Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.4:6.5.4 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.4
6.5.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291486:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het begrip ‘bouwterrein’ geen uniebegrip is, is de omschrijvingsvrijheid van de lidstaten met betrekking tot dit begrip op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie zodanig beperkt dat de omschrijvingsvrijheid slechts op papier bestaat. De praktijk laat zien dat de meeste lidstaten zich tot op heden niets van deze ‘omschrijvingsbanden’ aantrekken. De meeste lidstaten hanteren bij de omschrijving van het begrip ‘bouwterrein’ namelijk een louter formeel bebouwingscriterium, terwijl volgens het Hof alle onbebouwde terreinen die bestemd zijn als ondergrond voor een opstal, en, bijgevolg, om te worden bebouwd, onder het nationale begrip ‘bouwterrein’ moeten vallen.
Nederland is één van de weinige lidstaten die de grenzen aan de omschrijvingsvrijheid wel in acht heeft genomen door deze grenzen te verheffen tot definitie van het begrip ‘bouwterrein’. Hierdoor wordt de levering van ieder onbebouwd terrein dat kennelijk bestemd is om te worden bebouwd als de (van rechtswege) belaste levering van een bouwterrein aangemerkt. Het nadeel van deze definitie van het begrip ‘bouwterrein’ is de rechtsonzekerheid. Want wanneer is een bouwterrein kennelijk bestemd om te worden bebouwd? Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het door objectieve gegevens ondersteunde bebouwingsvoornemen van de (ver)koper volstaat om een onbebouwd terrein als een bouwterrein aan te merken, tenzij er in de voorzienbare toekomst geen bebouwingsmogelijkheid is. De huidige definitie van het begrip ‘bouwterrein’ leidt echter tot (onwenselijke) rechtsonzekerheid in de situaties waarin de bebouwingsmogelijkheid in de voorzienbare toekomst niet is uitgesloten, maar uit objectieve gegevens niet eenduidig is af te leiden of het onbebouwde terrein bestemd is om te worden bebouwd. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is het daarom een goede zaak dat de wetgever de vier oude (lees: tot 1 januari 2017 geldende) bouwterreincriteria heeft aangemerkt als objectieve omstandigheden die in ieder geval leiden tot de kwalificatie bouwterrein.