Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.5.6.1
16.5.6.1 Artikel 22 sub 4 EEX-r/16 sub 4 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS419262:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Jenard, PbEG p. C 59/36 en Rapport Schlosser, PbEG p. C 59/123 lichten deze zinsnede toe en wijzen met name op het voorafgaand onderzoek bij octrooien. Art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag is derhalve van toepassing vanaf het moment van het indienen van een aanvraag en derhalve reeds voor het verlenen van het octrooi.
Rapport Jenard, PbEG p. C 59/36 verklaart dat de zinsnede voortvloeit uit de internationale afspraken over voorrang, bijv. in het Verdrag van Madrid van 14 april 1891; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 86.
De verwijzing naar 'van een besluit van de Gemeenschap' ontbreekt in het Verdrag, omdat de bevoegdheidsregels thans zijn vastgelegd in een verordening van de EG.
In art. 22 sub 4 EEX-V° zijn de woorden 'ten aanzien van' vervangen door 'voor' zonder dat hierdoor een materiële wijziging heeft plaatsgevonden.
HvJ EG 15 november 1983, zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984, 695, r.o. 19; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 14.
CA Parijs 15 april 1992, Clunet 1993, p. 154 (verval van een merk wegens niet gebruik).
Par. 16.5.2.3.
Nagel/Gottwald, IZPR, p. 148, nr. 180; Schlosser, EZPR, p. 139, nr. 22; Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 35; Rb. Rotterdam 29 mei 1997, NIPR 1998, 246.
Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a — 410-414.
Rapport Jenard, PbEG p. C 59/36; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-409.
Kropholler, EZPR, p. 260; Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 35. Voor `Gleichlauf zie bijv. art. 64 lid 3 Europees Octrooiverdrag d.d. 5 oktober 1973 op grond waarvan elke inbreuk op een Europees octrooi wordt beoordeeld naar het nationale recht van de staat waarvoor het octrooi is verleend.
HvJ EG 14 december 1977, zaak 73/77, Sanders/Van der Putte, Jur. 1977, p. 2383, NJ 1978, 654, r.o. 11; HvJ EG 15 november 1983, zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984, 695, r.o. 22.
Par. 16.5.2.
HvJ EG 15 november 1983, zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984, 695, r.o. 24; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 15; CA Parijs 15 april 1992, Clunet 1993, p. 154 (verval van een merk wegens niet gebruik).
HvJ EG 15 november 1983, zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984, 695, r.o. 26.
HvJ EG 15 november 1983, zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984, 695, r.o. 25; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 16; Rapport Jenard, p. C 59/36; Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 68; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 82; Gothot-Holleaux, La Convention, p. 89; Van Houtte, Europese IPR-Verdragen, p. 47; Krop-holler, EZPR, p. 262; Nagel/Gottwald, IZPR, p. 149, nr. 181; Pontier, Onrechtmatige daad, p. 23; Schlosser, EZPR, p. 138, nr. 22; Struycken, Preadvies NV1R 1978, p. 35; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 86; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-410- 414.
Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 33.
HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 25; Bellet, Clunet 1965, p. 857; Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 33 en 36.
Par. 16.3.7.1 bespreekt de eis in reconventie.
AG Geelhoed voor HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, par. 15 e.v. vat deze samen; zie ook Rapport Jenard, PbEG p. C 59/39; Pontier, Onrechtmatige daad, p. 23; Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 33 en 36; Pres. Rb. 's-Gravenhage 5 januari 1993, IER 1993, p. 61 die een exceptief verweer niet onder de exclusieve bevoegdheid van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag laten vallen.
HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 25.
HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03, GAT/LuK, Jur. 2006, p. 1-6509, r.o. 26-29.
Art. 67 EEX-Vo wijkt af van art. 57 Verdrag door de toevoeging van de woorden: 'en die opgenomen zijn of zullen worden in besluiten van de Gemeenschap of in de nationale wetgevingen die ter uitvoering van deze besluiten geharmoniseerd zijn'. Hierdoor wijkt de EEX-Vo voor alle besluiten van de EG over bijzondere onderwerpen af voor zover daarin bepalingen over bevoegdheid voorkomen.
Voor artikel 37 Eenvormige Beneluxwet op de Warenmerken en artikel 29 Eenvormige Beneluxwet inzake Tekeningen of Modellen verwijs ik naar Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 272; Struycken, Preadvies NV1R 1978, p. 36; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-983. Het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) is de opvolger van deze eenvormige Benelux wetten.
Trb 1976, 101; Rapport Jenard, PbEG p. C 59/36; Gothot-Holleaux, La Convention, p. 90.
Rapport Schlosser, p. C 59/123; Gothot-Holleaux, La Convention, p. 90; Van Houtte, Europese IPRVerdragen, p. 48 verwijst naar de art. 66 tot en met 70 Verdrag; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-983.
Verordening 40/94/EG d.d. 20 december 1993, PbEG 14 januari 1994, p. L 11/21.
Kropholler, EZPR, p. 261.
Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 68; Gothot-Holleaux, La Convention, p. 89; Van Houtte Europese IPR-Verdragen, p. 47.
Kropholler, EZPR, p. 263.
Nagel/Gottwald, IZPR, p. 156, nr. 197; Rb. Amsterdam 21 februari 2007, NIPR 2007, 138.
Rb. Amsterdam 21 februari 2007, NTPR 2007, 138.
Verordening 2100/94/EG d.d. 22 juli 1994, PbEG 1 september 1994, p. L 227/1.
Art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag bepaalt dat de gerechten van de EG respectievelijk verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn waarbinnen de deponering of registratie is verzocht,1 heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad2 in de zin van een besluit van de EG3 of een internationale overeenkomst:
`ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten welke aanleiding geven tot deponering of registratie' 4>
Art. 22 sub 4 EEX-V° wijkt af van art. 16 sub 4 Verdrag, omdat de inhoud van art. V quinquies van het Protocol dat behoort bij het Verdrag in de laatste zin van art. 22 sub 4 EEX-V° is overgenomen. Inhoudelijk is de EEX-V° ten opzichte van het Verdrag derhalve niet gewijzigd.
Het Hof van Justitie heeft in de arresten Duijnstee/Goderbauer en GAT/LuK geoordeeld dat een 'geschil ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien' verdragsautonoom moet worden geïnterpreteerd.5 In lijn met de andere arresten over art. 16 EEX, dient mijns inziens hetzelfde te worden aangenomen voor de andere rechten van intellectueel eigendom en soortgelijke rechten. Niets duidt erop dat deze beslissing niet tevens van toepassing is op merken,6 tekeningen, modellen, en andere soortgelijke rechten van intellectueel eigendom. Het Hof van Justitie heeft immers voor alle begrippen in art. 22 EEX-V°/16 Verdrag tot nu toe geoordeeld dat zij verdragsautonoom dienen te worden geïnterpreteerd.7 Soortgelijke rechten omvatten niet het auteursrecht en het recht op een handelsnaam, omdat hiervoor geen inschrijving behoeft plaats te vinden.8 Het kwekersrecht op grond van de Zaaizaad-en Plantgoedwet is naar Nederlands recht een voorbeeld van een 'soortgelijk recht' .9
De ratio van art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag is dat het tot de soevereiniteit van een EG- c.q. verdragsluitende staat behoort een bepaald recht van intellectueel eigendom te verlenen of in te schrijven.10 Daarnaast spelen ook hier met name de Gleichlauf en mogelijke problemen in verband met tenuitvoerlegging van een uitspraak uit een andere staat een rol om dezelfde redenen als bij art. 22 sub 3 EEX-V°/16 sub 3 Verdrag.11 Gelet op deze gronden is het gerecht van de staat van inschrijving van het recht van intellectueel eigendom het meest geschikt en het best geplaatst om de genoemde geschillen te beslechten met uitsluiting van gerechten in andere EG respectievelijk verdragsluitende staten.12
Toch gaat deze 'geschiktheid' niet zover als de bepaling bij eerste lezing zou doen vermoeden: de bepaling heeft slechts een beperkt toepassingsbereik. Art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag dient (1) restrictief (of strikt) te worden uitgelegd, zoals de overige paragrafen van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag,13 heeft (2) een beperkt toepassingsbereik door de art. 67 en 71 EEX-V°/57 Verdrag en (3) is niet van toepassing op administratieve procedures. Volgens de autonome interpretatie van het Hof van Justitie heeft art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag alleen betrekking op geschillen waarvoor de toekenning van een exclusieve bevoegdheid aan de rechters van de plaats waar het recht van intellectueel eigendom is verleend, is gerechtvaardigd. Daaronder verstaat het Hof van Justitie geschillen betreffende de geldigheid, bestaan of verval van het recht van intellectueel eigendom of een aanspraak op een recht van voorrang uit hoofde van een eerdere deponering.14 In het arrest Duijnstee/Goderbauer heeft het Hof van Justitie overwogen dat een geschil over de rechten op een octrooi tussen een werkgever en een werknemer die tijdens zijn dienstbetrekking een uitvinding heeft gedaan waarvoor een octrooi is aangevraagd of verleend geen geschil in de zin van art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag is.15 Ook andere geschillen die verband houden met rechten van intellectueel eigendom - maar geen betrekking hebben op geldigheid, bestaan of verval - vallen niet onder art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag.
Voor nabootsings-, inbreuk-, schadevergoedings-, of oneerlijke mededingingsacties zijn de gewone regels van toepassing, inclusief forumkeuze.16 De belangrijkste vraag is in de praktijk - mede in verband met de mogelijkheid tot forumkeuze - of een beroep op nietigheid of ongeldigheid van een recht van intellectueel eigendom (of de registratie of inschrijving daarvan) door de verweerder in conventie (als verweer) of als eis in reconventie valt onder het toepassingsbereik van art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag. Dezelfde vraag kan ook spelen bij de andere bepalingen, bijv. Bij zakelijke rechten, besluiten van vennootschappen of haar organen en inschrijvingen in openbare registers.17
In de praktijk manifesteert dit probleem zich echter met name bij procedures over rechten van intellectueel eigendom en soortgelijke rechten. Als voorbeeld noem ik de licentiegever die royalties vordert en als verweer of als eis in reconventie krijgt dat zijn recht van intellectueel eigendom niet rechtsgeldig is. Over een eis in reconventie strekkende tot nietig of ongeldigverklaring van het recht van intellectuele eigendom kan geen verschil van mening bestaan: art. 22 EEX-V°/16 Verdrag derogeert aan het bepaalde in art. 6 lid 3 EEX-V°Nerdrag, zodat een eis in reconventie (ter afwering van een vordering wegens een (beweerde) inbreuk) voor een ander gerecht dan genoemd in art. 22 EEX-V°/16 Verdrag niet mogelijk is.18 Een ander gerecht dient zich onbevoegd te verklaren voor de eis in reconventie.19 Daarentegen bestond met name verschil van inzicht over de vraag of een gerecht bevoegd is, indien het (exceptieve) verweer houdende nietigheid of ongeldigheid van het recht van intellectueel eigendom in conventie wordt gevoerd.20 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag van toepassing is ongeacht de wijze waarop de geldigheid van het recht van intellectueel eigendom in de procedure wordt opgeworpen.21Het Hof van Justitie voert hiervoor aan dat (1) anders afbreuk zou worden gedaan aan de dwingende aard van deze bevoegdheidsregel, (2) het gevaar bestaat meer dan één gerecht bevoegd zou zijn waardoor de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels van EEX-V°Nerdrag zou worden aangetast en (3) bij een andere uitleg een gevaar van onverenigbare beslissingen dreigt.22 Voor nabootsings-, inbreuk-, schadevergoedings-, of oneerlijke mededingingsacties is een forumkeuze dus mogelijk, hoewel dat in de praktijk weinig voorkomt.
Ik wijs ten tweede op de art. 67 en 71 EEX-V°/57 Verdrag die bepalen dat EEX-V°/ Verdrag niet van toepassing is in geval van verdragen over bijzondere onderwerpen alsmede besluiten van de EG en de daaruit voortvloeiende harmonisatie in de nationale wetgevingen,23 zoals art. 4.6 Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom (dat art. 37 Eenvormige Beneluxwet op de Warenmerken en art. 29 Eenvormige Beneluxwet inzake Tekeningen of Modellen heeft vervangen).24 Evenmin is art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag van toepassing op nationale en Europese octrooien en merken ingevolge het Verdrag van München van 5 oktober 1973 inzake de verlening van Europese octrooien,25Verdrag van Luxemburg van 15 december 1975 betreffende het Europese octrooi voor de gemeenschappelijke markt26 en de art. 90 tot en met 96 Verordening 40/94/EG van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk,27 omdat deze verdragen en de verordening regels omtrent bevoegdheid bevatten. Art. 22 sub 4, laatste zin EEX-V° bevestigt de voorrang uitdrukkelijk voor de registratie en geldigheid van een voor een EG staat verleend Europees octrooi.
Ten derde wijs ik erop dat administratieve procedures bij nationale instellingen, zoals een nationaal of Europees octrooi- of merkenbureau, niet onder het materiële toepassingsbereik van EEX-V°Nerdrag vallen en daarom art. 22 sub 4/16 sub 4 Verdrag niet van toepassing is.28 Deze procedures kennen hun eigen reglementen over de procesvoering.
Voor forumkeuze blijft voorts ruimte bestaan, omdat het toepassingsbereik van art. 22 sub 4 EEX-V°/16 sub 4 Verdrag beperkt is ten aanzien van overeenkomsten betreffende rechten van intellectueel eigendom. In licentie-, arbeids-, ontwikkelingsovereenkomsten.29 Ook een forumkeuze in een overeenkomst waarbij overdracht van een recht van intellectueel eigendom of een soortgelijk recht plaatsvindt, heeft rechtsgevolg.30 Ik denk daarbij in het bijzonder aan vorderingen wegens non conformiteit.
Ook bieden de bijzondere verdragen en verordeningen mogelijkheden voor een forumkeuze. Art. 93 lid 4 jo 90 lid 2 sub b Verordening 40/94/EG laat een forumkeuze voor een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk toe, mits aan de voorwaarden van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag of 24 EEX-V°/18 Verdrag is voldaan.31 Partijen kunnen door een forumkeuze ex art. 23 EEX-V°/17 Verdrag in dat geval echter slechts een rechtbank of rechtbanken voor het Gemeenschapsmerk aanwijzen (in Nederland de Rb. ' s-Gravenhage). Een forumkeuze die een ander gerecht of gerechten aanwijst voor geschillen over het Gemeenschapsmerk (inclusief geschillen over (dreigende) inbreuken) heeft geen rechtsgevolg. Een stilzwijgende forumkeuze in de zin van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag heeft slechts rechtsgevolg, indien de verweerder is verschenen voor een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk en de bevoegdheid niet tijdig heeft betwist. Een verschijnen voor een ander gerecht dan een rechtbank voor het Gemeenschapsrecht heeft dus evenmin rechtsgevolg en het gerecht kan op grond van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag geen bevoegdheid aannemen. Bij een gelijktijdig geschil over andere onderwerpen (bijv. nationale rechten van intellectueel eigendom), kan de samenhang c.q. verknochtheid met de andere geschillen of proceseconomie geen reden zijn de uitdrukkelijke of stilzwijgende forumkeuze toch rechtsgevolg te laten hebben.32 Omgekeerd acht ik de rechtbank voor het Gemeenschapsmerk wel bevoegd voor andere geschillen dan over het gemeenschapsmerk, indien de verweerder zich kan beroepen op een forumkeuze of verschijnt zonder de bevoegdheid voor de andere geschillen te betwisten. Art. 93 Verordening 40/94/EG staat daaraan in de weg. Een beperkte keuzemogelijkheid biedt tot slot art. 101 lid 1 jo 102 lid 2 Verordening 2100/ 94/EG inzake het gemeenschapskwekersrecht.33