De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.2.3.2:4.2.3.2 Overige concernbegrippen in de WOR
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.2.3.2
4.2.3.2 Overige concernbegrippen in de WOR
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS384859:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de regeling omtrent concernmedezeggenschapsorganen in art. 33 WOR wordt in een aantal artikelen verwezen naar een van de concernbegrippen. Het betreft de artikelen 31 lid 2, 31a en 24 lid 2 WOR. Het is niet geheel duidelijk of voor deze artikelen ook het concernbegrip van art. 33 WOR geldt. Zo heeft art. 31a lid 3 WOR betrekking op de geconsolideerde jaarrekening. Naar mijn mening ligt het voor de hand dat hiervoor aangesloten wordt bij het groepsbegrip uit het jaarrekeningenrecht (art. 2:24b BW). Art. 31 lid 2 sub d WOR verplicht de ondernemer die deel uitmaakt van een groep informatie te verstrekken over de ondernemers die deel uitmaken van de groep, de zeggenschapsverhoudingen waarin zij zijn verbonden alsmede de naam en woonplaats van degenen die ten gevolge van de zeggenschapsverhouding feitelijke zeggenschap kunnen uitoefenen. Deze laatste toevoeging lijkt te impliceren dat voor het groepsbegrip vereist is dat feitelijke zeggenschap wordt uitgeoefend. Dit terwijl het groepsbegrip zoals door de Hoge Raad geformuleerd is in Cendris BSC veel meer van formele vereisten uitgaat. Ten slotte is art. 24 lid 2 WOR van belang voor ondernemers die onderdeel zijn van een concern. Dit artikel voorziet in een verschijningsplicht voor de bestuurders van de moedermaatschappij in de overlegvergadering van de dochter. Deze verschijningsplicht ontstaat wanneer de ondernemer een BV of een NV is en ten minste de helft van de aandelen middellijk dan wel onmiddellijk voor eigen rekening wordt gehouden door een andere vennootschap. In dit artikel wordt een formeel dochterbegrip geformuleerd dat sterk lijkt op het begrip afhankelijke maatschappij van art. 2:152/ 262 BW. Het gaat immers uit van een ten minste 50%- regel waardoor het afwijkt van het formele groepsbegrip van art. 2:24a BW. Resumerend zijn dus vier verschillende concernbegrippen in de WOR te vinden: (i) het medezeggenschapsrechtelijke groepsbegrip van art. 33 WOR dat voornamelijk formeel wordt ingevuld maar ruimte overlaat voor feitelijke correctie, (ii) het economische groepsbegrip uit art. 31a WOR, (iii) het begrip uit art. 31 lid 2 dat vooral feitelijke invulling lijkt te impliceren en (iv) het formele dochterbegrip uit art. 24 lid 2 WOR dat lijkt te zijn afgeleid van de structuurregeling. Al deze begrippen maken de toepasselijkheid van de WOR in concernverhoudingen zeer ingewikkeld, terwijl concernverhoudingen in de praktijk veelvuldig voorkomen. Het lijkt mij daarom wenselijk een uniform groepsbegrip in artikel 1 op te nemen. Het hierna te bespreken groepsbegrip uit de WEOR zou hiervoor als voorbeeld kunnen dienen.