In nagenoeg alle gevallen blijkt ons dat borgstellingen worden aangegaan onder onzakelijke omstandigheden, dergelijke afspraken zouden naar onze mening tussen willekeurige derden nooit afgesproken zouden worden. De jurisprudentie steunt ons daar in. Omdat bij "eigen BV's" de directeur-aandeelhouder zich door de financiers voor het blok gezet vindt mee te moeten tekenen, komt de zakelijkheid van de transactie in het gedrang. Voor zover mijn collega en ik dat aan de hand van uw informatie terug lazen zouden we dat standpunt ook in uw dossier innemen: er is geen ruimte voor aftrek van het wegens borgstelling betaalde bedrag als negatief resultaat uit TBS in box 1, het bedrag wat is betaald wegens borgstelling verhoogd wel het voor de aandelen opgeofferde bedrag (informeel kapitaal) in box 2 wanneer er beëindiging van het aanmerkelijk belang op treed (vervreemding, liquidatie, faillissement).”
3.10.
Belanghebbende heeft in eigen beheer een pensioenvoorziening opgebouwd. De pensioenvoorziening staat ultimo 2013 op de balans van [bedrijf 1] BV voor een bedrag van € 126.637. Dit is de laatst bekende (fiscale) waarde van de pensioenvoorziening.
3.11.
Belanghebbende heeft zijn aandelen in [bedrijf 1] BV op 4 september 2015 verkocht aan de Luxemburgse vennootschap [luxemburgse vennootschap] SA. Daarbij heeft belanghebbende afstand gedaan van zijn pensioenaanspraken.
[bedrijf 7] BV
3.12.
[bedrijf 7] BV ( [bedrijf 7] ) is opgericht op 17 juni 2010. Sinds de oprichting houdt [persoon 1] alle aandelen in de vennootschap en is belanghebbende enig bestuurder van de vennootschap.
3.13.
[bedrijf 7] hield vanaf 30 maart 2011 een belang van 50% in [bedrijf 8] BV. [bedrijf 7] heeft dit belang omstreeks 26 juli 2013 overgedragen aan [bedrijf 1] BV. Vanuit [bedrijf 8] BV verrichte belanghebbende werkzaamheden voor derden.
3.14.
[bedrijf 9] BV hield ook een belang van 50% in [bedrijf 8] BV. Op 11 november 2013 hebben [bedrijf 7] , [bedrijf 1] BV en [bedrijf 9] BV een vaststellingsovereenkomst gesloten over de beëindiging van hun samenwerking via [bedrijf 8] BV.
3.15.
[bedrijf 7] hield van 17 juni 2010 tot 23 april 2013 een belang van 33,33% in [bedrijf 10] BV ( [bedrijf 10] ). Op 23 april 2013 heeft [bedrijf 7] alle aandelen in [bedrijf 10] verworven. Vanuit [bedrijf 10] heeft belanghebbende werkzaamheden voor derden verricht.
3.16.
[bedrijf 7] heeft voor managementdiensten facturen uitgereikt aan [bedrijf 8] BV en [bedrijf 10] . [bedrijf 1] BV heeft voor managementdiensten ook facturen uitgereikt aan [bedrijf 8] BV.
3.17.
[persoon 1] heeft haar aandelen in [bedrijf 7] op 4 september 2015 verkocht aan de Luxemburgse vennootschap [luxemburgse vennootschap] SA. Op 19 juli 2017 is [bedrijf 7] ontbonden door een beschikking daartoe van de Kamer van Koophandel.
[bedrijf 11] BV en [bedrijf 12] BV
3.18.
Op 9 september 2015 zijn [bedrijf 11] BV en [bedrijf 12] BV opgericht. Belanghebbende en [persoon 1] houden ieder de helft van de aandelen in [bedrijf 11] BV en belanghebbende is de enig bestuurder van [bedrijf 11] BV. [bedrijf 11] BV houdt op haar beurt alle aandelen in [bedrijf 12] BV.
3.19.
Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden als operationeel directeur voor [bedrijf 4] BV voortgezet via [bedrijf 12] BV.
3.20.
[bedrijf 11] BV heeft geen facturen uitgereikt aan [bedrijf 12] BV voor managementdiensten.
3.21.
Bij notariële vaststellingsovereenkomst van 29 december 2015 is de samenwerking tussen belanghebbende en [bedrijf 4] BV beëindigd. Onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is een concurrentiebeding, inhoudende dat (onder meer) belanghebbende geen activiteiten in de IT-consultancy sector mag verrichten tot 31 december 2016. Daarop zijn uitgezonderd de werkzaamheden die belanghebbende via het bemiddelingsbureau [bedrijf 13] reeds verrichte.
3.22.
Belanghebbende en [persoon 1] hebben alle aandelen in [bedrijf 11] BV op 23 december 2016 verkocht aan [bedrijf 14] BV.
Eenmanszaak
3.23.
Vanaf 2016 verricht belanghebbende, onder meer met tussenkomst van bemiddelaars zoals [bedrijf 13] en [bedrijf 15] BV, werkzaamheden vanuit een eenmanszaak onder de handelsnaam [bedrijf 16] . Belanghebbende heeft geen personeel in dienst.
Aangifte IB/PVV 2013
3.24.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2013.
3.25.
Op een schermafbeelding uit het aanslagbelastingsysteem (ABS) staat dat de inspecteur op 18 maart 2014 een verzoek heeft ontvangen tot uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2013 en dat het uitstel is verleend tot 1 mei 2015. Het betreft een verzoek via de 'Becon' regeling onder beconnummer [beconnummer] .
3.26.
Het beconnummer [beconnummer] is van [adviseur 1] ( [adviseur 1] ).
3.27.
De aangifte IB/PVV 2013 is op 30 april 2015 ingediend door [adviseur 1] naar een verzamelinkomen van € -/- 8.143, bestaande uit een loon van € 21.449, een inkomen uit eigen woning van € -/- 29.592 en een persoonsgebonden aftrek van € 89.
Aangifte IB/PVV 2014
3.28.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2014.
3.29.
Op een schermafbeelding uit het ABS staat dat de inspecteur op 24 maart 2015 een verzoek heeft ontvangen tot uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2014 en dat het uitstel is verleend tot 1 mei 2016. Het betreft een verzoek via de 'Becon' regeling onder beconnummer [beconnummer] .
3.30.
[persoon 2] van [adviseur 2] B.V. heeft op 30 juli 2015 een e-mail aan de mkb-inspecteur gestuurd met als onderwerp ‘ [bedrijf 10] , [persoon 3] en [bedrijf 7] ’. Daarin staat onder meer het volgende:
“Ikzelf heb de administratie van de heer [belanghebbende] ontvangen inzake 2014 en 2015. Ik heb de verwerking overgenomen van zijn voormalige adviseur. Het betreft bescheiden als inkoopfacturen, verkoopfacturen en bankafschriften. Deze heb ik inmiddels verwerkt in mijn administratiesysteem zijnde accountview”.
3.31.
De inspecteur heeft bij brief van 30 mei 2016 een herinnering voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2014 aan belanghebbende gestuurd. In die brief staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“U hebt uitstel gekregen tot 1 mei 2016. Maar u hebt nog geen aangifte gedaan. Misschien bent u vergeten om aangifte te doen, of heeft uw aangifte ons niet bereikt.”
3.32.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2014 op 22 mei 2016 zelf ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € -/- 15.000, volledig bestaande uit een inkomen uit eigen woning van € -/- 15.000.
Aangifte IB/PVV 2015
3.33.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015.
3.34.
Belanghebbende heeft op 22 januari 2016 uitstel aangevraagd voor het doen van de aangifte IB/PVV 2015. De inspecteur heeft bij brief van 21 maart 2016 uitstel aan belanghebbende verleend tot 1 september 2016. De inspecteur heeft bij brief van 6 april 2016 een tweede uitstelverzoek van belanghebbende afgewezen omdat al uitstel is verleend tot 1 september 2016.
3.35.
De inspecteur heeft bij brief van 27 september 2016 een herinnering voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 aan belanghebbende gestuurd. In de brief staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“U hebt uitstel gekregen tot 1 september 2016. Maar u hebt nog geen aangifte gedaan. Misschien bent u vergeten om aangifte te doen, of heeft uw aangifte ons niet bereikt.”
3.36.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2015 op 7 oktober 2016 zelf ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.998, bestaande uit een loon van € 32.998 en een inkomen uit eigen woning van € -/- 15.000, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2-inkomen) van € -/- 34.200.
Aangifte IB/PVV 2016
3.37.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016.
3.38.
Belanghebbende heeft op 19 maart 2017 uitstel aangevraagd voor het doen van de aangifte IB/PVV 2016. De inspecteur heeft bij brief van 11 april 2017 uitstel aan belanghebbende verleend tot 1 september 2017.
3.39.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2016 op 5 september 2017 zelf ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.062, bestaande uit een loon van € 47.294, een inkomen uit eigen woning van € -/- 29.091 en een aftrek in verband met premies voor inkomensvoorzieningen van € 2.141.
Boekenonderzoek
3.40.
De inspecteur heeft bij brief van 31 augustus 2015 een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013. Bij brief van 3 februari 2017 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek wordt uitgebreid naar de aangiften IB/PVV 2014 en 2015. Bij brief van 18 oktober 2017 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek nog verder wordt uitgebreid naar (onder meer) de aangifte IB/PVV 2016.
3.41.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 19 december 2017 aan belanghebbende is toegezonden. In het controlerapport is de kennisgeving voor het opleggen van de vergrijpboetes voor de jaren 2013 tot en met 2016 opgenomen.
3.42.
In het controlerapport is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“3 Inkomstenbelasting
3.1
Bank
Uit door de heer [belanghebbende] overgelegde rekeningafschriften van de in privé aangehouden betaal- en spaarrekeningen van hemzelf en zijn echtgenote blijkt dat er zeer forse bedragen door het echtpaar zijn opgenomen bij de vennootschappen waaraan ze gelieerd waren.”
En:
“3.2.5 Samenvatting onttrekkingen 2012_2015
In de nu volgende tabel staat een samenvatting van hetgeen in de voorstaande paragrafen is verwoord. Uit de tabel blijkt het totaal van het bedrag dat door de heer en mevrouw [belanghebbende] - [persoon 1] per jaar aan de vennootschappen - minimaal - is onttrokken.
(…)
Het totaalbedrag komt uit op 1.063.640,74 euro. In dit bedrag begrepen, zijn de nettoloon betalingen. Het gaat om een bedrag van 57.154 euro over de jaren 2012 tot en met 2015.
Primair stellen wij ons op het standpunt dat het bedrag van 1.006.486,74 euro (1.063.640,74 euro -/- 57.154 euro) (verdeeld over de jaren) aangemerkt moet worden als loon dat is genoten door de heer [belanghebbende] in de jaren 2012 tot en met 2015.
De vennootschappen waaraan het echtpaar [belanghebbende] - [persoon 1] in de jaren 2012 tot en met 2016 gelieerd waren, zijn in die jaren voor wat betreft hun omzet volledig afhankelijk geweest van de inzet van de heer [belanghebbende] op opdrachten. De heer [belanghebbende] heeft met de door hem persoonlijk verrichte werkzaamheden er voor gezorgd dat de vennootschappen aan klanten hebben kunnen factureren. De heer [belanghebbende] heeft zich fulltime ingezet voor de ondernemingen. Niet gebleken is dat mevrouw [persoon 1] hieraan een (wezenlijke) bijdrage heeft geleverd. Reden waarom het bedrag aan onttrekking dan ook primair in zijn geheel moet worden toegerekend aan de heer [belanghebbende] als loon voor de door hem verrichte arbeid.
Het loon - middels de onttrekkingen - dat aldus jaarlijks is genoten achten wij passend voor de iemand met de kennis, kunde en reputatie zoals de heer [belanghebbende] die in de branche heeft (het is van algemene bekendheid dat de heer [belanghebbende] [bedrijf 2] heeft opgericht, een wezenlijke speler in de IT-consultancymarkt/ klanten zijn de grotere ondernemingen).
Als Inspecteur hebben we de vrijheid om een niet in de loonheffingen begrepen loonbestandsdelen rechtstreeks in de inkomstenbelasting te begrijpen. Dit loon wordt bij de heer [belanghebbende] in box 1 van de inkomstenbelasting belast (uitwerking per jaar staat beschreven in de paragrafen 3.3.1. tot en met 3.3.4 van dit rapport).
Subsidiair stellen wij dat wanneer de bedragen die zijn onttrokken aan de vennootschappen niet, of gedeeltelijk niet kunnen worden aangemerkt als loon bij de heer [belanghebbende] belast moet worden in box 1 van de inkomstenbelasting, de aan de vennootschappen onttrokken bedragen - of een gedeelte daarvan - alsdan moeten worden aangemerkt als een voordeel uit aanmerkelijk belang. Dit voordeel uit aanmerkelijk belang dient belast te worden in box 2 van de inkomstenbelasting (uitwerking over de wijze waarop de bedragen dan belast belast moeten worden staat beschreven in paragraaf 3.6 van dit rapprt).”
En:
“3.2.6 Ontvangen informatie 2016
Uit het onderzoek bij [bedrijf 12] B.V. is gebleken dat dat de heer [belanghebbende] en mevrouw [persoon 1] in het jaar 2016 tenminste 254.795 euro hebben onttrokken aan de vennootschap. Het bedrag van 254.795 euro is gebaseerd op de zakelijke ING-rekening ( [iban] ) van [bedrijf 12] die door de vennootschap in het jaar 2016 werd aangehouden. In het jaar 2016 hebben op deze rekening 102 mutaties plaatsgevonden. Hiervan hebben 86 mutaties betrekking op stortingen maar vooral ook onttrekkingen van de heer [belanghebbende] en mevrouw [persoon 1] . Het bedrag van 254.795,58 euro wordt hierbij aangemerkt als het bedrag dat de heer [belanghebbende] en zijn echtgenote aan de vennootschap hebben onttrokken. De wijze waarop dit bedrag moet worden belast, staat beschreven in paragraaf 3.3.5 van dit rapport.”
En:
“3.3.5 Inkomen 2016
(…)
Privégebruik auto de heer [belanghebbende]
In het jaar 2016 werd door [bedrijf 12] aan de heer [belanghebbende] een auto ter beschikking gesteld. Het gaat om dezelfde auto, als welke door de heer [belanghebbende] ook in het jaren 2014 en 2015 werd gebruikt.
In het jaar 2016 is aangifte gedaan van een bijtelling voor het privégebruik van de auto. De waarde van het privégebruik auto waarvan aangifte is gedaan – middels de aangifte voor de Loonheffingen van [bedrijf 12] – is 7.416 euro. Dit bedrag is onjuist.
Evenals in de jaren 2014 en 2015 moet de hoogte van de bijtelling worden gebaseerd op de cataloguswaarde van de ter beschikking gestelde auto. Die cataloguswaarde is 63.385 euro.
De correctie wegens privégebruik van de auto is dan als volgt:
63.385 x 25% = 15.846 euro
Met de aangifte voor de Loonheffingen is reeds rekening gehouden met een bedrag van 7.416 euro. De correctie is dan uiteindelijk:
15.846 euro -/- 7.416 = 8.430 euro.
Het bedrag van 8.430 euro wordt aangemerkt als loon, te belasten in box 1 bij de heer [belanghebbende] .
(…)
Aanslag IB 2016
Naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek, moet de aangifte IB 2016 zoals ingediend worden gecorrigeerd.
Primair stellen wij ons hierbij het standpunt dat het bedrag van 232.030 euro aan onttrekkingen moet worden aangemerkt als loon dat door de heer [belanghebbende] is genoten. Daarbij belasten wij dit bedrag rechtstreeks in de inkomstenbelasting bij de heer [belanghebbende] (box 1, looninkomsten). Het bedrag van 232.030 euro wordt volledig als loon toegerekend aan de heer [belanghebbende] . Het is immers de heer [belanghebbende] die de (arbeids-)prestaties heeft verricht, via de gelieerde vennootschappen.
Subsidiair: Mocht het bedrag van 232.030 euro geheel, dan wel gedeeltelijk, niet kunnen worden aangemerkt als loon dat belast moet worden in box 1 van de inkomstenbelasting, dan zijn wij van mening dat het bedrag - of een gedeelte daarvan - moet worden aangemerkt als een voordeel verkregen uit aanmerkelijk belang. Het bedrag dient alsdan belast te worden in box 2. In paragraaf 3.4 van dit rapport staat nader beschreven op welke wijze het bedrag in die situatie belast moet worden.”
En:
“3.4 Pensioenvoorziening [persoon 3]
Onderdeel van de balans van [persoon 3] per 31 december 2013 – de laatste die ons bekend is – is een pensioenvoorziening die bij de vennootschap is gevormd ten behoeve van de heer [belanghebbende] .
Per 31 december 2013 staat de pensioenvoorziening op de balans voor een bedrag van 126.637 euro.
Uit de balans van de onderneming blijkt dat er geen andere financiële dekking bestaat voor deze voorziening dan een rekeningcourantvordering op de heer [belanghebbende] . Volgens de balans had [persoon 3] op 31 december 2013 het bedrag van 115.132 te vorderen op de heer [belanghebbende] . Feitelijk is het bedrag dat de vennootschap per die datum te vorderen had op haar aandeelhouder en bestuurder vele malen hoger. Zoals hiervoor in paragraaf 3.1 van dit rapport al is beschreven, heeft de heer [belanghebbende] forse bedragen aan de vennootschap onttrokken, en dit gemaskeerd middels boekhoudkundige listigheden.
In de periode van 1 januari 2014 tot aan de datum van verkoop aan [luxemburgse vennootschap] SA – 4 september 2015 – heeft de heer [belanghebbende] per saldo enkel maar meer gelden onttrokken aan [persoon 3] . Op het moment dat [persoon 3] wordt verkocht kan dan ook worden aangenomen dat er geen reële dekking was voor de pensioenvoorziening bij de vennootschap. Dit leiden we af uit de navolgende feiten en omstandigheden.
Ons is niet gebleken dat de heer [belanghebbende] door [luxemburgse vennootschap] SA nog is aangesproken tot aanzuivering van de rekeningcourantschuld van de heer [belanghebbende] aan [persoon 3] . Noch is ons gebleken dat de heer [belanghebbende] uit eigenbeweging daartoe actie heeft ondernomen (van betalingen is bij het onderzoek in elk geval niet gebleken). Aan de vordering op de balans komt daardoor geen reële betekenis meer toe vanaf het moment waarop de heer [belanghebbende] [persoon 3] vervreemdt. Voordien die is de vordering nog wel reëel te nomen, nu zowel pensioengerechtigde, de heer [belanghebbende] als de vennootschap listige boekhoudkundige handelingen hebben uitgevoerd tot aan 2013 ten einde de rekeningcourantschuld te verlagen.
(…) Recent is in de staatscourant het voornemen tot ontbinding gepubliceerd. Gelet op het voorgaande concluderen wij dat op de datum van de verkoop van [persoon 3] , de pensioenvoorziening is vrijgevallen. Dit betekent dat de heer [belanghebbende] het pensioen op dat moment heeft genoten. Dit voordeel wordt bij de heer [belanghebbende] belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast wordt er ook revisierente gerekend.
Omdat wij onvoldoende inzicht hebben in de pensioenbrief, en de specifieke feiten en omstandigheden zoals zich voor hebben gedaan bij dit onderzoek, zien wij af van een actuariële berekening. Wij belasten daarom nu enkel het bedrag waarvoor de pensioenvoorziening op 31 december 2013 op de balans was opgenomen: 126.637 euro.”
En:
“3.5 Samenvatting correcties box 1
Hiervoor zijn de correcties verwoord m.b.t. het te belasten loon in box 1 van de heer [belanghebbende] over de jaren 2012 tot en met 2016. In de onderstaande tabel volgt een samenvatting:
Aangegeven loon | Correctie loon | Correctie Privégebruik - auto | Inkomen box 1 | |
2012 | € 58.801,00 | € 338.927,00 | € - | € 397.728,60 |
2013 | € 21.449,00 | € 207.838,81 | € - | € 229.287,81 |
2014 | € - | € 194.320,40 | € 15.846,00 | € 210.166,40 |
2015 | € 32.998,00 | € 265.401,23 | € 15.846,00 | € 314.245,23 |
2016 | € 47.294,00 | € 232.030,00 | € 8.430,00 | € 287.754,00 |
Naast de correcties zoals opgenomen in de tabel, zullen ook de volgende correcties worden doorgevoerd:
Resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen 2012: 24.795 euro
Vrijval pensioenvoorziening 2015: 126.637”
En:
“7.3 Vergrijpboete op grond van artikel 67d AWR
Ik ben van mening dat het aan opzet van belastingplichtige is te wijten dat de aangiften inkomstenbelasting 2013 tot en met 2016 onjuist zijn gedaan.
De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik voornemens ben deze vergrijpboete op te leggen betreffen:
- Belanghebbende is belastingplichtig voor de inkomstenbelasting; - Belanghebbende is bestuurder en direct dan wel indirect via hemzelf dan wel zijn partner aandeelhouder geweest van:
> [bedrijf 17] B.V. / [bedrijf 18] B.V.
> [bedrijf 8] B.V.
> [bedrijf 1] B.V.
> [bedrijf 10]
> [bedrijf 11] B.V.
> [bedrijf 12] B.V.
- -
Belanghebbende heeft met de hiervoor genoemde BV's via een rekening courant een schuld aan deze BV's;
- -
Belanghebbende moet hebben geweten dat hij forse bedragen opnam via de rekening courant;
- -
Belanghebbende heeft over de jaren 2012 t-m 2015 €1.006.486,74 aan liquide middelen onttrokken aan de betreffende BV's;
- -
Uit het onderzoek bij [bedrijf 12] B.V. is gebleken dat belanghebbende in het jaar 2016 tenminste 255.652 euro heeft onttrokken aan deze vennootschap;
- -
Belanghebbende heeft in de jaren 2012 tot en met 2016 een aanzienlijk lager bedrag aan zichzelf als nettoloon toegekend betreffende de BV's waar hij in dienst was en waaraan hij was gelieerd
- -
Belanghebbende heeft voor zijn levensonderhoud alleen inkomsten vanuit de BV's;
- -
Belanghebbende kan uitgaande van de netto ontvangen lonen zich niet in zijn levensbehoefte voorzien (o.a. hypotheek, opgroeiende kinderen, woonlasten, boodschappen, kleding, etc);
- -
Belanghebbende wist dan ook dat hij meer liquide middelen nodig had dan dat hij op papier via de BV's als netto loon genoot;
- -
Belanghebbende heeft om in zijn levensbehoefte te kunnen voorzien dan ook bewust geld via de rekening courant van de BV's onttrokken;
- -
Belanghebbende heeft door listigheid en bedrog de toename van de rekening courant schulden weten te verbloemen door oneigenlijke 'alternatieve' crediteringen op te voeren via de rekening courant. Ik verwijs hiervoor naar de inhoud van hoofdstuk 3.1 en 3.2 van dit rapport;
- -
Belanghebbende heeft dan ook bewust gelden via de rekening courant uit de BV's onttrokken met de intentie deze niet als schuld te erkennen door onjuiste crediteringen op te voeren en zodoende de gelden onbelast zich toe te eigenen;
- -
De werkzaamheden die werden verricht via deze BV's bestonden uit het persoonlijk arbeid van belanghebbende zelf waarbij het juist ging om zijn expertise op zijn vakgebied;
- -
Gelet op de werkzaamheden en de expertise die belanghebbende bezit is het gebruikelijk loon hoger dan het minimale bedrag zoals deze in de wet is vastgesteld;
- -
Belanghebbende weet dat hij meer gelden uit de BV's zich heeft toegeëigend dan zijn toegekende loon;
- -
Belanghebbende weet dat hij de onttrokken gelden zover ze het netto loon overstijgen niet als loon dan wel als een dividend uitkering heeft verantwoord;
- -
Belanghebbende weet dat hij zich vanuit de BV's meer geld heeft ontvangen dan dat hij op papier aan loon heeft ontvangen van deze BV's. Daarbij heeft belanghebbende door listigheid en bedrog de rekening courant boekingen gemanipuleerd om zodoende het onttrokken geld uit de BV's zich onbelast toe te eigenen;
- -
Belanghebbende weet dat hij het onttrokken geld uit de BV's niet als loon dan wel als een dividend uitkering of anderszins heeft aangegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting;
- -
Het verschil ten opzichte van zijn op papier ontvangen loon is dermate groot dat belanghebbende moet hebben geweten dat de aangiften zoals hij deze indiende niet juist konden zijn;
- -
Door de handelswijze van belanghebbende heeft hij door opzet de aangifte inkomstenbelasting niet juist ingediend;
- -
Belanghebbende heeft bewust onjuiste aangiften ingediend. De vergrijpboete wegens opzet bedraagt 50%. De grondslag van de boete is het bedrag van de aanslag wat is toe te rekenen aan de correctie.”
3.43.
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen (zie 1.1) conform de bevindingen in het controlerapport vastgesteld.
Aanslagen IB/PVV 2017 en 2018
3.44.
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 (zie 1.1) conform de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV vastgesteld.
Mediation
3.45.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben samen met de inspecteur een mediationtraject doorlopen vanaf 1 november 2018. Het mediationtraject is zonder succes beëindigd op 3 februari 2020.
Motivering
Vooraf
De dossiers
4. De rechtbank heeft een groot aantal zaken van belanghebbende en zijn echtgenote gelijktijdig op zitting behandeld. Voor deze zaken zijn verschillende dossiers aangelegd, die bestaan uit een veelheid aan stukken. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling van de zaken alle stukken die zijn gewisseld in ieder dossier zal betrekken.
Het verdagingsverzoek
4.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2025 verzocht om verdaging van de zitting van 29 oktober 2025. Belanghebbende wil graag de uitkomst van een gesprek op 4 november 2025 in het kader van een Msnp-traject afwachten omdat het tijdens dat gesprek ook zal gaan over het stopzetten van alle beroepsprocedures.
4.2.
De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat de zaken al erg lang lopen, dat de uitkomst van het gesprek op 4 november 2025 onzeker is, en dat het verdagingsverzoek pas twee dagen voor de zitting is ingediend, zonder dat is gebleken dat belanghebbende het verzoek niet eerder had kunnen indienen.
Het na afloop van de zitting ingediende stuk
4.3.
De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting in alle zaken gesloten. Op 30 oktober 2025 is door belanghebbende een aanvullend stuk ingediend. In dat stuk stelt belanghebbende dat de rechtbank de behandeling van de zaken op zitting had moeten verdagen omdat een stuk van de inspecteur van 15 oktober 2025 pas op 29 oktober 2025 aan belanghebbende zou zijn doorgezonden. Volgens belanghebbende is hem de kans ontnomen om zichzelf te kunnen verdedigen en te kunnen voorbereiden op het aanvullend verweer van de inspecteur.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van het Procesreglement een stuk dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd wordt ingediend, als uitgangspunt bij het doen van uitspraak buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij de rechtbank in het stuk aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen.2.In dit geval ziet de rechtbank in het ingekomen stuk geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Het stuk van 15 oktober 2025 van de inspecteur, ingekomen bij de rechtbank op 17 oktober 2025, waaraan belanghebbende refereert, heeft betrekking op de zaak met nummer 23/1901. Sinds 29 oktober 2025 procedeert belanghebbende in die zaak digitaal en is het stuk in het digitale portaal opengesteld voor belanghebbende. Het stuk is echter op 17 oktober 2025 al per post aan belanghebbende doorgezonden, omdat belanghebbende toen nog niet digitaal procedeerde. Die doorzendbrief is bij de rechtbank niet retour gekomen. De rechtbank veronderstelt dan ook dat belanghebbende al eerder dan op 29 oktober 2025 kennis heeft kunnen nemen van het stuk van de inspecteur.
4.5.
Voor zover de brief van 30 oktober 2025 opgevat moet worden als een betwisting van de ontvangst van het stuk per post, is dat te laat gedaan. Immers is die betwisting na de sluiting van het onderzoek geweest. Daarbij speelt mee dat belanghebbende uitgenodigd is voor de zitting – en ook kennis had van die zitting gelet op het (afgewezen) uitstelverzoek – maar daar om moverende redenen niet is verschenen. Op de zitting is namelijk besproken welke stukken tot het dossier behoren. De zitting was dan ook het aangewezen moment voor belanghebbende om feitelijke stellingen rondom de ontvangst van stukken te betrekken. De omstandigheid dat belanghebbende op de hoogte is van de zitting en daar niet verschijnt ligt in zijn risicosfeer. Dat belanghebbende na de zitting op de hoogte raakt van stukken wegens (alsnog) verkregen digitale toegang tot zijn dossier, is dan geen aanleiding voor het heropenen van het onderzoek.
4.6.
Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Op grond van het procesreglement is het na de zitting ingekomen stuk van belanghebbende toegevoegd aan het dossier, maar de rechtbank laat het stuk bij haar beoordeling verder buiten beschouwing.
De aanslag Zvw 2016
4.7.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag Zvw 2016 verminderd tot een bijdrage-inkomen van nihil en de bijbehorende belastingrentebeschikking ook verminderd tot nihil. Belanghebbende heeft te kennen gegeven geen beroepsgronden tegen de aanslag Zvw 2016 aan te voeren. De rechtbank verklaart het beroep tegen de aanslag Zvw 2016 (zaaknummer 23/1903) daarom niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
De aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016
Zijn de aanslagen tijdig aan belanghebbende opgelegd?
5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 buiten de reguliere aanslagtermijn en daarmee niet tijdig aan hem zijn opgelegd. Volgens belanghebbende heeft hij niet om uitstel voor het indienen van de aangiften verzocht, is door de inspecteur aan hem niet duidelijk kenbaar uitstel verleend en is een verlenging van de aanslagtermijn met de periode van verleend uitstel daarom niet aan de orde. De aanslagen dienen daarom te worden vernietigd, aldus belanghebbende. Dit geldt eveneens voor de daarbij behorende boete- en rentebeschikkingen.
5.1.
De inspecteur stelt dat door of namens belanghebbende om uitstel voor het indienen van de aangiften IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 is verzocht en dat dit uitstel ook steeds duidelijk kenbaar is verleend. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2016 zijn volgens de inspecteur tijdig aan belanghebbende opgelegd.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.3.Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de aanslagtermijn met de duur van dit uitstel verlengd. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of aan belanghebbende uitstel is verleend voor indienen van de aangiften IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 en, als dit het geval is, of dit uitstel op een juiste wijze bekend is gemaakt aan belanghebbende.
5.3.
Artikel 9, tweede lid, van de AWR bepaalt dat de inspecteur de termijn voor het indienen van een aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, kan verlengen. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt dat verlenging van die termijn uitsluitend wordt verleend op verzoek van de belastingplichtige.4.Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen. In dat geval dient de inspecteur die verzending aannemelijk te maken.5.Dit betekent dat de bewijslast dat voor het indienen van belanghebbendes aangifte uitstel is gevraagd en verleend, op de inspecteur rust.6.
5.4.
De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in zijn bewijslast aannemelijk te maken dat er om uitstel voor indiening van de aangiften IB/PVV 2013 en 2014 is verzocht. De inspecteur heeft schermafbeeldingen uit het ABS overgelegd (zie 3.25, 3.26 en 3.29), waaruit blijkt dat [adviseur 1] namens belanghebbende becon-uitstelverzoeken heeft ingediend. De inspecteur mocht ervan uitgaan dat belanghebbende [adviseur 1] daartoe had gemachtigd en mocht daarmee het verleende uitstel aan [adviseur 1] kenbaar maken. De stelling dat belanghebbende zelf geen kennisgeving heeft ontvangen van het verleende uitstel is dus niet relevant.
5.5.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [adviseur 1] van het verleende uitstel op de hoogte was. Dat [adviseur 1] op de hoogte was van het verleende uitstel, kan voor 2013 overigens ook uit de feitelijke gang van zaken worden afgeleid. De aangifte IB/PVV 2013 is namelijk op de laatste dag van het verleende uitstel door [adviseur 1] ingediend. De samenwerking tussen belanghebbende en [adviseur 1] is op enig moment, nadat uitstel voor de aangifte IB/PVV 2014 is verleend, beëindigd. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat dit pas later bij haar bekend werd, waardoor het eerder verleende becon-uitstel richting belanghebbende niet is ingetrokken. Dat blijkt ook uit de herinnering gericht aan belanghebbende waarin expliciet staat vermeld tot wanneer er uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2014 is verleend (zie 3.31). De rechtbank volgt belanghebbende dus niet in zijn stelling dat als gevolg van de e-mail van [persoon 2] van 30 juli 2015 (zie 3.30) het uitstel is beëindigd.
5.6.
De rechtbank gaat er dus van uit dat de termijn voor het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 met de duur van het verleende uitstel is verlengd. Dat betekent dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 is geëindigd op 31 januari 2018 en de termijn voor het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014 op 31 december 2018. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014, en daarmee ook de gelijktijdig gegeven boete- en belastingrentebeschikkingen, binnen de verlengde termijn aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat betekent dus dat de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 en de boete- en belastingrentebeschikkingen tijdig zijn opgelegd.
5.7.
De rechtbank acht ook aannemelijk dat voor de aangifte IB/PVV 2015 door belanghebbende om uitstel is verzocht en dat dit uitstel is verleend. Tot de gedingstukken behoren het door belanghebbende ondertekende uitstelverzoek en de brief van 21 maart 2015 waarin het uitstel wordt verleend. Belanghebbende betwist de verzending van die laatste brief, maar niet die van de opvolgende brief van 6 april 2016 waarbij nader uitstel wordt afgewezen omdat al uitstel is verleend tot 1 september 2016. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat het verleende uitstel voor belanghebbende duidelijk kenbaar was. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2015 met de duur van het verleende uitstel is verlengd. Dat betekent dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2015 is geëindigd op 30 april 2019. De aanslag IB/PVV 2015 is op 15 maart 2019 aan belanghebbende opgelegd. De aanslag IB/PVV 2015, en daarmee ook de gelijktijdig gegeven boete- en belastingrentebeschikkingen, zijn dus binnen de verlengde termijn en daarmee tijdig aan belanghebbende opgelegd.
5.8.
De aanslag IB/PVV 2016 is binnen de reguliere aanslagtermijn en daarmee in ieder geval tijdig aan belanghebbende opgelegd. De stelling van belanghebbende omtrent het verleende uitstel behoeft daarom voor deze aanslag en bijbehorende beschikkingen geen behandeling.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
5.9.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2016 heeft gedaan. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 gelden aan verschillende aan hem verbonden vennootschappen heeft onttrokken en een groot gedeelte daarvan niet heeft aangegeven (zie 3.42). De onbelaste opnamen bedragen volgens de inspecteur minimaal € 207.838,81 (2013), € 194.320,39 (2014), € 265.401,23 (2015), respectievelijk € 232.030,00 (2016). De inspecteur is primair van mening dat deze onbelaste opnamen moeten worden aangemerkt als looninkomsten en als zodanig moeten worden belast. Daarbij heeft de inspecteur ter zitting toegelicht dat de opnamen ofwel een feitelijke beloning vormen voor de werkzaamheden die belanghebbende voor de betreffende vennootschap heeft verricht, ofwel aantonen dat het in aanmerking te nemen gebruikelijk loon in die jaren veel hoger lag dan het wettelijk minimum. Subsidiair is de inspecteur van mening dat de onbelaste opnamen moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid (ROW) en meer subsidiair als inkomen uit aanmerkelijk belang.
5.10.
Belanghebbende stelt primair dat de onttrekkingen niet kunnen worden beschouwd als loon omdat deze niet voortvloeien uit de relatie van werkgever-werknemer. Een correctie van het gebruikelijk loon in de jaren 2013 tot en met 2016 kan volgens belanghebbende niet meer bedragen dan een correctie van het reeds aangegeven gebruikelijk loon met € 21.449 (2013), € 48.239 (2014), € 19.502 (2015), respectievelijk € 5.206 (2016). Daarbij heeft belanghebbende steeds het aangeboden salaris uit vacatures van een volgens hem vergelijkbare functie tot uitgangspunt genomen. Subsidiair stelt belanghebbende dat de inspecteur uitgaat van te hoge bedragen aan belastbaar inkomen, omdat de inspecteur opnames meerekent die niet zijn aan te merken als inkomen. Volgens belanghebbende kan maximaal € 124.174,04 (2013), € 150.781,23 (2014), € 223.470 (2015), respectievelijk € 36.156 (2016) tot het belastbaar inkomen worden gerekend.
5.11.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft genomen. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, omdat te weinig belasting is aangegeven. Deze toets moet voor ieder jaar afzonderlijk worden aangelegd. Beoordeeld moet worden of het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder jaar afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is en of belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met alles wat hij in dit verband heeft aangevoerd, tegenover het verweer van belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de eigen verklaring van belanghebbende dat hij in de onderhavige jaren in wezen te weinig gebruikelijk loon heeft aangegeven, ten minste € 21.449 (2013), € 48.239 (2014), € 19.502 (2015), respectievelijk € 5.206 (2016). Indien alleen al met deze bedragen rekening wordt gehouden, is voor de jaren 2013, 2014 en 2015 het volgens de aangiften verschuldigde bedrag aan belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan het werkelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Het bedrag aan belasting dat als gevolg hiervan niet is geheven, is voor die jaren ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk.
5.13.
Daarnaast betrekt de rechtbank het onderzoek van de inspecteur naar de rekeningafschriften van de vennootschappen en de door belanghebbende en zijn echtgenote in privé aangehouden betaal- en spaarrekeningen. Uit dit onderzoek volgt dat gedurende deze jaren grote bedragen vanuit vennootschappen waarbij belanghebbende was betrokken op zijn privérekeningen zijn geboekt en dat belanghebbende heeft getracht dit te verbloemen door oneigenlijke crediteringen op te voeren via de rekening courant (zie 3.42). De rechtbank heeft geen reden om aan de bevindingen van dat onderzoek te twijfelen. Vaststaat dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 voor die vennootschappen direct of indirect werkzaamheden heeft verricht en dat de vennootschappen voor wat betreft hun omzet nagenoeg volledig afhankelijk zijn geweest van de inzet van belanghebbende op opdrachten. Behoudens met de vennootschappen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 12] BV, bestond geen andere relevante relatie dan een arbeidsrelatie. De rechtbank acht daarom aannemelijk, en zelfs overtuigend aangetoond, dat in elk geval een groot deel van deze bedragen naar belanghebbende is toegevloeid als beloning voor verrichte werkzaamheden.
5.14.
Voor het overige geldt dat de opnamen waarvoor belanghebbende geen verklaring heeft gegeven en zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het een vergoeding van zakelijke kosten betreft, substantieel zijn. Het gaat om € 124.174,04 (2013), € 150.781,23 (2014), € 223.470 (2015), respectievelijk € 36.156 (2016). Belanghebbende heeft deze opnamen echter niet, althans onvoldoende, in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2016 verwerkt. Indien alleen al wordt uitgegaan van de door belanghebbende zelf genoemde bedragen waarvoor hij geen verklaring heeft gegeven en zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het een vergoeding van zakelijke kosten betreft, dan is in elk jaar de volgens de aangifte verschuldigde bedrag aan belasting relatief en absoluut aanzienlijk lager dan het werkelijk verschuldigde bedrag aan belasting.
5.15.
De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich voor alle jaren hiervan bewust was, althans zich daarvan bewust moest zijn. Het minimumbedrag aan gebruikelijk loon volgt voor ieder jaar rechtstreeks uit de wet7.. Belanghebbende heeft in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2016 minder dan het minimum aangegeven, terwijl hij een hooggekwalificeerde IT-professional is met veel kennis en ervaring en in die jaren veel heeft gewerkt. In dat licht lag een aanmerkelijk hoger salaris dan het door hem aangegeven loon voor de hand. Het kan niet anders dan dat belanghebbende zich daarvan bewust is geweest. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat gelden niet zomaar uit een vennootschap kunnen worden onttrokken naar privé zonder dat dit een fiscale component heeft. Gelet op de hoogte van de bedragen die naar privé zijn geboekt en de wijze waarop dit boekhoudkundig is verwerkt (zie ook 3.42), acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zich ook ten aanzien van die bedragen bewust was dat hij niet de vereiste aangifte deed.
5.16.
Het voorgaande betekent dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dat geldt voor de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016.
Redelijke schatting
5.17.
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van inkomsten.8.Belanghebbende kan volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is echter niet streng.9.Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.10.
5.18.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke en niet willekeurige schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De inspecteur is voor de correctie van het loon aangesloten bij de door belanghebbende overgelegde rekeningafschriften van de in privé aangehouden betaal- en spaarrekeningen van hemzelf en zijn echtgenote. De inspecteur veronderstelt dat de gelden die vanuit de verschillende aan belanghebbende verbonden vennootschappen op de privérekeningen van belanghebbende zijn geboekt een vergoeding vormen voor door hem verrichte werkzaamheden voor deze vennootschappen (zie ook 3.42). Dat acht de rechtbank als uitgangspunt niet onredelijk of willekeurig, mede omdat niet in geschil is dat de vennootschappen voor wat betreft hun omzet nagenoeg volledig afhankelijk zijn geweest van de inzet van belanghebbende op opdrachten. Daarnaast heeft de inspecteur voor de jaren 2014, 2015 en 2016 een bijtelling in aanmerking genomen voor het privégebruik van de auto. Ook dat acht de rechtbank als uitgangspunt niet onredelijk, nu niet in geschil is dat belanghebbende in die jaren de auto privé heeft gebruikt. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2015 een vrijval van de pensioenverplichting in aanmerking genomen omdat belanghebbende afstand heeft gedaan van zijn pensioenaanspraken bij verkoop van zijn aandelen in [bedrijf 1] BV. De inspecteur is voor de hoogte van de vrijgevallen pensioenvoorziening aangesloten bij de laatst bekende balanswaarde omdat hij niet beschikt over een pensioenbrief. Ook dat acht de rechtbank als uitgangspunt niet onredelijk of willekeurig.
5.19.
Op belanghebbende rust dan de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:
- -
de inspecteur een aantal onttrekkingen uit de vennootschappen ten onrechte heeft gerekend tot het loon, aangezien die bedragen ter dekking van onkosten of als pensioenuitkering uit de vennootschappen zijn opgenomen;
- -
de inspecteur een te hoog bedrag aan bijtelling voor de jaren 2015 en 2016 in aanmerking heeft genomen;
- -
er in 2015 geen vrijval van de pensioenverplichting heeft plaatsgevonden omdat in eerdere jaren de pensioenvoorziening al is prijsgegeven door onttrekkingen uit [bedrijf 1] BV die zijn te relateren aan de gevormde pensioenvoorziening;
- -
de inspecteur niet alle wettelijke regels omtrent de vaststelling van revisierente heeft nageleefd door geen revisierente in rekening te brengen, zodat sprake is van een nietigbaar besluit tot afkoop;
- -
de waarde van de vrijgevallen pensioenvoorziening ten onrechte niet is bepaald op de koopsom die men voor de aanspraak zou moeten storten bij een verzekeringsmaatschappij (artikel 3.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011);
- -
in 2015 ten onrechte geen aanvullend verlies uit aanmerkelijk belang van € 126.637 in aanmerking is genomen. Bij afkoop van een pensioenvoorziening, waarbij de pensioenpenningen schuldig blijven, is sprake van een informele kapitaalstorting die de verkrijgingsprijs van de aandelen van belanghebbende in [bedrijf 1] BV verhoogt;
- -
de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gezamenlijk verzoek van hem en zijn echtgenote tot herverdeling van de hypotheekrenteaftrek voor de jaren 2014 en 2015.
5.20.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.20.1.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende voor een groot aantal van de door hem genoemde onttrekkingen geen enkel stuk heeft overgelegd dat de zakelijkheid ervan kan onderbouwen. Reeds daarom heeft belanghebbende niet doen blijken dat die onttrekkingen ten onrechte door de inspecteur tot het loon zijn gerekend. Voor het resterende deel van de door belanghebbende genoemde onttrekkingen heeft belanghebbende wel stukken overgelegd, zoals Excel-overzichten en overzichten van creditcardmutaties, maar uit die stukken kan de rechtbank niet afleiden dat het gaat om zakelijke kosten van de vennootschappen. Ook voor deze onttrekkingen heeft belanghebbende dus niet doen blijken dat zij ten onrechte door de inspecteur tot het loon zijn gerekend. Belanghebbende heeft voor dat geval nog aangevoerd dat de inspecteur in het kader van de compromisbesprekingen hem op dit punt wel gedeeltelijk is gevolgd en daar later – naar de rechtbank begrijpt volgens belanghebbende ten onrechte – op is teruggekomen. De rechtbank kan daaraan echter geen consequenties verbinden. Uit het dossier volgt duidelijk dat de inspecteur alleen in het kader van de compromisbesprekingen bereid was om belanghebbende op punten te volgen. De inspecteur is niet gehouden om daarbij te blijven wanneer er geen compromis tot stand is gekomen.
5.20.2.
De inspecteur heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat voor de jaren 2015 en 2016 een te hoog bedrag aan bijtelling in aanmerking is genomen. De correctie bijtelling moet voor het jaar 2015 – overeenkomstig het standpunt van partijen – worden gesteld op € 7.076 (2015). De correctie bijtelling voor het jaar 2016 moet – overeenkomstig het standpunt van partijen – worden gesteld op € 2.093, uitgaande van een bijtelling van € 9.509 waarvan € 7.416 al in de loonaangifte door [bedrijf 12] BV is verantwoord. Het belastbaar inkomen uit werk en woning voor beide jaren wordt dan verminderd met € 8.770 (2015) respectievelijk € 6.337 (2016).
5.20.3.
Niet in geschil is dat belanghebbende in 2015 bij verkoop van [bedrijf 1] BV aan [luxemburgse vennootschap] SA afstand heeft gedaan van zijn pensioenaanspraken. De inspecteur merkt dit aan als een situatie als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, van de Wet LB (wettekst 2015). Dit is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Het dossier bevat te weinig gegevens en aanknopingspunten waaraan kan worden ontleend dat belanghebbende zijn pensioenaanspraken al eerder (gedeeltelijk) heeft prijsgegeven. Dat in die jaren bedragen zijn onttrokken aan [bedrijf 1] BV is daarvoor alleen onvoldoende. Dat betekent ook dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de inspecteur een aantal onttrekkingen uit [bedrijf 1] BV, die volgens belanghebbende verband houden het prijsgeven van zijn pensioenaanspraak, ten onrechte tot het loon heeft gerekend. Verder laat de (mogelijk) onjuiste toepassing van de revisierente-regeling, onverlet dat sprake is van een belaste vrijval van een pensioenverplichting.
5.20.4.
De waarde van de pensioenaanspraak wordt als uitgangspunt gesteld op het bedrag dat bij een derde wordt gestort of, voor zover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken11.. Dat heeft de inspecteur in dit geval niet gedaan omdat hij niet beschikte over een pensioenbrief en onvoldoende inzicht had in de specifieke feiten en omstandigheden rondom de pensioenaanspraak. De inspecteur is daarom aangesloten bij de laatst bekende fiscale balanswaarde van ultimo 2013. Dat lijkt de rechtbank in het voordeel van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan doen blijken, dat de waarde van de aanspraak lager was dan het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag van € 126.637. Voor zover belanghebbende nog een beroep doet op artikel 19b, achtste lid, van de Wet LB (wettekst 2015), slaagt dat evenmin. Belanghebbende toont namelijk niet aan dat aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 19b, achtste lid, van de Wet LB is voldaan.
5.20.5.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt het door belanghebbende opgeofferde bedrag ter verwerving van de aandelen in [bedrijf 1] BV niet verhoogd door het doen van afstand van de pensioenaanspraak. Belanghebbende heeft immers niets ingebracht, maar afgezien van een recht. Dat betekent dat de inspecteur terecht geen aanvullend verlies uit aanmerkelijk belang van € 126.637 in aanmerking heeft genomen.
5.20.6.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in de stukken – ieder afzonderlijk – verzocht om herverdeling van de hypotheekrenteaftrek voor de jaren 2014 en 2015. Dit merkt de rechtbank als uitgangspunt niet aan als een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank heeft ter zitting echter afgestemd dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast kunnen worden beschouwd (zie 4). Om die reden zal de rechtbank de afzonderlijke verzoeken van belanghebbende en zijn echtgenote aanmerken als een gezamenlijk verzoek tot herverdeling van de hypotheekrenteaftrek. De inspecteur heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij zich voor dat geval daarin kan vinden. Dat betekent dat de rechtbank de hypotheekrenteaftrek bij belanghebbende – conform het verzoek daartoe – zal vaststellen op € 29.294 (2014) respectievelijk € 29.281 (2015) in plaats van de aangegeven aftrek van € 15.000 (beide jaren).
5.21.
Het voorgaande betekent dat de aanslagen voor de jaren 2014, 2015 en 2016 te hoog zijn vastgesteld. Voor het jaar 2013 is dat niet het geval. De rechtbank zal de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 daarom verminderen en de aanslag IB/PVV 2013 in stand laten.
Belastingrente
5.22.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 te hoog is vastgesteld, moeten de belastingrentebeschikkingen bij de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 in ieder geval dienovereenkomstig worden verminderd. Dat geldt niet voor de belastingrentebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2013, omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij die aanslag niet te hoog is vastgesteld.
5.23.
Belanghebbende stelt dat de periode waarover belastingrente in rekening is gebracht moet worden ingekort omdat het boekenonderzoek verwijtbaar lang stil heeft gelegen. Daarbij wijst belanghebbende erop dat een controleambtenaar langdurig ziek is geweest en het onderzoek in die periode ten onrechte niet aan een andere ambtenaar is overgedragen.
5.24.
De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van de belastingrente samenhangt met het moment waarop de aanslag wordt opgelegd: hoe later de aanslag wordt opgelegd, hoe langer de periode is waarover rente wordt berekend. Het zorgvuldigheidsbeginsel kan daarom soms meebrengen dat (een deel van) de belastingrente niet in rekening mag worden gebracht.12.In deze zaak is dat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Dat een controleambtenaar langdurig ziek is geweest en het onderzoek als gevolg daarvan enige tijd stil heeft gelegen, betekent op zichzelf nog niet dat de inspecteur verwijtbaar onnodig lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslagen. Daarvoor is meer vereist. Het dossier bevat daarvoor geen aanwijzingen. Daarbij weegt ook mee dat de inspecteur ruimte heeft om zijn werkzaamheden in te delen en dat de aanslagen binnen de daarvoor geldende termijn zijn opgelegd (zie ook 5.6, 5.7 en 5.8). De rechtbank ziet dan ook geen reden om de periode waarover belastingrente is berekend in te korten en de in rekening gebrachte belastingrente (verder) te verminderen.
Verliesvaststellingsbeschikking bij aanslag IB/PVV 2015
5.25.
Belanghebbende stelt dat hij in 2017 en 2018 recht heeft op omzetting van (onder meer) een borgstellingverlies van € 250.000 in een belastingkorting. De inspecteur stelt dat in het geheel geen sprake is van een borgstellingsverlies en, als wel sprake zou zijn van een borgstellingsverlies, dat belanghebbende voor het borgstellingsverlies al volledig is gecompenseerd.
5.26.
De rechtbank constateert dat partijen het debat over het borgstellingsverlies niet voeren in het kader van de verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015. De rechtbank acht dat echter bij uitstek het kader waarin het debat over het borgstellingsverlies moet worden gevoerd. Immers, in dat jaar heeft de verkoop van alle aandelen van belanghebbende in [bedrijf 1] BV plaatsgevonden en is een eventueel verlies uit terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan [bedrijf 1] BV uiterlijk gerealiseerd. De rechtbank acht het daarom nodig om het debat tussen partijen, dat door de veelheid aan stellingen ook vertroebeld is geraakt, op te lijnen en het debat over het borgstellingsverlies in het kader van de verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015 te plaatsen.
5.27.
Belanghebbende stelt dat de borgclaim dateert uit 2010, begin 2011 en dat de maximale historie bij de (Rabo)bank betaal- en spaarrekening zeven jaar is, zodat hij niet (meer) kan beschikken over betaalbewijzen. Belanghebbende wijst erop dat de inspecteur tijdens de controle in 2017 heeft nagelaten navraag te doen naar de betaalbewijzen, terwijl het op dat moment nog wel mogelijk was om over de betaalbewijzen te beschikken. Daarom is het volgens belanghebbende hem niet aan te rekenen dat hij niet meer met stukken (volledig) kan onderbouwen dat hij betalingen heeft gedaan in het kader van de borgstelling.
5.28.
De rechtbank is het daar niet mee eens. Het is aan belanghebbende, die stelt dat sprake is van een terbeschikkingstellingsverlies, om – tegenover de betwisting door de inspecteur – aannemelijk te maken dat hij een bedrag van € 250.000 heeft betaald en dit bedrag niet meer heeft teruggekregen. Het had in dat licht op de weg van belanghebbende gelegen om uit eigen beweging de ter zake doende stukken die als onderbouwing daarvan kunnen dienen veilig te stellen. Belanghebbende wist immers ook in 2017 al dat het terbeschikkingstellingsverlies onderwerp van discussie was en dat in een latere procedure daarover dergelijke stukken mogelijk relevant zouden kunnen worden. Nu belanghebbende geen onderbouwende stukken heeft overgelegd en het dossier ook onvoldoende aanwijzingen bevat dat belanghebbende een bedrag van € 250.000 als borg heeft betaald en niet meer heeft teruggekregen, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat niet aannemelijk is dat belanghebbende een terbeschikkingstellingsverlies van € 250.000 heeft geleden. De verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015 is dus op het juiste bedrag vastgesteld.
5.29.
Belanghebbende beroept zich voor dat geval op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende wijst erop dat een inspecteur hem bij e-mail van 1 april 2016 heeft toegezegd dat als geen sprake is van een terbeschikkingstellingsverlies, het door hem voor de aandelen van [bedrijf 2] opgeofferde bedrag met € 250.000 wordt verhoogd (zie 3.8).
5.30.
De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank constateert dat de inspecteur in zijn e-mail van 15 juli 2016 (zie 3.9) nadere voorwaarden heeft gesteld aan zijn eerdere uitlatingen in de e-mail van 1 april 2016 en in wezen dus is teruggekomen op zijn eerdere ongeclausuleerde toezegging in de e-mail van 1 april 2016. Belanghebbende kon en mocht naar het oordeel van de rechtbank daarna dus niet menen dat het door hem opgeofferde bedrag voor de aandelen in [bedrijf 2] zonder meer met € 250.000 zou worden verhoogd. De rechtbank acht overigens ook niet aannemelijk dat belanghebbende daar wel van uitging. Dat leidt de rechtbank onder meer af uit de door belanghebbende op 7 oktober 2016 zelf ingediende aangifte IB/PVV 2015, waarin een verkrijgingsprijs van de aandelen [bedrijf 2] van € 18.200 en een verkoopprijs van € 1.000 is opgenomen. De verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015 blijft dus in stand.
Boetes
6. De inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 een vergrijpboete opgelegd13., omdat het volgens de inspecteur aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangiften onjuist dan wel onvolledig zijn gedaan.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.14.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.
6.2.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
6.3.
Belanghebbende stelt dat een boetedossier ontbreekt en dat er alleen mondeling overleg heeft plaatsgevonden met de boetespecialist van de Belastingdienst. Verder is belanghebbende van mening dat de inspecteur het vereiste bewijs niet heeft geleverd en dat voor 2013 van opzet in ieder geval geen sprake kan zijn omdat de aangiften zijn opgesteld en ingediend door zijn adviseur.
6.4.
De rechtbank constateert dat in het controlerapport een kennisgeving en motivering is opgenomen van de aan belanghebbende op te leggen boetes. Verder blijkt uit het dossier dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen om boetes aan hem op te leggen en om inzage te krijgen in het (boete)dossier. De stelling van belanghebbende dat een boetedossier ontbreekt, schuift de rechtbank dan ook terzijde.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur, met al hetgeen hij heeft aangevoerd (zie ook 3.42), in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangiften IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 onjuist of onvolledig zijn gedaan. Belanghebbende heeft erkend dat hij in al die jaren te weinig gebruikelijk loon heeft aangegeven. Daarnaast acht de rechtbank – onder verwijzing naar haar overwegingen onder 5.13 – ook overtuigend aangetoond dat in al die jaren in elk geval een groot deel van de onttrekkingen uit de vennootschappen als beloning voor verrichte werkzaamheden naar belanghebbende is toegevloeid. Uit het onderzoek van de inspecteur blijkt overtuigend dat belanghebbende oneigenlijke ‘alternatieve’ crediteringen heeft opgevoerd via de rekeningcourant om de toename van de rekeningcourantschulden te verbloemen. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende heeft geprobeerd om de onttrekkingen uit de vennootschappen bewust uit het zicht van de inspecteur te houden om hierover geen belasting te betalen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat (substantiële) onttrekkingen uit een vennootschap een fiscale component hebben.
6.6.
De rechtbank is dus van oordeel dat belanghebbende (telkens) zelf opzet had op het onjuist doen van aangifte, wat ook zij van de gestelde betrokkenheid van zijn adviseur in 2013. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat uit de stukken blijkt dat de adviseur bij het opstellen van de aangifte IB/PVV 2013 is afgegaan op de administratie die door belanghebbende is aangeleverd. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de adviseur een rol heeft gespeeld bij het manipuleren van de administratie of bij het buiten het zicht van de inspecteur houden van de onttrekkingen uit de vennootschappen.
6.7.
De inspecteur heeft de vergrijpboetes bij de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016, gelet op het voorgaande, dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
6.8.
Omdat de correctie van de bijtelling bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 te hoog is vastgesteld en deze aanslagen dus moeten worden verminderd (zie 5.20.2), is de boetegrondslag ook te hoog vastgesteld en moeten de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 ook worden gematigd. De rechtbank ziet verder aanleiding om alle boetes te matigen omdat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, boetes van € 61.000 (2013), € 47.000 (2014), € 65.000 (2015) en € 55.000 (2016) passend en geboden.
6.9.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boetes nog verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 19 december 2017 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het conceptcontrolerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 21 januari 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) acht jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met zes jaar en twee maanden.15.De boetes worden daarom verder gematigd met 20% tot € 48.800 (2013), € 37.600 (2014), € 52.000 (2015) en € 44.000 (2016).
De aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en IB/PVV 2018
7. Belanghebbende verzoekt voor de jaren 2017 en 2018 om omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang van in totaal € 284.200 in een belastingkorting.
2017
7.1.
Ter zitting heeft de rechtbank met de inspecteur afgestemd dat de aanslag IB/PVV 2017 zo kan worden opgevat dat daarin een (impliciete) afwijzende beschikking op basis van artikel 4.53, derde lid, van de Wet IB 2001 (beschikking belastingkorting) ligt besloten en dat in de uitspraak op bezwaar op het bezwaar tegen die beschikking belastingkorting is beslist. De rechtbank kan het verzoek van belanghebbende tot omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting voor het jaar 2017 dus inhoudelijk beoordelen.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang alleen op verzoek van de belastingplichtige wordt omgezet in een belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang, indien de belastingplichtige en zijn partner in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang hebben16.. Vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2016 ieder nog een aanmerkelijk belang hadden in [bedrijf 11] BV. Dat betekent dat belanghebbende reeds daarom voor het jaar 2017 niet voldoet aan de voorwaarden voor omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting. Het beroep gericht tegen de beschikking belastingkorting bij de aanslag IB/PVV 2017 is daarom ongegrond.
2018
7.3.
Ter zitting heeft de rechtbank met de inspecteur ook afgestemd dat in de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 een (impliciete) afwijzende beschikking op basis van artikel 4.53, derde lid, van de Wet IB 2001 (beschikking belastingkorting) ligt besloten. Daartegen moet eigenlijk eerst nog bezwaar worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Belanghebbende heeft de rechtbank echter gevraagd om te beslissen op zijn verzoek om omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting. Daaruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende de bezwaarfase graag wil overslaan (prorogatie). De inspecteur heeft ter zitting ook ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase. De rechtbank kan dus ook het verzoek van belanghebbende tot omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting voor het jaar 2018 inhoudelijk beoordelen.
7.4.
De inspecteur heeft in het verweerschrift aangegeven en ter zitting aan de rechtbank bevestigd dat belanghebbende voor het jaar 2018 in ieder geval recht heeft op een belastingkorting van in totaal € 8.825 (25% van € 34.200 + 25% van € 1.100). De rechtbank zal de beschikking belastingkorting voor het jaar 2018 dus in ieder geval verhogen tot € 8.825.
7.5.
Belanghebbende stelt – naar de rechtbank begrijpt – dat de beschikking belastingkorting voor het jaar 2018 nog verder moet worden verhoogd met € 62.500 (25% van € 250.000), vanwege een geleden terbeschikkingstellingsverlies van € 250.000. De rechtbank is van oordeel – onder verwijzing naar haar motivering onder 5.28 – dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit terbeschikkingstellingsverlies heeft geleden. Dat betekent dat belanghebbende reeds daarom geen recht heeft op omzetting van een verlies van € 250.000 in een belastingkorting.
7.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beschikking belastingkorting voor het jaar 2018 dus verhogen tot € 8.825.
7.7.
Belanghebbende heeft verder geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en de aanslag IB/PVV 2018, zodat de beroepen gericht tegen die aanslagen ongegrond zijn.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
8. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
8.1.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
8.2.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende en zijn echtgenote over de jaren 2013 tot en met 2018 (zaaknummers 22/1764, 22/2096 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, en 23/11555 tot en met 23/11558) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en bovendien in de beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld en daarbij tussen belanghebbende en zijn echtgenote nagenoeg geen onderscheid is gemaakt, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De omstandigheid dat in de bezwaarfase de behandeling niet gelijktijdig is geweest doet daar niet aan af.17.
8.3.
Op grond van vaste jurisprudentie18.geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.
8.4.
De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift op 18 januari 2018 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 21 januari 2026, en dus afgerond, 97 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank 73 maanden langer geduurd dan de 24 maanden die, in beginsel, als een redelijke termijn kunnen worden beschouwd voor behandeling in bezwaar en beroep.
8.5.
De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn met (afgerond) 6 maanden te verlengen in de bezwaarfase.19.Deze verlenging heeft te maken met de complexiteit en omvang van de zaken en het doorlopen mediationtraject. Voor een verdere verlenging van de redelijke termijn ziet de rechtbank geen aanleiding.
8.6.
Rekening houdende met voornoemde verlenging van de redelijke termijn met 6 maanden bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 67 maanden. Dit leidt tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 6.000. Omdat de rechtbank samenhang tussen de zaken van belanghebbende en zijn echtgenote heeft aangenomen, zal de rechtbank de toegekende immateriëleschadevergoeding evenredig over belanghebbende en zijn echtgenote verdelen. Dat betekent dat belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van € 3.000 krijgt. Deze komt voor 59/67e deel (€ 2.642) voor de rekening van de inspecteur en voor 8/67e deel (€ 358) voor rekening van de Staat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de laatste uitspraak op bezwaar is gedaan op 24 november 2023. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep met zaaknummer 23/1899 is gegrond. De aanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, blijven in stand, maar de boete moet worden verminderd tot € 48.800.
9.1.
Het beroep met zaaknummer 23/1900 is gegrond. De aanslag IB/PVV 2014, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.583, zodat daarbij rekening wordt gehouden met een hypotheekrenteaftrek van € 29.294 in plaats van € 15.000. De bijbehorende belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. De boete bij de aanslag IB/PVV 2014 moet worden verminderd tot € 37.600.
9.2.
Het beroep met zaaknummer 23/1901 is gegrond. De aanslag IB/PVV 2015, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, moet zodanig worden verminderd dat daarbij rekening wordt gehouden met een hypotheekrenteaftrek van € 29.281 in plaats van € 15.000 en een bijtelling van € 7.076 in plaats van € 15.846. De rechtbank leidt uit de uitspraak op bezwaar af dat de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verminderd tot € 411.904. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, moet dus worden verminderd tot € 388.853. De bijbehorende belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. De verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2015 blijft in stand. De boete bij de aanslag IB/PVV 2015 moet worden verminderd tot € 52.000.
9.3.
Het beroep met zaaknummer 23/1902 is gegrond. De aanslag IB/PVV 2016, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 250.185, zodat daarbij rekening wordt gehouden met een bijtelling van € 2.093 in plaats van € 8.430. De bijbehorende belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. De (impliciete) verliesvaststellingsbeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 blijft in stand. De boete bij de aanslag IB/PVV 2016 moet worden verminderd tot € 44.000.
9.4.
Het beroep met zaaknummer 23/1903 is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de aanslag Zvw 2016, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, in stand blijft en ook de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijft.
9.5.
De beroepen met zaaknummers 22/1764 en 22/2096 zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, zoals deze luiden na uitspraken op bezwaar, in stand blijven. Belanghebbende heeft in 2017 geen recht op belastingkorting, zodat ook de (impliciete) beschikking belastingkorting voor dat jaar in stand blijft.
9.6.
Het beroep met zaaknummer 22/5536 is gegrond. Dat betekent dat belanghebbende in 2018 recht heeft op een belastingkorting van € 8.825 en dat de (impliciete) beschikking belastingkorting tot dat bedrag moet worden verhoogd. De aanslag IB/PVV 2018, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, blijft wel in stand.
9.7.
Verder krijgt belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 3.000 vanwege de lange duur van de procedure.
9.8.
Omdat de beroepen met zaaknummers 23/1899, 23/1900, 23/1901, 23/1902 en 22/5536 gegrond zijn, moet de inspecteur het door belanghebbende in die zaken betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Het totaal door de inspecteur te vergoeden griffierecht bedraagt € 100.
9.9.
Verder heeft belanghebbende als uitgangspunt recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat belanghebbende geenkosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten die belanghebbende stelt te hebben gemaakt in het kader van het boekenonderzoek komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten van de bezwaarfase komen daarnaast alleen voor vergoeding in aanmerking als daarom in de bezwaarfase ook is verzocht.20.Dat is niet gebeurd. Verder heeft belanghebbende in beroep alleen voor het indienen van het beroepschrift met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 beroepsmatig verleende rechtsbijstand gehad. De beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 zijn echter ongegrond, zodat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende heeft weliswaar nog gesteld dat het beroepschrift met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018 in overleg met een adviseur is opgesteld zodat ook daar – naar de rechtbank begrijpt – een proceskostenvergoeding voor zou moeten worden toegekend, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. Uitsluitend door een derde beroepsmatig verrichte proceshandelingen, die staan beschreven in het Besluit proceskosten bestuursrecht, komen voor vergoeding in aanmerking. De enkele stelling dat kosten zijn gemaakt acht de rechtbank in de omstandigheden van dit geval onvoldoende voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Andere kosten die wel voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet door belanghebbende gesteld.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep met zaaknummer 23/1893 niet-ontvankelijk;
- -
verklaart de beroepen met zaaknummer 22/1764 en 22/2096 ongegrond;
- -
verklaart de beroepen met zaaknummers 23/1899, 23/1890, 23/1891, 23/1892 en 22/5536 gegrond;
- -
vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boete bij de aanslag IB/PVV 2013 en op de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen;
- -
laat de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de aanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand;
- -
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2013 tot € 48.800;
- -
vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.583 en vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- -
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2014 tot € 37.600;
- -
vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 388.853 en vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- -
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2015 tot € 52.000;
- -
vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 250.185 en vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- -
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2016 tot € 44.000;
- -
verhoogt de beschikking belastingkorting over het jaar 2018 tot € 8.825;
- -
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.642;
- -
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 358;
- -
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. A.H.W. Steijn, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | voorzitter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.21.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑01‑2026
Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254.
Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175; Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674; Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202; Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875; Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41 en Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2938; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 23 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1514.
Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
Vgl. Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.
Vgl. Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
Vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
Artikel 13 van de Wet LB in samenhang met artikel 3.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
Vgl. Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524.
Op basis van artikel 67d van de AWR.
Vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
Dat volgt uit artikel 4.53, eerste lid, van de Wet IB 2001.
Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.
Artikel 7:15 van de Awb.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.